checklist sekten

Hoe herken ik sektarische groepen?

Protestanten -ik ben er niet trots op maar de geschiedenis heeft ook haar rechten- zijn de uitvinders van het ‘fundamentalisme’ (begin twintigste eeuw ontstaan als verzetsbeweging tegen de liberale protestantse theologie). Tegenwoordig staat het islam-fundamentalisme meer in de kijker. Men maakt zich zorgen. En terecht. Fundamentalisme schaadt de mens, vooreerst de fundamentalist zelf, maar dan ook (dus ook) zijn naaste omgeving. De gelovigen beleven dit zelf echter niet zo. En als ze het al – deep inside – toch voelen knagen, dan zullen ze dat met alle geweld ontkennen. Dat maakt de bestrijding ervan ook zo moeilijk: Echte communicatie lukt haast niet.

Het enige dat je kunt doen, zo leert de ervaring, is proberen jonge mensen vooraf weerbaar te maken zodat ze tegen de ‘bekoring’ bestand zijn als ze in fundamentalistisch vaarwater terecht komen.

Toen ik nog les gaf gebruikte ik voor deze mentale weerbaarheidstraining naast diverse films en ervaringsverhalen ook een checklist om het sektarisch gehalte van een religieuze groep te bepalen. Ik had die ooit gevonden in een Duitse publicatie: Eltern und Betroffenen  Initiative gegen psychische Abhängigkeit. Ze stamt uit de vorige eeuw, toen men bij sekten vooral aan christelijke en oosterse groepen dacht, maar lijkt me toch ook prima toepasbaar op allerlei islamitische sekten (m.n. in de beschrijving van de ‘ronselpraktijken’). En trouwens ook op ‘niet-religieuze’ groepen die mensen (klanten) paradijzen allerhande voorspiegelen. Als de groep in kwestie aan minimaal 10 criteria voldeed, dan was die club/vereniging/organisatie een ‘sektarische’ groep en werd het tijd om ‘op je tellen te passen’. Bij 15 treffers was het een sekte. Als je met zo’n groep verbonden was, gold: Wegwezen, rennen voor je leven. Maar waarschijnlijk was het dan al te laat en was je al ‘leeggezogen’ en in de groep opgegaan. Of die getallen kloppen, weet ik niet, maar de checklist zelf vind ik nog steeds goed. Ik zou zeggen: doe er uw voordeel mee.

Checklist

1. Reeds bij het eerste contact met de groep wordt u een volledig nieuw zicht op de wereld geopend (sleutelervaring).
2. Het wereldbeeld van de groep is verbluffend eenvoudig en verklaart werkelijk elk probleem.
3. Bij de groep vindt u alles ‘wat u totnogtoe vruchteloos gezocht hebt’.
4. De groep heeft een leider, – meester, – vader, – goeroe – voordenker, – die alleen de volle waarheid bezit en vaak als een semi-god vereerd wordt.
5. De wereld loopt naar een catastrofe: Alleen de groep weet, hoe men de wereld nog kan redden.
6. De groep is een elite (uitverkoren), de rest van de mensheid is ziek – of gaat verloren. Enkel wie meedoet kan gered worden.
7. De groep wijst de gevestigde wetenschap af. De leer van de groep wordt als ‘ware wetenschap’ aangenomen.
8 . De groep wijst het beroep op rationeel denken af als negatief, satanisch, onverlicht, ideologisch.
9. Kritiek en afwijzing door buitenstaanders is juist het bewijs dat de groep gelijk heeft.

10. De groep noemt zich de ‘ware familie’ of gemeenschap.
11 . De groep wil dat men alle ‘oude’ relaties (familie, werkmilieu, vriendschappen) afbreekt, omdat ze de ontwikkeling van haar leden in de weg staat.
12. De groep sluit zich af voor de rest van de wereld, bijvoorbeeld door kleding- en voedselvoorschriften, door een eigen ‘groepstaal’ en ordening (reglementering) van de intermenselijke relaties.
13. De groep eist een strikt naleven van de regels of een ‘absolute discipline’ (tucht), want dit is de enige weg tot redding.
14. De groep regelt de seksuele betrekkingen, bijvoorbeeld partnerkeuze door de leiding, of groepsseksualiteit, of totale onthouding of…
15. Men is geen ogenblik van de dag meer alleen – iemand uit de groep is altijd bij u (interne controle).
16. De groep vult al uw tijd met opgaven (taken), bijvoorbeeld: verkoop van boeken, werven van nieuwe leden, cursus volgen, meditatie.
17. Indien u twijfelt, of indien het beloofde succes niet komt, of je wordt niet ‘genezen’, dan ben je zelf de schuld daarvan, omdat je je niet genoeg hebt ingezet of geloofd.
18. Men moet dadelijk – liefst nog vandaag – lid worden van de groep. Er is nauwelijks tijd om rustig na te denken en zich een beeld van de groep te vormen.
19. Men moet niet eerst nadenken – bekijken – onderzoeken. Het gaat om het ‘beleven’. kom bij ons, in ons centrum, in onze club, in onze groep, en maak het zelf mee!

It’s religion, stupid !

In de weekendkrant (de MORGEN) van 29-30 juli was er weer veel aandacht voor religie. Mark Elchardus analyseerde de onverdraagzaamheid en het geweld in de samenleving vanuit historisch perspectief en kwam tot de conclusie: ‘It’s religion, stupid’. Als het ware om te bewijzen dat er weinig nieuws onder de zon is, was er in dezelfde krant aandacht voor de zoveelste kinderverkrachtende priester die de dans lijkt te ontspringen (het Vaticaan bougeert niet) en werd de benauwende atmosfeer binnen de beweging van de Jehovah’s getuigen geschetst aan de hand van enkele getuigenissen, seksueel misbruik incluis: ‘It’s religion, stupid’.

Is dat zo? Ik zal niet ontkennen dat religie hier een kwalijke rol speelt, maar stel voor om nuchter te blijven. Religie is namelijk ook maar een ‘bezigheid van mensen’. God verkracht niemand, want hij bestaat niet op die manier. Het zijn ook binnen religieuze gemeenschappen altijd mensen die kinderen misbruiken. De juiste vraag is dus: Welke rol speelt de verwijzing naar God binnen deze menselijke misdaden? Wat mij dan opvalt is dat misbruik binnen religieuze organisaties (kerk of secte) vooral daar voorkomt waar de groepsidentiteit heel belangrijk is en de leidinggevenden een aparte status hebben binnen de gemeenschap.

  1. Met groepsidentiteit bedoel ik het gevoel dat de gemeenschap waartoe je behoort iets bijzonders is, een meer dan menselijke club. Het is het ‘lichaam van Christus’ (zo de kerk) of de ‘Umma’ (islam) of de door God zelf uitverkorenen (dit heel sterk bij de Jehovah’s getuigen, maar ook in andere sectarische groepen. Soms verwoord als: wij zijn ‘het volk van God’ of de ‘bruid van Christus’). Je persoonlijke welbevinden is ondergeschikt aan het groepsgebeuren. Het argument dat je de groep geen ‘schade’ mag toebrengen wordt steevast gebruikt tegen slachtoffers of malcontenten die met hun verhaal naar buiten willen komen. Als binnen die groeps-identiteit het begrip ‘vergeving’ dan ook nog een grote rol speelt, gaat het helemaal mis. De oproep om de dader ‘te vergeven’ is vaak de genadeslag voor het verzet van het slachtoffer. Er wordt immers verwezen naar het voorbeeld van God/Jezus (onterecht, maar dit terzijde). Het niet-vergeven-kunnen wordt een zonde. Ja, psyschologisch afschuwelijk, maar religieus doodgewoon.
  2. De status van de leidinggevenden is ook een niet te onderschatten factor. Het zijn meer dan gewone mensen, dus mogen ze ook meer. Omdat die hoge status echter vermomd wordt als een uiterste vorm van dienstbaar zijn (aan God) is ze moeilijk te doorzien eens je ‘in de groep’ zit. Deze aparte status is in de rooms-katholieke leer zelfs fysiek verankerd in het celibatair priesterschap. Het lichaam van deze man is niet meer dat van een man, maar van een representant van God. Tsja. In de protestants-evangelische wereld is het leiderschap vaak een charisma, bijv. de gave van de ‘verkondiging’. Hij was toch zo’n goede jeugdleider, zo’n geweldige evangelist, zo’n gevoelige pastor, zo’n uitzonderlijke bijbelkenner etc. In Afrikaanse / Zuid-amerikaanse groepen is het vooral de ‘performance’ die het ‘m doet. Ook hierdoor ontstaat er een mate van onaantastbaarheid. De getuigenis van de Jehovah-getuigen in De MORGEN was op dit punt zeer duidelijk.

Het is dus niet religiositeit op zich waar het gevaar in schuilt, maar hoe men binnen een religieuze gemeenschap de link legt tussen menselijke gedrag en ‘god’ . Zit ‘god’ heel dicht aan tegen de groepsidentiteit en de rol van de leiders, dan moeten de alarmlichtjes gaan branden. Is er op dat punt veel ruimte, dan hoeft religie niet per se gevaarlijk te zijn. Dit verschilt nog al van religieuze groep tot groep en kan ook veranderen in de loop van de tijd. Men kan met verwijzing naar ‘god’ zowel bevrijdende als onderdrukkende verhalen vertellen, emanciperende zo goed als kleinerende. Ook hier geldt: het zijn mènsen die die verhalen doorvertellen en daarbij keuzes maken, selecteren. Dat betekent dat het dus ook altijd anders kan. Religie is en blijft een menselijk construct. Professor Elchardus zal de eerste zijn om dat te beamen, vermoed ik. Als socioloog weet hij als geen ander dat je middels een socio-psychologische analyse van groepsprocessen, identiteitsvorming, afhankelijkheidsverhoudingen, complottheorieën etc. veel kunt verhelderen van hoe het in religieuze gemeenschappen toegaat. Je kunt dan ook meteen vaststellen dat religieuze gemeenschappen hier niet zoveel verschillen van bijv. een sportverenigingen (denk aan de judoka’s en hun coach). Het voordeel dat een nuchtere benadering van religieuze fenomenen (nl. als groepsprocessen) oplevert, is dat je er ook wat aan kunt doen. Middels het onderwijs bijvoorbeeld. Daar krijg je ‘kennis en vaardigheden’ aangereikt, en die gaan een stuk verder dan rekenen en schrijven. De school werkt ook altijd persoonsvormend. Zo zou je op school bijvoorbeeld ook kunnen leren hoe complottheorieën werken, hoe je manipulatie herkent, hoe je je daartegen kunt verzetten, waarom de persoonlijke integriteit (niet in het minst die van je eigen lichaam) onschendbaar is etc. En ook, waarom onze samenleving de vrijheidsrechten van de mens (volwassenen èn kinderen) zo hoog in het vaandel geschreven heeft. Dit soort competenties in de vorm van ‘eindtermen’ gieten, lijkt me eigenlijk voor een levensbeschouwelijk chaotische samenleving als de onze, niet meer dan normaal. Zo worden kinderen en jongeren moreel weerbaar gemaakt, onafhankelijk van de levensbeschouwelijke keuze van de ouders en kunnen we tegelijk werken aan “leren samenleven in diversiteit”.

Dick Wursten

[Ook – in kortere vorm – verschenen in De MORGEN van 1-8-2017]