De geest van Napoleon… en de eredienstfinanciering

“het volk zal z’n godsdienst hebben, maar ik houd de touwtjes in handen”, zei Napoleon, en sloot een concordaat met Rome (1801). De huidige wetgever redeneert nog steeds zo en gebruikt de wet op de erkende erediensten als instrument om religie te ‘managen’. In de praktijk blijkt ze even onmachtig als Napoleon. Religion is an unruly thing. Het getouwtrek de laatste dagen tussen de twee bevoegde – maar machteloze – ministers Geens en Homans is dan ook een farce.

En erger: terwijl zij elkaar vliegen afvangen over wel/niet erkennen van sommige moskees maken identitairen (zij die van hun religie de kern van hun identiteit maken) van het recht op godsdienstvrijheid misbruik om hun speelruimte (in de samenleving) en invloedssfeer (in eigen middens) te vergroten, zodat de echte vrijheid van godsdienst voor veel mensen weer een stukje kleiner is geworden. De vraag die beide ministers niet stellen, maar die eigenlijk hoogdringend is, luidt: Is het maatschappelijk eigenlijk wel wenselijk om religieuze instituten financieel te ondersteunen bij hun uitbouw, zoals de Belgische wetgeving voorziet ? Ik meen dat daar heel wat haken en ogen aanzitten en dat het hoog tijd wordt om de geest van Napoleon uit te drijven.

De organisatie van de godsdienstige impuls en de instellingen van het land (kerk èn staat) moeten echt van elkaar losgemaakt worden. Het zal beiden (staat èn kerk) ten goede komen. De staat is van het gezeur af, en religie wordt eindelijk ècht een vrije keuze.

U neemt dat niet zomaar van mij aan? Gelijk hebt u. Hieronder wat achtergrond bij de huidige praktijk en enkele van haar wonderlijke neveneffecten en een korte oefening om zich voor te stellen wat er gebeurt als ‘kerk en staat’ elkaar echt vrij zouden laten.

De grondwet (eredienstfinanciering als alimentatie na een halfbakken scheiding van kerk en staat)

De financieringsplicht van de erkende erediensten (in het Frans: cultes) staat in de grondwet, zeker, maar de grondwet – met alle respect – is en blijft een historisch document. En het is niet noodzakelijk zo dat wat in 1831 een goed idee leek (namelijk de subsidiëring van de materiële en personele kosten van de rooms-katholieke eredienst), dat dat 186 jaar later nog steeds beantwoordt aan de maatschappelijke noden op het terrein van religie. Toen leek het – voortbouwend op het concordaat met Napoleon – een redelijke compensatie voor de annexatie van de kerkelijke goederen. In de Belgische grondwet (maar ook al in de grondwet onder Willem I, uitgewerkt in een algemeen reglement in 1816) is de rooms-katholieke kerk haar positie van bevoorrechte partner van de staat kwijt en moet ze dus de aandacht delen met andere kandidaten. Voortaan waren kerk (beter: de geïnstitutionaliseerde religie) en staat (beter: het burgerlijk bestuur) gescheiden. Zoals bij veel scheidingen was de alimentatieregeling – zo kun je de definitieve wet op de financiering van de erediensten eigenlijk best noemen – niet zonder slag of stoot tot stand gekomen en waren er later nog geregeld hevige conflicten – vooral de diverse ‘schoolstrijden’ hakten er diep in. Toch werd het scheidingscontract nooit wezenlijk aangepast. Dat vond men niet nodig. De overheid bleef instaan voor de financiering van de kerk, zowel qua personeelskosten als betreffende het onderhoud en de inrichting van de gebouwen

Echter: bij de opstelling van deze alimentatieregeling had men slechts één georganiseerde religie in beeld: de rooms-katholieke kerk. De wet is ook op haar maat gemaakt (de bestuurlijke uitwerking past precies bij een hiërarchisch georganiseerde priesterlijk-cultische religie). Nadien meldden zich ook andere godsdiensten en eisten ‘gelijke behandeling’ voor hun eredienst en verkregen die ook. Neutraal is neutraal. Het gevolg is dat de Belgische staat in zaken van religie promiscue is geworden. Was dit eerst tot grote ergernis van de belangrijkste ex (de rooms-katholieke kerk), gaandeweg legde iedereen zich erbij neer en settelde zich. Het gevolg is dat de overheid nu moet instaan voor de alimentatie van zeven erkende erediensten. De erkenning vereist slechts dat men volgens een aantal formele regels, die afgeleid zijn van de de rooms-katholieke kerkorganisatie en dus bijv. slecht passen voor de protestantse godsdienst en al helemaal niet voor de islam, is georganiseerd. Ook de georganiseerde vrijzinnigheid heeft in een laat stadium (1993) de overheid verleid – via een soort travestie-act waarbij ze zich verkleedde als ‘eredienst’ – om mee te kunnen eten uit de ruif. Het Boeddhisme, een aantal Hindoe-groeperingen en de Syrisch-orthodoxe kerk hebben een aanvraag ingediend. Waarom die nog niet erkend zijn, is niet echt duidelijk. De erkenningscriteria zijn ook bijzonder vaag. De rechtsongelijkheid die hierdoor is ontstaan, is eigenlijk niet acceptabel. Ze grenst aan willekeur.

Heeft u zich bijvoorbeeld wel eens afgevraagd waarom er eigenlijk vier varianten van het christendom erkend zijn als aparte godsdienst (rooms-katholiek, orthodox, anglicaans, protestants) en maar één islamitische? Het antwoord: een historische toevalligheid (z.b.). Anglicaans is bijvoorbeeld enkel erkend, omdat de eerste Belgische koning in Oostende graag zijn Engelse familie entertainde. Hier heerst de willekeur dus in zo sterke mate, dat rechters zich eigenlijk geen raad meer weten als ze uitspraken ten gronde moeten doen over zaken die met de vrijheid van godsdienst hebben te maken (hoofddoek, vergiet, ritueel slachten, exemptieclaims etc.).

Onderwijl blijft de overheid braaf de onderhoudskosten betalen, de alimentatie. Waarom? Zo is dat afgesproken, het staat in de wet. En blijkbaar denken veel politici dat ze zo ook stiekem controle kunnen houden over het doen en laten van al die levensbeschouwelijke organisaties. Dat is wel tegen de geest van het mensenrecht op vrijheid van godsdienst, maar past volkomen in de originele motivatie van het concordaat van Napoleon: het volk mag z’n godsdienst hebben, maar wij (de staat) houden de controle. Nochtans lijkt me die redeneerwijze naïef. Denkt minister Geens nu echt dat hij door ‘brave moslims’ te helpen de invloed van ‘stoute moslims’ kan terugdringen? Puur Wishful thinking: Religieuze groepen doen en zeggen toch wat ze willen, met of zonder subsidie. Wat bij dit alles de minister (maar hij is de enige niet) over het hoofd ziet, is dat door het simpele feit dàt je religieuze instituten de kans geeft om zich uit te bouwen (dat is het effect en doel van de subsidie), je het behoren bij een religieuze groep als identiteitskenmerk versterkt. Dit heeft twee perverse neveneffecten:

  1. De religieuze identifyer verdeelt mensen in groepen, en installeert het wij-zij denken. Religie kan op persoonlijk vlak veel goed doen, maar sociaal bezien is het één van de meest scheidende, verdeeldheid zaaiende, principes, die wij kennen. Het zich identificeren als ‘moslim’, ‘christen’, ‘atheïst’ etc. Hoe nefast dit kan zijn voor een hyperdiverse samenleving leert ons… de geschiedenis. Onze eigen Europese, maar ook bijv. de Pakistaanse-Indische. 
  2. De feitelijke vrijheid van godsdienst neemt af, want de meeste religieuze instituten willen mensen aan zich te binden, al dan niet expliciet. Binnen een religieus instituut is er minder godsdienstvrijheid dan daarbuiten. Hoeveel vrij-denkende priesters zijn uit de kerk gezet.  Liberale moslims krijgen reële doodsbedreigingen.

Mensen die dus vrij willen denken en geloven, krijgen geen subsidie, mogen de door de overheid gesponsorde gebouwen niet gebruiken, hebben geen personeel ter ondersteuning… Op zich prima, maar dit is wel geïnstalleerde ongelijkheid. Idem voor groepen die niet aan de erkenningscriteria willen voldoen omdat die niet neutraal zijn. Kortom: Wie zal dus sterker worden? De officiële religie, die per definitie traditioneel is (dus ‘patriarchaal angehaucht‘, zeker als men zich beroept op oude teksten) en die mensen aan zich bindt via een systeem van ‘jij hoort wel bij ons’ en ‘jij niet’ (wij-zij denken). Hierdoor wordt veel wat on- of zelfs anti-modern (bijv. discriminatie van vrouwen, slaan van kinderen, besnijdenis, onverdoofd slachten) met overheidssteun in stand gehouden en versterkt.

Het effect van deze vorm van eredienstfinanciering is dat de invloed en macht van de religieuze systemen op individuele mensen wordt versterkt, m.a.w.: precies het tegenovergestelde van de intentie van de founding fathers van freedom of expression (and religion).

Ik vind het dan ook niet verwonderlijk dat sommigen vinden dat het tijd is voor een update van het systeem van de eredienstfinanciering. Die was gemotiveerd door staatsraison. Toen misschien verdedigbaar, nu ‘on-redelijk’ en contraproductief. De geest van Napoleon – “Het volk moet een religie hebben, en deze moet zijn in de handen der regering” – waart dus nog tezeer in het politieke halfrond. De wet op de erediensten staat de echte vrijheid van godsdienst (een mensen-recht, geen instituten-recht) eerder in de weg, dan dat ze die bevordert. En het is de samenleving die het gelag betaalt.

Hoe kan zo’n update er dan uitzien ?

Het heeft weinig zin om – zoals mw. Rutten (Open VLD) deed in april 2017, niet voor het eerst, noch voor het laatst – te pleiten voor een scheiding van kerk en staat in die zin dat mensen hun religieuze overtuigingen ‘thuis’ zouden moeten laten. Dat is een dom pleidooi en naast de kwestie. De scheiding van kerk en staat gaat over bestuurlijke bevoegdheid: De staat bestuurt het leven van de burgers zoals zij vindt dat zij dat doen moet (daarop bestaan verschillende visies) en de kerk organiseert zich zoals zij vindt dat ze dat doen moet (dat is de vrijheid van meningsuiting en van vereniging). Mensen hoeven hun religieuze overtuigingen niet thuis te laten als ze de voordeur uitgaan. Neen: burgers kunnen vanuit hun geloof aan politiek doen. Dat is niet meer of minder nobel dan vanuit een partijprogramma links of rechts. Prima. Laat iedereen het maar proberen om zijn visioenen en visies in de publieke ruimte binnen te brengen en met algemeen begrijpelijke argumenten anderen te overtuigen om daarin mee te gaan. Dat is burgerschap en burgerzin. Geen subsidie voor groep x of y, want dat is debat-vervalsing. De staat zal een kerk (zelforganisatie van een groep burgers) vervolgens ook enkel aanpakken als ze de wet overtreedt, net zoals ze bij elke andere vereniging doet. No problem, but that’s it, and that’s all. Voor zulke verenigingen hoeven ook geen andere subsidiekanalen te zijn dan die waarlangs ook andere verenigingen soms aan overheidsgeld kunnen geraken (sociaal/cultureel/educatief nut). Vanuit de huidige realiteit (waarin veel christelijke instituties nog verknoopt zijn met algemeen maatschappelijk werk) moet er dus transparantie komen met betrekking tot de dingen die vanuit de religieuze instellingen gedaan worden op het terrein van het algemeen nut, want dat blijft dus een zaak van publiek belang. De christelijke zuil heeft immers eeuwenlang een deel van de zaken gedaan die de staat nu als haar taak ziet, bijv. ziekenverpleging, onderwijs. Op dit punt zullen er dus duidelijke afspraken moeten gemaakt worden tussen enerzijds de georganiseerde religieuze instituten en para-religieuze instellingen (scholen en ziekenhuizen) en anderzijds de diverse burgerlijke overheden. Daarbij zal de burgerlijke overheid natuurlijk nog steeds geld spenderen aan allerlei zaken die ook met religie te maken, maar ze zal ze niet financieren inclusief het religieuze aspect (zoals nu het geval is), maar enkel omdat er handelingen van algemeen nut plaatsvinden (verpleging van zieken, sociale opvang, onderwijs). Dat ze de bouw en het onderhoud van religieuze gebouwen en religieus personeel niet betaalt, lijkt me een evidentie. En voor u denkt, dat heb je weer zo’n religie-basher: ik ben inspecteur godsdienstonderwijs, en stel mijn eigen beroep hiermee ook ter discussie. Alles kan beter, en in elk geval helderder.

Een neutrale overheid oordeelt nooit over intenties, maar wel over concrete handelingen. Die laatste financiert ze omwille van zichzelf, niet omwille van de intentie waarmee ze wordt uitgevoerd. Of iemand zieken verpleegt omdat God dat vraagt of omdat men geld wil verdienen, is hier niet van belang. Als het maar gebeurt volgens de regels der kunst.

Een groot aantal kerkgebouwen is monument, of stedebouwkundig een cruciaal onderdeel van landschap/buurt, en gezondheidszorg en onderwijs hoort tot de kerntaken van de overheid. Dus zal ze ook hospitalen en scholen uit de ‘katholieke (of andere) zuil’ blijven subsidiëren, maar niet ‘zonder meer’ en ook niet all-in. Het onderhoud van bepaalde kerkgebouwen zal dan via monumentenzorg en stedebouwkundig erfgoedbeheer verlopen. Maar nieuwe kerken bouwen, of moskeeën: prima, maar dat moet de religieuze gemeenschap dan wel zal betalen. Idem voor bestaande niet als monument of landschap erkende christelijke kerken. Religieuze componenten moeten religieuze gemeenschappen zelf organiseren en financieren. Het spijt me. Scheiden doet lijden. Het zal ook niet simpel zijn, maar een alimentatieregeling die nog geheel de geest ademt van ‘Napoleon’ verdient na 186 jaar inderdaad wel eens een update, sterker nog: het is tijd dat er een nieuwe geest gaat waaien.

Dick Wursten

Behandel godsdienstige organisaties als gewone verenigingen

Het intrekken van de erkenning van de moskee in Beringen onthult op pijnlijke wijze de machteloosheid van de diverse overheden om iets te doen aan hate speech in een religieuze context, schrijft protestants predikant Dick Wursten: ‘Religieuze verenigingen moeten zich verantwoorden op het publieke forum.’

Minister Homans trekt erkenning moskee Beringen in. Het klinkt indrukwekkend, maar het is eigenlijk een loos gebaar. De erkenning waarvan sprake is namelijk geen inhoudelijke erkenning, laat staan een goedkeuring van wat er in die moskee verkondigd wordt. Het is een administratieve erkenning, die verleend wordt op grond van formele regels, en waaraan de subsidiëring van een ‘bedienaar’ een een ‘betoelaging’ van het materiële onderhoud is gekoppeld. Volgens onze grondwet mag de overheid zich immers helemaal niet bemoeien met de inhoud van wat er in een religieuze setting wordt verkondigd.

De voorwaarden voor erkenning van een moskee (of parochie, kerkgemeenschap, synagoge…) beperken zich dan ook tot de vraag of ze (1) aangesloten is bij een erkende eredienst en (2) dat de wijze van beheer (betreffende de materiële zaken, niet de inhoud) volgens de daartoe opgestelde wetgeving gebeurt. De meeste Vlamingen kennen deze bestuursvorm in de rooms-katholieke variant als de ‘kerkfabriek’. De erkenning van een lokale geloofsgemeenschap van welke erkende eredienst raakt dus niet aan inhoudelijke punten, laat staan aan wat er in de moskee/kerk/synagoge verkondigd wordt. [toevoeging: sinds een tiental jaren moeten nieuwe lokale geloofsgemeenschappen ook expliciet verklaren dat ze zich aan de grondwet zullen houden en zich engageren voor de maatschappij, zie hieronder voor de erkenningsvoorwaarden]. 

Binnen een gebedshuis op Vlaams grondgebied mag je de wereld dus gerust opdelen in wij en zij, gelovigen en ongelovigen. Sterker nog, een dergelijke opdeling is vaak essentieel bij de zelfdefinitie van religieuze instituten. Je mag ook oproepen tot verzet tegen een bepaalde politiek dichtbij of veraf (‘profetisch protest’ heet dat dan). Dat kan net zo goed gericht zijn tegen euthanasie of apartheid als tegen communisten of gülenisten. Dit is op zich ook niet strafbaar. Ook buiten de kerk/moskee/synagoge mag dat.

Er is echter één verschil. Daarbuiten is het gewoon een ‘mening’ en dan kun je ervan op aan dat er ook tegenspraak zal zijn. Dankzij de vrijheid van godsdienst echter kun je proberen je eigen religieuze instelling zo te organiseren dat tegenspraak als ‘ketterij’ wordt weggezet. De moderne variant van dat fenomeen herkent u aan formuleringen die beginnen met ‘Een échte christen is…’, of ‘Een échte moslim doet… ‘.

Het gevolg is dat het wij-zijdenken geïnstitutionaliseerd wordt in de organisatie zelf en dat er ook intern reële discriminatie, bijvoorbeeld van vrouwen of homo’s, en excommunicatie van anders- of ongelovigen plaatsvindt. Daar kan de overheid niets aan doen, tenzij de strafwet overtreden wordt. Er kan dus pas opgetreden worden na de feiten. De vrijheid van godsdienst garandeert immers het recht van religieuze organisaties om zich langs zulke scheidslijnen te organiseren.

Als minister Homans zulke fenomenen wil bestrijden, heeft ze dus eigenlijk geen middelen ter beschikking. Dat ze dan uit pure frustratie de erkenning van een moskee intrekt, daar kan ik wel begrip voor opbrengen, maar meer dan een symbolische actie is het niet en het zet ook weinig zoden aan de dijk.

Wat dan te doen? Mijns inziens is er maar één oplossing en dat is religieuze organisaties op dezelfde wijze behandelen als elke andere culturele of sociale vereniging. Dan kan er transparantie geëist worden over de doelstellingen die de vereniging heeft, de manier waarop ze naar de samenleving kijkt enzovoort.

Dan kun je ook de dingen bij naam noemen. Diyanet is gewoon een Turkse vereniging met sociaal, cultureel en religieus doel. De rooms-katholieke kerk is een centraal aangestuurd religieus instituut met hoofdzetel in het Vaticaan en talrijke vestigingsplaatsen wereldwijd. De protestantse kerk van België is een nationaal samenwerkingsverband van locale geloofsgemeenschappen. Men mag meningen verkondigen à volonté en samenkomen zo vaak men wil (vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering), maar men is dan wel onderworpen aan dezelfde criteria die wij als samenleving stellen aan alle verenigingen die op ons grondgebied actief zijn.

Dan kan men niet langer vrouwen discrimineren en een beroep doen op de vrijheid van godsdienst om dat goed te praten. Ook komt men dan niet meer weg met: ‘Zo zien wij dat nu eenmaal binnen ons geloof en daar mag de overheid zich niet mee moeien’. Ook religieuze verenigingen zullen zich op het publieke forum moeten verantwoorden en accepteren dat hier waarden op het spel staan die niet onderhandelbaar zijn, niet omdat de overheid ideologische dwang wil uitoefenen, maar omdat wij met z’n allen als westerse samenleving nu eenmaal menen dat met deze waarden het samenleven zelf op het spel staat.

Zou dat de godsdienstvrijheid schaden? Ik denk het niet. Godsdienstvrijheid is geen claimrecht van een organisatie, maar een mensenrecht. Dat wil zeggen dat de vrijheid op godsdienst enkel garandeert dat ieder mens vrij is om wel of niet aan enige vorm van godsdienst te doen. De overheid heeft daarin geen taak. Die heeft werk genoeg om ‘haar ding’ te doen: het samenleven in goede banen leiden.

Dick Wursten

[ook verschenen op de (s)preekstoel van Knack]


De punten die een aanvraagdossier van een plaatselijke geloofsgemeenschap moet omvatten zijn:

  • de gebiedsomschrijving van de plaatselijke geloofsgemeenschap;
  • een financieel plan voor de eerstvolgende drie kalenderjaren met de opgave van de verwachte ontvangsten en uitgaven alsook de eventuele planning van de investeringen;
  • de inventaris van de plaatselijke geloofsgemeenschap;
  • de melding of er een door FOD Justitie bezoldigde bedienaar van de eredienst zal worden aangevraagd;
  • de schriftelijke verklaringen betreffende het taalgebruik in bestuurszaken, de inburgeringsplicht van de bedienaar, het weren van en geen medewerking verlenen aan individuen die handelen in strijd met de Grondwet en de rechten van de mens;
  • een toelichtende nota waaruit de maatschappelijke relevantie van de plaatselijke geloofsgemeenschap blijkt.