Wil de ware islam nu opstaan..?

“Ik zoek een ijkpunt om te weten wat nu wel en niet islam mag heten”, zei Jan Leyers aan het eind van het gesprek, gisteravond (nine-eleven, 2017) op canvas. En daarmee legt hij de aporie bloot die al die discussies over de plaats van religie in de samenleving zo vermoeiend maakt. Dat ijkpunt is er namelijk niet, terwijl elke willekeurige groep mensen het recht heeft om het te claimen. Iedereen mag dus zeggen dat hij/zij ‘de ware islam’ verkondigt, en de anderen afschrijven als halflings, ketters, afvalligen, fundamentalisten, libertijnen, bedriegers, ongelovigen etc., en vice versa en tot in eeuwigheid, amen. Zolang deze aporie niet wordt gethematiseerd zal religie een ‘unruly thing’ blijven en zal het geweld dat inherent is aan zulke taal ook reële vormen blijven aannemen.

KORTE Toelichting: Religies zijn en blijven menselijke constructies , waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke religie is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen en degene die suggereert dat hij dat wel kan, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah of paus noemt.

LANGE toelichting (geschreven in de nasleep van Charlie Hebdo, jan. 2015 (toen religieuze leiders over elkaar heenvielen om te verklaren dat de jihadi’s ‘geen echte moslims’ waren), maar nog steeds relevant volgens mij)

DE islam, HET christendom, wie bepaalt eigenlijk wat dat is? En: is er een criterium om ‘echte islam’ van ‘valse islam’ te onderscheiden ? Iedereen schijnt daar zomaar van uit te gaan als je de reacties op de terreur in Parijs leest. Men veronderstelt blijkbaar dat ‘de islam’ ergens gedefinieerd is, of zou kunnen worden en vervolgens onderscheiden van de visie die jihadisten c.s. daarop hebben. Het probleem is echter dat niemand, maar dan ook echt niemand, in de positie is om dat te doen. Niemand kan zeggen wat wel ‘islam’ is en wat niet. En voor u denkt dat de islam weer eens geviseerd wordt, u mag in plaats van ‘islam’ ook lezen: ‘christendom’ ‘wicca’, ‘vrijzinnig humanisme’ etc. Het antwoord in al deze gevallen is namelijk hetzelfde. Geen enkele persoon of groep (ook niet de nominaal grootste) kan die definitie geven, hoewel bijna elke groep zèlf wel meent dat zij in die positie is. De paus claimt bijv. dat hij kan zeggen wat ‘het christendom’ is, maar ik ben het al niet met hem eens. Ik ben namelijk een christen van de protestantse familietak en de paus komt in mijn versie van het christendom enkel aan de rand voor (en daar nog eerder negatief dan positief). En Jezus kan het zelf niet meer uitleggen, gesteld al dat hij een godsdienst had willen stichten (wat ik overigens niet denk, maar dit terzijde).

Levensbeschouwingen (of ze nu godsdienstig zijn of niet) zijn constructies, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities.

Het lijkt me niet onnuttig in het huidige debat over de plaats van godsdienst in onze samenleving ons hiervan rekenschap te geven. Anders blijven we langs de werkelijkheid heenpraten en krijgen we de vinger niet op de wonde. En dat is toch nodig wil er heling kunnen plaatsvinden. Levensbeschouwingen (of ze nu godsdienstig zijn of niet) zijn constructies, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke levensbeschouwing is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen. Iedereen zal van mening zijn dat hij zelf de beste, de meest juiste, de zuiverste opvatting heeft, maar daarmee is dat nog niet zo. Luther en de paus raakten in deze valkuil verstrikt in de 16e eeuw betreffende de definitie van het christendom, zij verketterden elkaar over en weer, en even later was het oorlog. Je kunt ook niemand het recht ontzeggen te claimen dat hij of zij deze of gene godsdienst aanhangt. Je kunt enkel ernaar streven om het gesprek daarover op een zinvolle manier te organiseren, zoals we binnen het christendom door schade en schande hebben geleerd. Voorwaarde is echter dat alle deelnemers aan het gesprek het uitgangspunt accepteren (nl. dat hij ‘god niet in z’n broekzak heeft’): God mag dan wel eeuwig zijn of absoluut, onze interpretatie van wie Hij (of Zij of..) is, staat principieel open voor discussie.

Naar vandaag toe. Degene die suggereert dat hij of zij met beroep op de ‘echte islam’ helderheid kan scheppen op het terrein van de vele opvattingen die over de islam de ronde doen, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah, imam, Ahmed of Charlie noemt.

Het lijkt me dan veel zinvoller om er voortaan op te letten als we over godsdiensten of levensbeschouwingen spreken, dat we een verduidelijking toevoegen, in de zin van:  volgens mijn interpretatie van het christendom…, of zoals wij hier te lande de islam beleven… etc. Dan benader je levensbeschouwingen niet als quasi onveranderlijke instituten, maar als menselijke fenomenen (die al dan niet geïnstitutionaliseerd zijn met het oog op bepaalde functies). De aanpak van de manier waarop godsdienstige overtuigingen hun plaats dan kunnen krijgen in de maatschappij, kan vervolgens gediversifieerd worden en het debat erover zal aan nuance winnen.

15 januari 2015, Dick Wursten

P.S. Praktisch Syllogisme. Hebt u geen zin in thorastudie, evangelie-onderzoek of koranles, dan is hier een shortcut voor een realistische inschatting van de mensvisie van diverse godsdienstige groeperingen: Kijk naar het gedrag van degenen die in onze tijd te kennen geven dat zij tot een bepaalde godsdienst horen. Daar wordt dan eenvoudig zichtbaar of men erin geslaagd is de geweldsteksten onschadelijk te maken: Aan de vruchten kent men de boom !

Religie, godsdienst, godsdiensten: Hoe zit dat ?

Voor wie ouder is dan 50 weet dat op het terrein van de ‘dienst aan god’ de meervoudsvorm eigenlijk omstreden is. Niet bij godsdienstwetenschappers (buitenperspectief), maar van binnenuit, bijv. vanuit christelijk perspectief. Om voor mezelf te spreken: Toen ik jong was, bestond er maar één ware godsdienst (de onze natuurlijk) en wat er aan geloof, godsdienst en religiositeit buiten het christendom nog bestond, was een vorm van afgoderij (onware, valse godsdienst). Wij – protestanten – waren hierin zelfs heel strikt: Wij vonden ook de rooms-katholieke variant afgodisch (Zo stond het in onze catechismus). Via de optie van een ‘natuurlijke oer-religie’ konden wij wel bepaalde elementen in andere religies waarderen, maar  – als het erop aan kwam – in essentie alle andere godsdiensten, dwalingen, waarvan mensen moesten verlost worden door de verkondiging van het enige ware verhaal (‘bekeringsmodel’: conversio). Een ingewikkelde tussenpositie nam het Jodendom in, maar daarmee heeft het christendom dus ook nooit echt raad geweten.

  1. De opvatting dat er maar één godsdienst mogelijk is (namelijk de christelijke: de vera religio) en dat alle ander vormen van ‘godsdienst’ in meer of mindere mate afgoderij zijn (falsa religio)  heeft de kerkgeschiedenis gedomineerd, maar is historisch gezien niet de oudste. Eerst waren er vele godsdiensten naast elkaar, zoals er ook vele goden bestonden, die meestal territoriaal en nationaal waren (zo ook in het OT). Via de exclusieve verering van één God (mono-latrie) is de overgang gemaakt naar de negering van andere goden (zij zijn ‘nietsen’ = OT, dominant in NT) en tenslotte tot de opvatting dat er maar één God is. De ‘andere goden’ worden dan vaak anti-krachten en gerubriceerd bij de ‘duivel’ (die in de oudste teksten van de bijbel niet voorkomt). U ziet het: het menselijke verbeeldingsvermogen moet overuren draaien om de realiteit van de godenwereld voorstelbaar te maken.
  2. Binnen de Joodse godsdienst is er nooit een universele en bewuste erkenning (laat staan verering) van die ene God die zij vereerden vereist. Het Joodse volk had het voorrecht (en de last, de opdracht) om deze God bewust te vereren en zijn voorschriften te volgen. Andere volkeren mochten ‘op hun wijze zalig worden’ als ze zich maar wat humaan gedroegen. Pas bij de christelijke sprongvariatie van de Joodse godsdienst (= Paulus) verandert dat: de boodschap wordt universeel en opeens wordt de kwestie rond ware/valse godsdienst urgent. De evangelisatie/zending is geboren. De islam neemt dit element later over, en maakt er een erezaak van.
  3. De benadering van het religieuze vanuit de vraag: dient men de ware God of niet is zo bezien een gevolg van het succes van de christelijke, monotheïstische godsdienst die mythe, rite, ethiek en zingeving (voor het eerst ?) in één systeem samenbracht (A.D. Nock). Het werd een ‘alles of niets’ gebeuren.
  4. In de antieke wereld, zowel de Griekse als Romeinse, werd het domein van de religie bepaald door een de verering van een veelheid aan goden. Niet een uitgekristalliseerde theologie (‘leer, dogma’) kenmerkte de godsdienst, maar een geheel van mythen en riten. De universaliteit werd niet via een exclusieve totalitaire visie gegarandeerd, maar door een inclusieve plurale visie: in het pantheon was plaats voor alle goden, op voorwaarde dat ze tevreden waren met hun eigen verering (een probleem met sommige Egyptische goden en vooral met de Joodse godsdienst, en dan dus ook met het Christendom). De godsdienst speelde vooral een rol in het politieke, huiselijke en natuurlijke leven. Het kon functioneren als instrument in dienst van machthebbers ten opzichte van de onderdanen (civil religion zouden wij nu zeggen – de bijna exclusieve onderlijning hiervan in de Verlichting had natuurlijk anti-christendommelijke trekjes); maar ook als instrument in handen van de mens (individueel en in groep) tegenover datgene wat hem te boven ging in de natuurwerkelijkheid: Het domein van ethiek, zingeving werd niet zozeer door de religie bepaald, maar door de filosofie (ratio)? Dat verandert dus als het christendom die opeist, maar blijft als interne (verborgen) spanning in de theologie no eeuwenlang sluimeren.
  5. In de Oorsterse wereld ? Naast mystieke opvattingen over de aard van de werkelijkheid (mi-religieux, mi-philosophe) in het Hindoeïsme/Boeddhimse zijn er ook – zeker in China – zeer pragmatische bijna a-religieuze levensbeschouwingen te vinden (confucianisme bijv.)

A ‘classic’ op dit terrein: A.D. Nock, Conversion (1933). Zijn algemene idee (En hij was een zeer erudiet man): In de antieke wereld wordt de plaats (de rol) die het geloof (faith) bij ons speelt ingenomen door mythe and rituelen en heeft eerder te maken met een levenshouding dan met een overtuiging: ‘ They were efficient in/by themselves, not because they were ‘true’ (in a theological sense). Op p. 163 van zijn boek heeft hij het dan over de reservations towards the ‘new religion’ of Christendom die bij de meeste Romeine leefden:

Worship had no key to life’s meaning: that was offered by philosophy; but precisely because worship rested on emotion and not on conscious theory and thinking, it had deeper roots in their natures, and was not easily refuted by reason. Christianity is new in this sense that in it for the first time in history philosophy (the human search for truth and the meaning of life) coincided with the adherence to a specific religion with a strong doctrinal aspect. Now the meaning of life had to be found in religion (worship and beliefs, rite and myth) and was no longer a free human quest.

 

Nog een citaat: p. 267-269

In the light of this survey the advance of Christianity stands out as a phenomenon which does not stand alone but has parallels which makes its success not wholly incomprehensible. There were other forms of belief at the time which won adherents among men who were not called to them by anything in their antecedents. And yet these very analogies enable us to see the differences the more clearly. The other Oriental religions in Roman paganism… were neither Oriental nor religious in the same degree. They had not brought a compact body of doctrine or of accessible sacred literature from the Nearer East with them; in so far as they appealed to men who did not come from the lands of their origin it was in forms which were fully hellenized, at least fully hellenized in matters of fundamental thought and above all in their expectations of the hereafter. This is true in spite of the exotic appearance which they had and sometimes artificially adopted for purposes of effect.
Christianity avoided the exotic in externals and retained it in doctrine, in its doctrine of the last things and of the hereafter, in its sacred literature, available to all and sundry but not accommodated to classical style and classical thought, in its peculiar and unbending view of history.
The Oriental mystery religions were not Oriental in the same sense as Christianity. Neither were they religions in the same sense. Theology might be and was applied to them: beliefs and hopes and interpretations clustered around them, but they were fluid and the interpretations came from outside, from Greek speculation and from the earlier habits of the Greek mind in religious things. And, as we have seen, there was no body of faithful throughout the world, no holy Isiac (Isis) or Mithraic church, no Isiacs even, except as the members of a local association, with a devotion and belief which an Isiac from elsewhere could recognize.
Greek philosophy was applied to Christianity… but, as applied to Christianity, it was applied to what was already much more of an entity. In Christianity it was used for the interpretation of a body of doctrine widely held by men speaking Greek and Latin… it was capable of being made intelligible and it was removed from Judaea early enough to become part of the larger world.

Teveel respect voor institutionele religie schaadt de individuele vrijheid van godsdienst

Door altijd maar weer rekening te houden met de eisen van traditionele (=conservatieve) moslims maken we het Europese (=zelf-denkende) moslims moeilijk om hun eigen versie van de islam te ontwikkelen. Teveel respect voor institutionele religie schaadt de individuele vrijheid van godsdienst.

Een historische denkoefening bij het begin van de Ramadan

Stel u voor: Een drukkerij in een middelgrote stad in een islamitisch land. Het is ramadan. Het nieuwste boek van Rachid Benzine is op de pers gelegd en moet voor het einde van de week in de boekhandels liggen. De arbeiders werken keihard maar de zon brandt ongenadig en halverwege de middag zijn ze uitgeput bij gebrek aan eten en drinken. De deadline komt snel naderbij. De baas belt een hele reeks imams op en vraagt of zijn arbeiders de vasten mogen verbreken om te eten en te drinken. Na een aantal keren nul op het rekest te hebben gekregen is er een imam, die hem vertelt dat er in de godsdienst geen dwang is en dat hij dus zelf moet beslissen of hij dit voor Allah en zijn geweten verantwoorden kan. De baas ziet de afgematte blik in de ogen van zijn arbeiders, denkt aan de deadline en de bijbehorende boete, en hakt resoluut de knoop door. Hij laat een traiteur komen en in de schaduw van de palmboom voor de drukkerij nuttigt de hele ploeg een volledige maaltijd. Hoe dit verhaal verder zou gaan, laat ik aan mensen met meer kennis van zaken over. Enige commotie zal dit vast wel veroorzaken.

Waar gebeurd in Zürich (1522)

In de drukkerij van Froschauer in Zürich wordt hard gewerkt om het nieuwste boek van Erasmus van Rotterdam op tijd klaar te krijgen voor de Frankfurter Buchmesse. Het is maart 1522. De Vasten begint. In Zürich is die streng: Geen vlees, geen vleesnat, geen eieren, geen melk. Het dagelijks menu bestaat voor de arbeiders uit variaties op het thema ’groentenmoes’. Mr. Froschauer neemt contact op met de lokale priester, Ulrich Zwingli, en vraagt of hij zijn mannen vlees mag voorzetten. Zwingli is van mening dat het woord ‘vrijheid’ de kern van het evangelie beter weergeeft dan ‘verplichting’ en geeft zijn zegen. De arbeiders durven niet goed, want de bisschop was duidelijk geweest in zijn vastenbrief en de regels van het kerkelijk recht evenzeer. Zwingli komt naar de drukkerij, haalt een reeks bijbelteksten aan van Jezus en Paulus over voedsel en spijswetten, en verzekert met de hand op zijn hart dat God niet boos zal worden als ze zich niet aan de voorschriften zouden houden. Mochten er problemen komen, zo belooft hij de drukker en zijn knechten, dan zal hij het voor hen opnemen. En zo geschiedde het dat half maart 1522 er door de lokale slager een voorraad rijpe gedroogde worsten wordt geleverd bij drukkerij Froschauer, die door de arbeiders met smaak worden genuttigd. De drukker nam er zelf ook één, Zwingli bedankte er vriendelijk voor. De reacties lieten niet lang op zich wachten. De volgende dag lag er al een klacht bij de Stadsmagistraat tegen Froschauer en Zwingli (NB: kerk en staat waren nog niet gescheiden). De bisschop van Konstanz liet in niet mis te verstane woorden zijn afkeuring blijken en dreigde met tuchtmaatregelen. De Stadsraad gelastte een onderzoek. Onderwijl werd er in bierhuis en restaurant, op markten en pleinen, tijdens recepties en feesten over niets anders meer gepraat. Er vormden zich facties en het kwam tot rellen in de stad. Op de derde zondag van Vasten preekte Zwingli voor een overvolle kerk over het thema ‘Dat een mens vrij is als het gaat om de keuze van wat hij eet en dat het hem vrij staat of hij al dan niet vast’. Toen de schout er vervolgens achter kwam dat een groep vastenverdedigers plannen aan het smeden was om Zwingli te ontvoeren, versnelde de Stadsraad de procedure en besliste dat de ‘nieuwlichters’ een kans moesten krijgen om hun zaak te verdedigen. Het is hier niet de plaats om op het vervolg in te gaan, maar laat me volstaan met te zeggen dat Zwingli in een publiek debat de lokale overheden wist te overtuigen van het goed recht van zijn zaak en dat binnen één jaar de kerk van Zürich ‘hervormd’ werd: Erediensten vonden in het locale dialect plaats, men begon met een bijbelvertaling voor het gewone volk, en en passant trouwden de meeste priesters met hun vrouw. De bisschop werd wandelen gestuurd.

Vandaag?

Met deze gedachtenoefening wil ik erop wijzen dat we bij alle aandacht voor de ‘vrijheid van godsdienst’ het misschien ook eens moeten hebben over de ‘vrijheid binnen een godsdienst’. Wat doen de religieuze instituten met mensen die een mening hebben die niet ‘gedekt’ wordt door het instituut, zoals die van Zwingli die vond dat vasten niet essentieel was voor het christen-zijn, toentertijd een revolutionaire opvatting. Op vandaag toegepast: Wat doet ‘de islam’ met moslims die zeggen: ‘ik trek me van de vasten/ramadan niets aan, want ik kan best zonder dit uiterlijk gedoe moslim zijn’. Of: ‘Ik vind het verhaal rond Mohammed best wel tof en inspirerend maar al die regeltjes, dat zegt me niets. En met deze hitte niets drinken: Ik zou wel gek zijn! Het gaat toch om het hart’. Of: ‘Ik eet alleen maar halal als ik zelf kook en eet verder lekker wat de pot schaft als ik bij vrienden ben, want ik vind mijn vrienden belangrijker dan mijn eten’. De ‘officiële religie’ zal dan vaak zeggen: dat zijn geen ‘echte’ moslims, of geen ‘goeie’. Zoals men ook over Zwingli en de zijnen zei in 1522. Maar, zo vraag ik, waarom zouden wij altijd met de opvatting over ‘het wezen van de religie’ van theologen en kerkleiders moeten meegaan in onze dagelijks omgang en wetgeving? Het stadsbestuur van Zürich had het lef om ook de ‘vrijdenkers’ een kans te geven. Sterker nog: zij zag het als haar plicht om de minderheidsopinie te beschermen tegen de conformiteitsdwang die er van de heersende religie uitging. Zijn wij, zo vraag ik me af, ons er wel voldoende van bewust dat we door toe te geven aan de eisen van conservatieve moslims, het tegelijk de vrijere geesten moeilijk maken om hun ‘ontwerp’ van de islam nog door te zetten. Immers: Door tegemoet te komen aan wensen van bepaalde groepen moslims om een hoofddoek te dragen, halal te eten, het vasten te onderhouden, ritueel te slachten etc, worden wij ongemerkt en ongewild ook hun partners in de strijd tegen nieuwlichters die suggereren dat je ook moslim kunt zijn zonder. Wij nemen namelijk hun definitie van ‘islam’ over en houden die via wetgeving aan alle anderen voor als normatief.

 

26 mei 2017, Dick Wursten

[ook verschenen als opiniestuk in De Standaard]

Hieronder: afbeelding van de disputatie die in 1523 plaatsvond in het Raadhuis van Zürich:

 

 

Er zijn evenveel definities van ‘religie’ in omloop als er auteurs zijn die erover schrijven

Ja, ik ga beslissen wat de vrijheid van godsdienst is. Spannend hè?” , zo kopte De Morgen afgelopen weekend. Het was de laatstse zin van het interview met Koen Lenaerts, president van het Europese Hof van Justitie. Een mooie uitsmijter en een prima krantekop. Ik vond het echter vooral een griezelige zin.

Dat betekent immers dat op grond van de definitie van ‘godsdienst’ die een groepje rechters straks de al-dan-niet discriminatie van bepaald gedrag op de werkvloer en in het sociale leven wordt geregeld. Hoofddoek, burka, burkina, keppel, kruisje om een paar uiterlijke tekenen te noemen die met godsdienst zijn verbonden en waar iedereen meteen aan denkt. Of ook spaghettipan, tulband, dolk, Jedi-lichtzwaard (Jediisme is in Australië erkend als religie), om een paar andere te noemen. En dan zijn dit enkel nog maar uiterlijke attributen en heb ik de sociale aspecten nog niet eens genoemd: omgangsvormen tussen mannen-vrouwen, vrije dagen, feestperiodes, en eet-regels.

Natuurlijk is Lenaerts zich heel goed bewust van de haken en ogen die aan deze definitie-oefening zitten. En natuurlijk zullen de rechters in hun besprekingen dat ‘allemaal mee te nemen’, maar snappen ze, zo vroeg ik me af, eigenlijk wel dat niemand in staat is om hier een juridische knoop door te hakken zonder zelf een theologische positie in te nemen? En dus te discrimineren.

Religie is immers een ‘essentially contested concept’, dat wil zeggen: godsdienstwetenschappers zijn het onderling totaal niet eens over de theorievorming. Zij slagen er zelfs niet in om hun’onderzoeksobject’ te definëren. Er zijn met andere woorden evenveel definities van’religie’ in omloop als er auteurs zijn die erover schrijven. En elke definitie werkt beperkend. Het sluit bepaald menselijk gedrag in en ander menselijk gedrag dus uit. Bijvoorbeeld: Moet er een ‘transcendente macht’ in voorkomen? (Antwoord je’ja’, dan ligt het Boeddhisme er uit). Moet het georganiseerd zijn? (Antwoord je ‘ja’ en je discrimineert een steeds groter wordende groep mensen die zich niet wenst aan te sluiten bij een instituut, maar die zich nu ook weer niet on-religieus wil noemen). Moet er een’leer’ zijn? (Antwoord je’ja’, dan bevoorrecht je cognitief ingestelde religies (en dito mensen) boven de meer op het gevoel of de handeling of de rite ingestelde religies (en dito mensen). Is interne coherentie een voorwaarde (Antwoord je ‘ja’, dan open je de doos van pandora want dan beginnen’theologen’ binnen de religie elkaar gegarandeerd tegen te spreken). En ouderdom, omvang, etc. U snapt het al wel. Het antwoord op al die vragen bepaalt wat je wel en niet in je onderzoek betrekt en – wat de rechters betreft die daarover dus in conclaaf vergaderen – dat bepaalt dus ook wie er wel en wie er niet aanspraak kan maken op bepaalde vrijheden en voorrechten op het werk en in het sociale leven, incl. de publieke ruimte.

Rechters onbevoegd verklaren

En daar moeten de rechters van het Europese Hof van Justitie dus de knoop doorhakken, want rechtspreken zonder een definitie te geven is inderdaad onmogelijk. Mag ik de rechters een tip geven: verklaar u als hoogste rechtscollege onbevoegd, omdat de claims die met dit onderwerp verbonden zijn, niet op juridisch objectieve wijze kunnen worden vergeleken. Daarmee start u de discussie over religie als menselijk fenomeen dat – zoals alle menselijke fenomenen – respect verdient, maar op grond waarvan de aanhangers geen speciale privileges kunnen claimen die uitgaan boven wat de gewone wetgeving die het menselijk samenleven regelt, al voorziet.

Omdat ik vermoed dat de rechters zichzelf niet onbekwaam zullen verklaren, maar een pragmatische definitie in elkaar zullen knutselen (ad hoc), heb ik tenslotte nog een tip voor u, geachte lezer. Ik zou al uw van het’normale’ (en wat dat is, dat kunt u aan mr. Rutte of mw. Rutten vragen) afwijkende gedrag nog snel verbinden met een religieuze overtuiging. Dan hebt u immers veel meer kans dat u dat straks nog gewoon mag blijven doen, want dan valt het onder ‘de vrijheid van godsdienst’. En als u geen religie heeft, dan zou ik me snel aansluiten bij een religie die het gedrag dat u koestert, ook vertoont. U kunt dan immers voor uw afwijkend gedrag verwijzen naar uw religie. Mocht die religie per ongeluk nog niet bestaan, dan zou ik die meteen stichten. Let er dan wel op dat u die een beetje vorm geeft zoals een doorsnee religie (zie boven voor de meest voorkomende kenmerken). Ik vermoed namelijk dat er bij de rechters wel een soort grootst gemene deler (met Westerse kleur) als definitie uit de bus zal komen. Waarmee ik maar zeggen wil: Religie vergroot het speelterrein van uw individuele vrijheid en expressie, maakt niet uit welke religie.

Immers: Bent u veganist op religieuze gronden (Jainisme bijv.) dan krijgt u aan boord van het vliegtuig zonder probleem een speciale maaltijd geserveerd, en met respect. Weigert men u dat, dan discrimineert men u op religieuze gronden en dat mag immers niet. Bent u veganist omdat u… nu ja, omdat u dat bent en het beter vindt voor uzelf en voor de toekomst van de wereld, dan moet u maar hopen dat het in de service inbegrepen is en zult u het gemopper op de koop toe moeten nemen.

Zeg maar, dat een protestant het u gezegd heeft, want protestanten houden ook niet van al dat geëmmer over uiterlijkheden. Het is het hart waar het opaan komt.

Dick Wursten

[ook verschenen op de (s)preekstoel van Knack]

“maar dat is niet de echte islam, hoor…”

Over ‘echte’ en ‘valse’ islam’ …

DE islam, HET christendom, wie bepaalt eigenlijk wat dat is? Is er eigenlijk wel een criterium om ‘echte islam’ van ‘valse islam’ te onderscheiden ? Oftewel: Hebben argumenten als “maar dat is niet de echte islam, hoor, want de echte islam is vrede…” wel enige zin in het debat over religie en geweld?

kort antwoord

langer antwoord


kort antwoord

Iedereen schijnt daar zomaar van uit te gaan als je de reacties op de terreur in Parijs leest. En voor u denkt dat de islam weer eens geviseerd wordt, u mag in plaats van ‘islam’ ook lezen: ‘christendom’ ‘wicca’, ‘vrijzinnig humanisme’ etc. Het antwoord in al deze gevallen is namelijk hetzelfde: Neen, dat onderscheid maken heeft geen zin. De reden is dat levensbeschouwingen constructies zijn, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke levensbeschouwing is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen en degene die suggereert dat hij dat wel kan, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah of paus noemt.


lang antwoord

DE islam, HET christendom, wie bepaalt eigenlijk wat dat is? En:Is er een criterium om ‘echte islam’ van ‘valse islam’ te onderscheiden ? Iedereen schijnt daar zomaar van uit te gaan als je de reacties op de terreur in Parijs leest. Men gaat er van uit dat ‘de islam’ ergens gedefinieerd is, of zou kunnen worden en vervolgens onderscheiden worden van de visie die jihadisten c.s. daarop hebben. Het probleem is, dat niemand, maar dan ook echt niemand, in de positie is om dat te doen. Niemand kan zeggen wat wel ‘islam’ is en wat niet. En voor u denkt dat de islam weer eens geviseerd wordt, u mag in plaats van ‘islam’ ook lezen: ‘christendom’ ‘wicca’, ‘vrijzinnig humanisme’ etc. Het antwoord in al deze gevallen is namelijk hetzelfde. Geen enkele persoon of groep (ook niet de nominaal grootste) kan die definitie geven. De paus claimt bijv. wel dat hij kan zeggen wat ‘het christendom’ is, maar ik ben het bijv. niet met hem eens. Ik ben nl. een protestants christen en de paus komt in mijn versie van het christendom enkel aan de rand voor. En Jezus kan het zelf niet meer uitleggen, gesteld al dat hij een godsdienst had willen stichten (wat ik overigens niet denk, maar dit terzijde).

Het lijkt me niet onnuttig in het huidige debat over de plaats van godsdienst in onze samenleving hiervan rekenschap te geven. Anders blijven we langs de werkelijkheid heenpraten en krijgen we de vinger niet op de wonde. En dat is toch nodig wil er heling kunnen plaatsvinden. Levensbeschouwingen (of ze nu godsdienstig zijn of niet) zijn constructies, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke levensbeschouwing is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen. Iedereen zal van mening zijn dat hij zelf de beste, de meest juiste, de zuiverste opvatting heeft, maar daarmee is dat nog niet zo. Luther en de paus raakten in deze valkuil verstrikt in de 16e eeuw betreffende de definitie van het christendom, zij verketterden elkaar over en weer, en even later was het oorlog. Je kunt dus ook niemand het recht ontzeggen te claimen dat hij of zij deze of gene godsdienst aanhangt. Je kunt enkel ernaar streven om het gesprek daarover op een zinvolle manier te organiseren, zoals we binnen het christendom door schade en schande hebben geleerd. Voorwaarde is echter dat alle deelnemers aan het gesprek het uitgangspunt accepteren: God mag dan wel eeuwig zijn of absoluut, onze interpretatie van wie Hij (of Zij of..) is, staat principieel open voor discussie.

Naar vandaag toe. Degene die suggereert dat hij of zij met beroep op de ‘echte islam’ helderheid kan scheppen op het terrein van de vele opvattingen die over de islam de ronde doen, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah, imam, Ahmed of Charlie noemt.

Het lijkt me dan veel zinvoller om er voortaan op te letten als we over godsdiensten of levensbeschouwingen spreken, dat we een verduidelijking toevoegen, in de zin van:  volgens mijn interpretatie van het christendom…, of zoals wij hier te lande de islam beleven… etc. Dan benader je levensbeschouwingen niet als quasi onveranderlijke instituten, maar als menselijke fenomenen (die al dan niet geïnstitutionaliseerd zijn met het oog op bepaalde functies). De aanpak van de manier waarop godsdienstige overtuigingen hun plaats dan kunnen krijgen in de maatschappij, kan vervolgens gediversifieerd worden en het debat erover zal aan nuance winnen.

15 januari 2015, Dick Wursten