Hoe wel en hoe niet werken aan deradicalisering… (David Kenning)

Counterterrorism-expert David Kenning pakt een vel papier en tekent met pijltjes vier manieren om de invloed van vijanden tegen te gaan:

  • Eerste manier: directe confrontatie – jij hebt het fout, ik heb het goed. „Dat was de Amerikaanse methode in de tijd dat ik Jim Glassman ontmoette. Ze hadden een filmpje waarin je allemaal terroristische explosies zag, eindigend met de vraag: ‘Is dit wat je wilt?’ Het aantal nieuwe terroristen schóót omhoog.”
  • Tweede manier: afleiding – je moet mij niet aanvallen, maar hem. „Heel effectief gedaan in de ‘Sunni Awakening’ in 2007, toen de internationale coalitie erin slaagde soennitische stamhoofden in Irak te overtuigen dat Al Qaeda een gevaarlijker vijand was.”
  • Derde manier: verschuiving – uitdragen dat je niet alleen een goede moslim kunt zijn in de strijd, maar ook door hulp te bieden.
  • De vierde manier, „mijn manier”, zegt Kenning: „Dissolution, oplossing, ontbinding. Daarmee ondermijn je emoties die extreme overtuigingen en handelingen aanwakkeren.”

Mijn selectie uit dit interview vindt u hier. Alvast enkele – controversiële – opvattingen:

De oorzaak van extremistisch geweld is niet van belang voor de bestrijding ervan. Mensen krijgen een identiteit mee van ouders, vrienden, gemeenschap. En soms zit die identiteit niet lekker en gaan mensen opzoek naar een nieuwe. De propaganda van IS is toegesneden op dit dilemma. Hoor je nergens bij? Dan mag je bij ons horen. „In deze wereldwijde band of brothers krijgt de zelfmoordaanslagpleger een nieuwe identiteit.”

Hij hamert er bij zijn opdrachtgevers op dat ze geen invloed kunnen uitoefenen op de factoren die leiden tot extremisme. „We kunnen hem zijn vriendinnetje niet teruggeven, de pijn niet wegnemen van zijn vader die hem sloeg, zijn baas niet dwingen moslims aardig te vinden. We kunnen de spanningen die worden veroorzaakt door het westers buitenlands beleid niet wegnemen.

Het is zinloos om zijn religieuze overtuigingen tegen te spreken – dat neemt hij toch niet van ons aan. Tegen de tijd dat de overheid deze jongeman tegenkomt, hebben deze factoren hun werk al gedaan. Wij kunnen dus alleen nog maar wat met zijn geest. Die kunnen we weerbaar maken, open voor twijfel en voor andere ideeën.”

Het gekke van identiteit, zegt Kenning, is dat het bijna belangrijker is hoe de ander je aanspreekt dan hoe je naar jezelf kijkt. Hij zelf is opgegroeid in Noord-Ierland en dateert van vóór de gewelddadigheden losbarstten: „Wij voelden ons geen protestanten, maar de anderen gingen ons als protestanten zien.” Dit is volgens hem het voornaamste doel van Al Qaeda’s aanslagen van 11 september: verdelen, polariseren, radicaliseren.

De tegenhanger van ‘David Kenning’ is ‘Abu Ont-Kenning’…

Meer op deze pagina of het hele interview op nrc.nl (als het niet achter de betaalmuur zit)

Global Gender Gap & Religion

Mannen zouden overal hetzelfde zijn, lees ik. Dat zal wel, maar ze gedragen zich wel anders. En ook de verhoudingen tussen de sexen is wereldwijd nogal verschillend geregeld, om over de toegang tot de macht (over het eigen lichaam, de eigen ontwikkeling, de economie en de maatschappij) nog maar te zwijgen. Een blik op onderstaande kaart spreekt boekdelen. NB: grijs = No data.

Global Gender Gap Report 2016

Een aardig experiment is om deze kaart eens te leggen op de religieuze wereldkaart (welke religie is dominant in welk land).

Zou een samenleving, met haar geschiedenis, omgangsvormen, zeden en gebruiken, hierin ook niet mede mede gevormd en aangestuurd worden door de dominante ‘levens-beschouwing’? Religies of heilige boeken verbieden heeft weinig zin, maar wat minder naïviteit zou al een grote sprong voorwaarts zijn.

 

 

Het hoofddoekverbod op school

Wat zit er achter het hoofddoekenverbod (GO!, 2009)?

Een al wat ouder stuk, geschreven toen het hoofddoekverbod in voege trad in het GO! (1 september 2009). Strekking: Een minderheidsvisie (de strikte islam) die halfslachtigheid niet accepteert oefent sociale druk uit op de grote meerderheid die ‘eigenlijk geen mening heeft’, of die het ‘om het even is’. Het verbod op de hoofddoek beoogde laatstgenoemde groep te beschermen tegen die sociale religieuze druk (peer-group).  


Als voormalig leerkracht van zowel het atheneum Antwerpen als Hoboken, ben ik actief betrokken geweest bij de actief pluralistische aanpak op die school. Dat nu juist daar – ook – het hoofddoekenverbod werd ingevoerd, is veelzeggend in menigerlei opzicht.

Wie twee jaar geleden op de speelplaats van het koninklijk atheneum rondliep werd zonder meer getroffen door de gezellige drukte die daar heerste. Je zag wel veel meisjes met hoofddoeken, maar dat went snel en al met al was het toch nog een bont gezelschap. Veel vriendschappen trokken zich ook niets aan van herkomst en levensbeschouwing. Je zag zoals overal slierten meisjes van verschillende komaf gearmd over de speelplaats trekken. Wat echter ook opviel, was dat er een kleine groep meisjes was die tamelijk uniform gekleed waren en die wel altijd enkel bij elkaar te vinden waren. Zij hadden ook eigenlijk geen hoofddoek om (op) het hoofd, maar waren gekleed in een gewaad waarin de hoofdbedekking was geïntegreerd. Ter hoogte van de oren werd het bovenste gedeelte vaak nog met plooien en spelden gecompleteerd zodat er toch zeker niets van het oor, of een lok van het haar zou komen piepen.

Het was maar een subgroep, een minderheid, maar het was er wel een die zich roerde. Bij de dialogen die we met de leerkrachten levensbeschouwing opzetten, deden deze dames hun mond open. Prachtig, mondige meiden onder die hoofddoek. Maar wat ze zeiden was minder prachtig: meningen werden verkondigd als absolute waarheden: onbetwijfelbaar geloof. Er werd niet eens geargumenteeerd, er werd enkel geponeerd. Wie het niet aannam werd afgewezen, ja niet enkel zijn mening, neen ook als mens werd hij/zij afgewezen. Je zag het, je voelde het. En zoals altijd: de andere zeiden niets, of niet veel, de jongens vonden het prachtig en deden er vaak nog een brutaal schepje bovenop (“homo’s? die moet je afknallen”). Niet echt bevorderlijk voor de dialoog en het pedagogisch project van de school. Maar je probeerde het bij te sturen, en als zij zich roerden, waren er toch ook altijd nog wel die zich verweerden of die het opnamen voor de geviseerden, maar leuk was het niet.

Ook niet, toen voor het schooljaar 2008-2009 werd beslist dat enkel een losse hoofddoek mocht worden gedragen. Waarschijnlijk uit dezelfde hoek kreeg de leerkracht Islam anonieme oekazes in zijn postvak met fatwa’s van het internet omtrent hoever de bedekking volgens de ware leer minstens moest gaan. En in de loop van het jaar bleek steeds vaker dat meisjes die aan het begin van het schooljaar nog losjes met deze zaken omgingen strakker werden. Desgevraagd, vernam ik via-via twee soorten verhalen. Bij sommigen was het een bewuste keuze, ik zal maar zeggen: een omarming van een fundamentelere vorm van Islam onder invloed van ‘evangelisatie’ (vergeef me de term) van klasgenoten en daarbuiten; bij anderen was het een bezwijken onder de druk om van het gezeur af te zijn en gewoon mee te mogen doen. Zo was het vorig schooljaar in Antwerpen en Hoboken. Zover was het gekomen omdat deze twee scholen, beide van het GO!, beide gelegen in kansarme buurten van de stad, geweigerd hadden om van de hoofddoek een punt te maken. Zij hadden de deuren gewoon opengelaten. Voor iedereen, zo zoals die is. Enkel omdat bijna alle andere scholen er – in stilte – wel een punt van hadden gemaakt, waren de moslima’s die er ook een punt van maakten (maar dan inde ander zin) vanzelf op een van deze scholen terecht gekomen. Het was een concentratieschool geworden.

Wat moet je doen als je school een concentratieschool is gworden en alle extra middelen om kansarmoede weg te werken (GOK-uren, OKAN-klassen, bijlessen) deze tendens niet hebben geneutraliseerd, waardoor tijdens interlevensbeschouwelijke dialogen en ontmoetingen de strenge islam al snel het gesprek domineert ? De directie heeft voor een radicale aanpak gekozen: een noodmaatregel, een verbod. Afin, hoe het is verlopen hoef ik hier niet beschrijven; het is voldoende in de media geweest. Het optreden van imam Nordin Taouil (wie vertegenwoordigt hij eigenlijk? Waarom kreeg hij zoveel spreekruimte?) was onvergeeflijk. Zijn negatieve houding, reeds voor de zomer, heeft wat een locale uitzonderinsmaatregel was doen escaleren in een nefaste ideologische discussie.

En wat vind ik nu, zo vraagt men mij als inspecteur protestants-evangelische godsdienst van het totaalverbod van de raad van het GO! ?

Welnu, ik vind het een goede zaak dat men de verantwoordelijkheid voor de ontstane spanningen uit de handen van de directies heeft genomen. Het was hun boven het hoofd gegroeid. Zij wilden enkel van de vicieuze cirkel van een concentratieschool af. Voor hen was het vooral een pragmatische maatregel. De reactie erop heeft er een ideologische discussie van gemaakt. Jammer. Het ligt allemaal zo gevoelig en ‘de hoofddoek’ bestaat niet. Het is zo’n ingewikkeld ding en het kan tegenovergestelde betekenissen hebben, afhankelijk van de context. Een en hetzelfde hoofddoekje kan een vrouw onderdrukken en bevriijden. Oprechte getuigenissen van beide bestaan. Voor de overgrote meerderheid van de islamitische meisjes is het echter ‘gewoon een kledingstuk’ dat je – natuurlijk – aandoet, want anders ben je niet netjes gekleed. Deze groep is de vergeten groep en misschien ook wel het grootste slachtoffer. Zij moeten nu plots een keuze maken op voorwaarden die de hunne helemaal niet zijn. Zij willen gewoon leven, naar school gaan en met de vriendinnnen kletsen. De groep die het meeste baat heeft bij de escalering is helaas de fanatieke groep, de zwart-wit denkers. Zij triomferen omdat nu iedereen zich moet uitspreken, een keuze moet maken, voor of tegen. Een ijverige (fanatieke) minderheid kan het gedrag van een passieve meerderheid blijkbaar aansturen een maakt van de hoofddoek het symbool van de ‘echte moslim’. De intentie van het GO! was anders. Hoe paradoxaal het ook moge klinken : de bedoeling van het hoofddoekverbod was niet om de dialoog te beëindigen, maar om die te vrijwaren van monopolisering. Voorwaarde voor dialoog is echter dat er meerdere meningen zijn èn mogen zijn, opdat de nuance tenminste nog een kans krijgt. Daarvoor moeten namelijk alle stemmen aan bod komen. Ik vrees dat vooral de weifelende en zoekende stem en de stem van hem/haar die het ‘allemaal worst zal wezen’ in het gelijkhebberijgeweld gesmoord zal worden.

Dr. Dick Wursten (Inspecteur protestants-evangelische godsdienst).

Wie bepaalt eigenlijk wie zich moslim mag noemen en wie niet ?

Oppassen met die religieuze marker!

Die terrorist in Nice, was dat nou een moslim of niet? Ja, zegt de Franse regering, maar de politie twijfelt. Zijn vrije seksuele moraal, zijn levensstijl… En de jongens die bij Rouen een priester keelden? De moslimgemeenschap weigerde ze een islamitische begrafenis te geven. Nochtans beriepen zij zich nadrukkelijk op Allah. Wie bepaalt eigenlijk wie zich moslim mag noemen?

[verschenen in het NRC, 15 augustus 2016]

Vragen we theologen om raad, dan hoor je over de vijf zuilen, Koran en Hadith. Maar daar verwijst IS ook naar, alleen komt er dan een ander verhaal uit. Binnen de islam zijn er ontelbare scholen en allemaal presenteren ze hun eigen construct als de ‘ware’ islam. Onderwijl kunnen sunnieten, shi’ieten en salafisten elkaars bloed wel drinken.

Kan, in plaats van de geleerde, de geleefde religie ons helpen? Nou, ook niet echt. Dat blijkt een amalgaam te zijn van gewoontes, tradities, rituelen en opvattingen die per tijd en plaats verschillen. Ze lijken ook meer met afkomst en cultuur te maken te hebben dan met godsdienst in engere zin. De religieuze kleur van veel feesten, eetgewoonten en rolpatronen komt pas aan het licht als ‘gelovigen’ migreren naar een andere cultuur. Plots schuurt het. ‘Niet wijken’ kan dan de reflex zijn, vasthouden! Bij verhuizing van godsdienst X naar cultuur Y bestaat dus het risico dat zo goed als alle do’s and don’ts van cultuur X religieuze voorschriften worden in cultuur Y.

Terug naar de terrorist: als er al sprake is van een religieuze drijfveer, dan kun je die niet zomaar losweken van andere beweegredenen. Religie is een identiteitslaag die doorgaans pas zichtbaar wordt als je ernaar vraagt. De meesten krijgen hun levensbeschouwing van huis uit mee. In de loop van het leven, mede bepaald door het verloop ervan, neem je dingen mee, voeg je iets toe, of laat je wat vallen. De geloofsleer blijft bij dit alles vaak impliciet. Waarom draag je die kleren, waarom vast je? Gewoon, altijd al zo gedaan, ik voel me er goed bij. Vraagt iemand toch door, dan verschuilt een doorsnee gelovige zich graag achter een dominee, imam of een andere expert. Die zal het wel weten. We zijn niet gewend dat we verantwoording moeten afleggen. Dat is niet zo vreemd.

Een overheid die meegaat in het discours dat de religieuze identiteit de kern is van je persoonlijkheid, werkt geestelijke gettovorming in de hand en speelt extremisten in de kaart.

Tot voor vijftig jaar leefden ook wij monocultureel en monoreligieus. De ander was ver weg, en inpasbaar. Nu is het anders. Voortdurend wordt er gevraagd of iemand katholiek, protestant, moslim, ietsist of niets is. Je stamelt wat, er komt nog een halve zin catechismus uit, maar die woorden dekken je levensbeschouwing niet meer. Geloofstaal zet je op het verkeerde been. ‘Ja, ik geloof in een Schepper. Nee, niet letterlijk natuurlijk. En Jezus, goeie kerel, maar zoon van God? Ach, laat maar.’ Om van het gezeur af te zijn laten we ons religieus ophokken: oké, ik ben protestant of katholiek, terwijl de werkelijkheid genuanceerd en complex is, tegenstrijdig zelfs. Zou dat bij moslims anders zijn?

De religieuze drijfveer is verweven met de rest van de persoon en niet zo helder omlijnd als religieuze instituties het voorstellen. Daarom is het ook zo lastig om de religieuze component te bepalen bij terreur. Ja, het islamitisch discours is present: de westerse wereld als vijand – boko haram. Maar dat discours ontleent zijn kracht daar niet aan. Het ent zich op frustratie, agressie, een persoonlijkheidsstoornis of een combinatie ervan.

Eerst zijn er de menselijke driften, vervolgens worden die gekaapt door het religieuze discours en worden ze drijfveren voor terreur.

Voordat we ‘de religie’ betrekken bij terreurbestrijding, geven we ons van deze complexe stand van zaken beter rekenschap. Simpele remedies zijn naast de kwestie bij zo’n ingewikkelde kwaal. Denken dat de promotie van de ‘juiste islam’ veel effect zal hebben, is bijzonder naïef. Toch denken veel overheden in deze zin. Investeer in imams en welzijnswerk, klinkt het alom. Los van de paternalistische ondertoon, wringt dit met de grondwettelijke scheiding van kerk en staat. En: wie gaat de lesboekjes schrijven? Diyanet of Gülen? Om maar iets te noemen. Erger nog: deze verhevigde aandacht voor religie kan averechts uitpakken. Het onderliggende signaal is immers dat je tegen alle ‘cultuurmoslims’ zegt: cultiveer je religie, beken kleur, neem godsdienst serieus.

Wat we over het hoofd zien, is dat vooral de fundamentalisten hierbij gebaat zijn. Zij zullen de aandacht van de overheid voor religie instrumentaliseren. Hun verhaal is bovendien veel strakker en zal zoekers aanspreken. Die weken ze met hun discours vervolgens gemakkelijk los uit de omringende cultuur. De samenleving is in hun strategie eerst godloos, dan goddeloos en uiteindelijk godvijandig. Scheid je daarvan af, betogen ze. Verhoud je enkel nog met echte broeders en zusters. En we zijn vertrokken.

Tijd dus voor een religieuze downplay. Een overheid die meegaat in het discours dat de religieuze identiteit de kern is van je persoonlijkheid, werkt geestelijke gettovorming in de hand en speelt extremisten in de kaart.

 

Wat is religie, wat is cultuur ?

Oppassen met die religieuze marker !

De STANDAARD (B)  / TROUW (NL)
AUGUSTUS 2016  |  Dick Wursten

Als het over botsende culturen gaat, moet je erg voorzichtig zijn om daar religie bij te betrekken, waarschuwt Dick Wursten. Want door migranten als ‘moslims’ aan te spreken, stuur je de constructie van hun nieuwe identiteit in een religieuze richting. Het is hoog tijd voor een algemene zindelijkheidstraining als het gaat over het gebruik van religieuze termen in het maatschappelijk debat.   

Religieuze markers zijn niet ongevaarlijk. Ze roepen veel emotie op en zaaien tweedracht. De geschiedenis toont dat aan. Het te pas en vooral te onpas gebruiken van religieuze markers speelt in de kaart van extremisten. Eens in voege kunnen ze heel gemakkelijk ‘gekaapt’ worden voor negatieve doeleinden. Denk bijvoorbeeld aan die grap uit Belfast, Noord-Ierland. De strijd tussen de ‘protestanten’ en ‘katholieken’ is nog volop aan de gang: bomaanslagen, Bloody Sunday… Een man wordt tegengehouden aan een wegversperring. ‘Protestant of katholiek?’ vraagt een nerveuze soldaat. ‘Ik ben atheïst’, antwoordt de man. ‘Een protestantse atheïst of een katholieke?’ buldert de soldaat.

Religiecriticus Christopher Hitchens vertelt deze anekdote in zijn boek God is not great. De bloedige oorlog in Noord-Ierland is voor hem een van de voorbeelden van de nefaste invloed die godsdienst heeft op het samenleven van mensen. De anekdote is pijnlijk en hilarisch tegelijk, zoals het humor betaamt. Ze brengt echter ook een nuance aan in het betoog van Hitchens omdat de pointe duidelijk maakt dat de religieuze marker (‘protestant of katholiek’) juist niet verwijst naar een religieuze praktijk of een diepdoorleefd geloof als bron van handelen. De religieuze term dient immers simpelweg om ‘de onzen’ van ‘de hunnen’ te onderscheiden. In Noord-Ierland kon je prima atheïst en marxist zijn (zoals veel IRA-leden trouwens waren) en toch te boek staan als een militante katholiek. Ook kon men met oranje vlaggen marcheren door katholieke straten (ja, zelfs straten kunnen een levensbeschouwelijke kleur krijgen) zonder ooit een bijbel te hebben aangeraakt, wat toch wel het absolute minimum is om ‘protestant’ in religieuze zin genoemd te kunnen worden. De religieuze marker diende in Noord-Ierland vooral om het kamp aan te duiden waar je bij hoorde. Het was een groepsetiket, een nom de guerre.

Protestantse of katholieke moslim?

Ik kwam de anekdote onlangs opnieuw tegen in een boek van de Franse socioloog en islamkenner Olivier Roy over de ingewikkelde relatie tussen religie en cultuur. Hij gebruikt het Noord-Ierse voorbeeld om duidelijk te maken hoe ongrijpbaar een religieuze marker eigenlijk is. In zijn versie is de atheïst trouwens een moslim geworden, een Bengalees die een nachtwinkeltje runt op de hoek van een protestantse en een katholieke straat. Op een donkere winteravond stormt een man met een bivakmuts zijn winkel binnen, zwaait met een pistool en roept: ‘Katholiek of protestant?’ ‘Ik ben moslim’, antwoordt de kruidenier. ‘Een katholieke of een protestantse moslim?’ schreeuwt de overvaller. Nu hebben we dus al katholieke atheïsten en protestantse moslims. Blijkbaar kan een religieuze marker gewoon veranderen in een culturele of etnische marker, op voorwaarde dat een bepaalde godsdienst geruime tijd dominant is in een (deel van de) samenleving. Om nog een paar voorbeelden te noemen. Polen zijn katholiek, Russen orthodox en Tibetanen boeddhist. Dat is natuurlijk niet zo. Ze zijn het zeker niet allemaal, en niet op dezelfde manier, er zullen heel veel ‘sociologische gelovigen’ tussen zitten.

Of dichterbij: na eeuwen van levensbeschouwelijke apartheid tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden spreken we gemakkelijk over ‘calvinistische Hollanders’ en ‘katholieke Vlamingen’. Toch weten we allemaal dat op deze combinatie veel uitzonderingen bestaan, dat de uitspraak enkel zin heeft als je de religieuze markers als culturele interpreteert. Het suggereert dat vrijzinnige humanisten in Vlaanderen in culturele zin gestempeld zijn door het katholieke verleden en dat de katholieken in Holland iets calvinistisch hebben.

In deze gevallen blijft het nog allemaal redelijk onschuldig, maar het Noord-Ierse voorbeeld maakt duidelijk dat het niet ongevaarlijk is als de religieuze marker te lang blijft hangen. Haatpredikers als dominee Ian Paisley konden in zo’n taalveld prima gedijen en olie op het vuur blijven gooien, ook toen het vuur al aan het doven was.

De Franse benadering

Het wordt tijd dat we ons hiervan meer rekenschap geven, met name als we over de maatschappelijke aspecten van godsdienst en levensbeschouwing spreken. Waar hebben we het bijvoorbeeld over als we spreken over de ‘moslims van Europa’? Hebben we het dan over de godsdienst van die groep, de islam, zoals de term suggereert? Meestal niet, want ‘moslims’ is veeleer een etnische marker dan een religieuze. We hadden een term nodig voor een groep die we niet zo goed konden plaatsen (zie ook ‘allochtonen’). Daarbij hebben we gegrepen naar de ‘grootste gemene deler’ van de groep en gekozen voor de godsdienst van de meerderheid in de gebieden waaruit ze afkomstig zijn: de islam.

Het woord ‘moslims’ is dus een etnische term. Wij delen dit etnische gebruik van een religieuze term met de Angelsaksische wereld. In officiële Franse publicaties weigert men bewust deze religieuze marker te gebruiken. Daar verwijst men naar dezelfde groep met open omschrijvingen zoals ‘mensen met een migratieachtergrond’. Niet dat men de religie wil negeren, juist niet, maar men wil de mensen daar niet van tevoren op vastpinnen. Of de islam relevant is voor deze mensen zal bij nadere kennismaking wel blijken.

Het voordeel van de Franse benadering, die door de terreuraanslagen trouwens enorm onder druk staat, is dat je de nieuwkomers niet meteen als een ‘gesloten blok’ ziet met religieuze connotatie, maar als mensen met heel diverse culturele achtergronden. Dat strookt in elk geval met de realiteit: ze spreken verschillende talen, ze kennen elkaar helemaal niet en qua levensbeschouwing liggen ze vaak met elkaar overhoop. Net als bij ons is religie maar één aspect van hun veelkleurige en complexe identiteit als mens; en als die al een rol speelt, dan is dat altijd vermengd met die andere aspecten, vaak onbewust en onberedeneerd.

Moslimdominees à la Paisley

Vanaf het moment dat we ‘ze’ moslims noemen, krijgt het religieuze aspect plots veel gewicht, wordt het autonoom en gaat het enorm op het zelfbeeld wegen. Dat is niet wenselijk. Religieuze groepen ontlenen in West-Europa voor een deel hun bestaansreden aan het feit dat ze zich onderscheiden van andere groepen. Een sterke nadruk op dat aspect van de identiteit is dus niet per se bevorderlijk voor het samenleven. Vooral bij de benadering van migranten is de impact van deze aanpak niet te onderschatten. Ze hebben veel zaken waaraan ze hun identiteit ontleenden moeten achterlaten en voelen zich onzeker over ‘wie ze hier nu eigenlijk zijn’. Ze moeten zichzelf heruitvinden. Door hen als ‘moslims’ aan te spreken, stuur je de constructie van hun nieuwe identiteit meteen al in een religieuze richting. En dat is niet ongevaarlijk. Temeer daar er hier inmiddels een hele batterij religieuze sprekers klaarstaat om hen te helpen dat gat in hun identiteit op te vullen. Voor je erg in hebt, kapen moslimdominees à la Paisley met hun politiek-religieuze constructie het discours en zijn we vertrokken voor een volgend potje religieus armworstelen in Europa.

Redelijke accommodatie en de ramadan

Als stap in de richting van een Europese islam stel ik voor dat de ‘Raad van theologen’ het begrip redelijke accommodatie* in hun koran- en hadithuitleg opneemt en alle moslims laat weten dat Allah het graag ziet als zij overdag in de zomer water drinken, ook tijdens de ramadan: een kwestie van gezond verstand.

De term ‘redelijke accommodatie’ ontleen ik aan het recente boek van Patrick Loobuyck, ‘Samenleven met gezond verstand’ . Hij bedoelt daarmee dat je tegemoetkomend moet zijn als medeburgers op grond van hun geloof bijzondere maatregelen vragen, maar proportioneel. Dat is geen soumission, maar redelijke accomodatie. Een sterk pleidooi is het. Maar het geldt ook andersom, lijkt me. Anders verwordt het fundamenteel mensenrecht al snel tot een claimrecht van fundamentalisten.


praktische tips

Als je gezond bent, kan de ramadan geen kwaad. Ben je echter zwak, dan is het gevaarlijk.

Doordat je ’s avonds eet, krijg je op zich voldoende voedingsstoffen binnen. Wel is je energiebalans in de war, zeker als de ramadan in de zomer valt. Je hersenen (denk aan de jongelui met hun eindexamens) hebben gedurende de dag energie nodig om goed te kunnen functioneren. Als je dan niet eet, kun je je minder goed concentreren. Ook krijg je makkelijk last van prikkelbaarheid (stemmingswisselingen, humeur). In landen waar de ramadan een traditie is, is dat geen probleem. Daar wordt tijdens de ramadan minder hard gewerkt en kun je rekenen op begrip van je omgeving. In een seculiere samenleving ligt dat moeilijker. Paradoxaal wordt de kans groter dat je daarom – van de weeromstuit – fanatieker wordt. Niet doen, ongezond! Vergeleken met de landen van oorsprong hebben wij het bijkomende probleem, dat bij ons in de zomer de dagen zo lang duren. Diabetici moeten zonder meer gebruik maken van de vrijstelling die ‘zieken’ hebben op de vastenverplichting. Voor zichzelf en voor de samenleving.

Niet drinken overdag. Is dat gevaarlijk?

Als je ’s nachts (tussen 22u-5u30) voldoende drinkt, is ook dat geen probleem. Het is alleen wel heel moeilijk om ‘vooraf te drinken’, want je hebt geen dorst, zeker als je daarvoor om 5u ‘s ochtends de wekker moet zetten. Onder extreme omstandigheden is er een risico op uitdroging. Hoofdpijn en concentratiestoornissen komen veel voor. Daarom dat je tijdens de ramadan in de zomer, zeker als de temperatuur boven de 25 graden stijgt, toch maar beter een flesje water bij je hebt en geregeld een slokje neemt. Volgens de meeste moslimleiders die ik ken, is dat perfect legaal. En dat anderen je verwijtend aankijken, of je geen ‘goede moslim’ noemen, moet je je niet aantrekken. Zij gaan moreel en menselijk in de fout, ook vanuit de islam gezien, jij niet. Groepsdruk is een schending van de vrijheid van godsdienst. Jìj bent vrij om te bepalen hoe jij je gods-dienst invult, vormgeeft. Niemand kan jou dat recht afnemen, want het is een mensenrecht.

Oh ja, dat je water drinkt om je medicijnen te slikken, staat los van de vastenverplichting. Dat hoef ik toch hopelijk niet meer te zeggen.

 

 

Scheiding tussen ‘kerk en (buitenlandse) staat’

Scheiding tussen kerk en staat, óók de buitenlandse staat

De staat en de overheden moeten op godsdienstig vlak ‘neutraal’ zijn. Dat wil zeggen: zij moeten de diverse godsdiensten, binnen de rechtsorde, ruimte geven om zich te ontwikkelen voor zover de grenzen van de rechtsorde dat toelaten. Wij noemen dat de scheiding van kerk en staat (kerk = religieus instituut). Als dit voor de eigen overheid geldt, waarom zou dit ten aanzien van een buitenlandse staat als – pak ‘m beet – Saoedi-Arabië niet ook gelden? En waarom zou het Turkse ministerie van godsdienstzaken, Diyanet, wel vrij spel krijgen in ons land, terwijl wij ons zelf nìet zouden mogen moeien? Hier klopt toch iets niet.

De meeste moslims belijden hun religie binnen de krijtlijnen van de democratie (rechtsstaat, respect voor de mensenrechten). Deze mensen hebben dus recht op steun en bescherming vanuit onze overheden. Islamitische organisaties die zich beroepen op de sharia en bijv. pleiten voor sancties op niet-meer-gelovigen, of die de vrouwen geen mensenrechten (vrijheids-rechten) gunnen, zijn daarmee niet verenigbaar. Dat is geen theologische kwestie, maar een juridische. Die organisaties ageren namelijk niet binnen, maar buiten de rechtsorde. Zulke verenigingen zijn verboden, basta. De beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg van 19 juni 2012 in de zaak Hizb Ut-Tahrir bevestigt deze stand van zaken. Deze radicale islamitische vereniging was in Duitsland buiten de wet gesteld, en tekende hiertegen verzet aan onder verwijzing naar de vrijheid van godsdienst. Ze ging hiermee naar het Hoog gerechtshof van de EU. Echter: hun beroep op de bepalingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) werd niet ontvankelijk verklaard op grond van art. 17 van datzelfde Verdrag.

Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien. EVRM Artikel 17

Democratie moet zich verdedigen (artikel 17 van Europees Verdrag van de Rechten van de Mensen)

Dat artikel verbiedt een beroep op de Verdragsbepalingen om een ‘activiteit aan de dag te leggen die ten doel heeft de rechten en vrijheden die het Verdrag garandeert, te vernietigen of nodeloos te beperken’. Dat sluit aan bij de leer van de Weerbare Democratie, die niét moet gedogen dat zij van binnen uit wordt aangevallen door gebruik van de rechten en vrijheden die zij garandeert: dergelijk gebruik is een misbruik van rechten, omdat het doel van die rechten en vrijheden is om de rechtsorde te vrijwaren en verbeteren, niet om ze te ondermijnen. Het is misschien ontnuchterend, maar we zien dat Turkije inmiddels een abonnement heeft op veroordelingen door het Hof voor de Rechten van de Mens, en resoluut de gewaden van het oude en moderne Turkije afwerpt om te vervellen tot een volleerd autocratisch regime dat fundamentele mensenrechten onderdrukt en miskent. Saoedi-Arabië heeft destijds niet eens de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens in de UNO ondertekend. De websites van Hizb Ut-Tahrir – de Belgische variant meldt dat zij “in voorbereiding is”, de Nederlandse is wel actief – propageren onder het mom van de ‘Partij van de Bevrijding‘ niets minder dan de fundamentele aanval op de rechtsstaat en de fundamentele rechten en vrijheden van de Mens.

Dat zijn zaken die we beter ernstig nemen, om de vele moslims die zich wel naar deze beginselen willen schikken te steunen in één project van samen-leven. Daarin is ruim plaats voor een moderne islam, zoals Turkije die in zijn moderne jaren fors heeft gepromoveerd. Dat is positieve integratie voor iedereen: met respect voor de rechtsorde en universele mensenrechten samenleven.

Misplaatste solidariteit rond ritueel slachten

Christelijke leiders tegen verbod op onverdoofd slachten: Een voorbeeld van misplaatste solidariteit.

In een verklaring over ‘onverdoofd slachten’ (NLFR) betuigen de ‘christelijke leiders van België’ (als protestant moet ik dan toch altijd een beetje lachen, maar dit terzijde) hun solidariteit met hun Joodse en islamitische collega’s door vraagtekens te plaatsen bij het wetsvoorstel van het Waals parlement om het onverdoofd slachten met ingang van 1 januari 2019 te verbieden.

De verklaring zegt dat er ‘belangrijke waarden in het geding’ zijn. Daar ben ik het mee eens. Al meer dan 30 jaar is er in ons land een wet op het ‘Dierenwelzijn’ waarin het onverdoofd slachten wordt verboden. Dat lijkt mij inderdaad een belangrijke waarde, die wel wat support kan gebruiken van de ‘religieuze leiders’. Het blijkt hier echter niet te gaan om deze belangrijke waarde, maar om de ‘vrijheid van godsdienst’. De religieuze leiders waren dus toch weer vooral bezorgd om zichzelf. Jammer. Maar okay, vrijheid is een belangrijke waarde, en vrijheid van godsdienstuitoefening ook. Alleen zie ik niet goed in wat dat met een verbod op onverdoofd slachten te maken heeft. Natuurlijk weet ik wel dat tot op heden er een uitzonderingsclausule op de wet bestaat, die mensen die onverdoofd slachten buiten vervolging stelt als zij zich beroepen op hun religie: ‘Mijn God/mijn geloof/ gebiedt mij dat te doen’. Door de mensen dit ‘excuus’ te ontnemen wordt er toch geen inbreuk gemaakt op de vrijheid van religie ? Mensen mogen nog steeds vinden dat ze hoogst persoonlijk een schaap de keel over moeten snijden – liefst in familieverband met de kinderen erbij – om het Offerfeest te vieren. Dat wil toch echter niet zeggen dat de staat daar dan meteen maar ruim baan voor moet maken?

Er zijn ook christenen die vinden dat abortusartsen strafrechterlijk vervolgd (en volgens sommigen zelfs: standrechtelijk geëxcuteerd) zouden moeten worden, of dat leraren biologie geen evolutieleer mogen onderwijzen. Toch geen haar op ons hoofd dat eraan denkt om deze mensen hun gang te laten gaan. Vrijheid van godsdienst betekent niet dat de staat alles maar moet toestaan wat men met beroep op ‘God’ (in welke gedaante dan ook) rechtvaardigt. Er zijn ook moslims en christenen (echt waar) die vinden dat polygynie (met meer dan één vrouw gehuwd zijn) de weg is die God de man niet alleen toestaat, maar zelfs wijst. En er waren (maar voorzover ik weet bestaan die niet meer) diep-religieuze mensen die vonden dat kinderen geofferd moesten worden, of dat er seksueel verkeer moest zijn met tempelprosituées voorafgaand aan de rituele offers. Stel u voor dat die religies nog zouden bestaan! Mag je die in naam van de godsdienstvrijheid dan ook geen strobreed in de weg leggen? De staat heeft dus, met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting, volledig het recht paal en perk te stellen aan allerhand menselijke handelingen, ook als die religieus gemotiveerd zijn. Godsdienstvrijheid is geen immunisering tegen overheidsbemoeienis, laat staan een vrijbrief om te doen en laten wat je wilt.

Waarom moet de voorzitter van de synodale raad van de protestantse kerk perse het pleit voeren voor de conservatieve wettische vleugel in religies die niet eens de zijne zijn?

Als de Vlaamse en Waalse overheid aan het onverdoofd slachten van dieren niet langer wenst mee te werken, dan is dat haar goed recht. Daarmee staat de ‘belangrijke waarde van de vrijheid van godsdienstuitoefening’ niet op het spel. De overheid geeft dan gewoon aan, dat er grenzen zijn, dat iedere burger voor de wet gelijk is, gelovig of ongelovig en dat wat haar betreft dierenwelzijn boven een religieus ritueel gaat. Zeggen dat het er in seculiere slachthuizen ook vreselijk aan toegaat, zoals de verklaring doet, is een flauwe afleidingsmanoeuvre. Dat is natuurlijk zo. En daar moet evengoed iets aan gebeuren. En dat probeert de wetgever ook. Maar, zo gaat de verklaring verder, de kritiek op onverdoofd slachten wordt zo gemakkelijk ‘een dekmantel voor een discours van misprijzen van de levenswijze en spijswetten van onze joodse en islamitische medeburgers’. Dat zal wel zijn, maar ook daarmee is de grond van de zaak zelf toch niet weerlegd. Abusus non tollit usum (‘Misbruik van iets diskrediteert een goed gebruik niet’) En dan nog: het merendeel van moslims eet al lang vlees uit Nieuw-Zeeland waarop het stempel ‘halal’ staat maar dat afkomstig is van dieren die verdoofd zijn vóór ze geslacht werden. Geen haan die ernaar kraait. Dus waar gaat het dan om? En ook onder de Joden zijn er velen die geen probleem hebben om de regels van de kashroet (kosher-eten) aan te passen, dan wel er vrij mee omgaan. Hun stem hoor je alleen niet. Ik weet wel dat de diep-gelovigen dan roepen dat dat geen èchte moslims/joden zijn, maar waarom zouden zij het alleenrecht op die religie hebben! God is wel in de hemel, maar godsdienst is mensenwerk en regels kunnen altijd ook anders geïnterpreteerd en toegepast worden. Dat is doorheen de geschiedenis constant gebeurd. Godzijdank. De enigen die dat niet kunnen, zijn de fundamentalisten.

Waarom, zo vraag ik mij dus af, moet de voorzitter van de synodale raad van de protestantse kerk perse het pleit voeren voor de conservatieve wettische vleugel in religies die niet eens de zijne zijn? Zou het niet veel zinvoller zijn als hij in zijn publieke optreden solidariteit zou betuigen met mensen die het nodig hebben en dan op grond van waarden die ook de onze zijn. In het Lutherjaar kan ik niet anders dan vermoeden dat de ‘evangelische vrijheid’ van de mens om in eer en geweten zijn eigen leven te leiden voor Gods aangezicht, meer aandacht verdient dan het vrijwaren van de speelruimte van gevestigde religieuze instituten.

Dick Wursten

  • Voor misverstanden en mythes (al dan niet bewust in stand gehouden) rond onverdoofd en ritueel slachten: zie de website van GAIA

Wie is moslim ? (bespreking van het boek van Ajouaou)

Mohammed Ajouaou, WIE IS MOSLIM? Geloof en secularisatie onder westerse moslims. Meinema 2014.

237 blz. € 22,50. ISBN: 9789021143767

De auteur (geboren in 1968 in Marokko, sinds 1991 woonachtig in Nederland) is sinds 2007 hoofd islamitische geestelijke verzorging (Ministerie van Veiligheid en Justitie) en sinds 2011 doctor in de Sociale- en Religiewetenschappen (Universiteit van Tilburg). Momenteel is hij universitair docent islam aan de theologische faculteit van de VU-Amsterdam. In dit boek probeert hij de ‘beleefde en geleefde’ islam voor het voetlicht te halen. Het is sociologisch getint en bevat veel voorbeelden uit de praktijk (veelal de geestelijke verzorging). De auteur concentreert zich op de vraag uit de titel: ‘Wie is moslim?’ Dat is geen gemakkelijke vraag. Religieuze praktijken en opvattingen zijn ook bij moslims niet consistent: Er zijn er die wel Ramadan ‘vieren’, maar niet vasten. Zijn dat dan geen moslims? Of men geeft wel ‘zakat’, maar doet niet aan ‘salat’. Eigen ervaringen en verhalen verluchten de hoofdstukken, waarin de arabische basisbegrippen worden gekaderd en toegelicht. De auteur weigert die termen te vervangen door ‘westerse’ woorden omdat dit begrippenkader de realiteit vertekent. Een kerk is nu eenmaal geen moskee en ‘salat’ is niet hetzelfde als ‘ons’ bidden (dan zou je eerder aan ‘du’a’ moeten denken). Bijzondere aandacht gaat – zie ondertitel – naar de vraag hoe islam en secularisatie zich verhouden. Dit wordt in het laatste hoofdstuk (5) uitgewerkt, waar m.n. aan de hand van de discussies op www.hespress.com (arabisch internetforum) visies op secularisatie aan de hand van diverse lijsten met opvattingen over geloofsleer, beleving, praktijk en politieke ideologie (volgens auteur overigens een wezenlijk onderdeel van de islam). Hij laat zien dat er voor- en tegenstanders zijn en dat het er soms hevig aan toe gaat. Dat had wel wat meer mogen zijn, vooral qua analyse. Wel lezen we hier mooie paradoxen: Men kan binnen de islam “tegelijk praktiserend zijn en geseculariseerd”, en – spannender: “niet-praktiserend, en toch gelovig en zelfs orthodox.” Dat wil zeggen dat velen zich moslim noemen die het wereldbeeld (m.n. de harde visie op ‘niet-moslims’) van gelovige moslims overnemen als absolute waarheid zonder enige vorm van spirituele diepte. Geen fijne gedachte. Wat ook opvalt, is dat het ‘legalistische’ karakter van de theologie ook de beleefde en geleefde islam kenmerkt: Men stelt vragen aan ‘geleerden’ en rekent op duidelijke, apodictische ‘Weisung’ (‘Wat mag ik doen als mijn man een tweede vrouw wil huwen’?). Dit had toch ook wel wat meer analyse verdiend.

De auteur is zich overigens terdege bewust dat het onderzoek naar de referentie van een religieuze marker (‘moslim’) lastig is, omdat religie altijd meer is dan alleen maar een verwijzing naar een geloof of een cultus. Hij schetst een basisprofiel (hoofdstuk 2, afgeleid uit de koran, soera 23), waaraan hij een beschrijving toevoegt van de ‘beleefde en geleefde praktijk’ (uitgebreid profiel). Zo krijg je een beeld van hoe ‘gewone moslims’ denken over bijv. ‘saytan’, ‘fatwa’s’, de ‘umma’, ‘de dood’, ‘kuisheid’, de rol van de ‘imam’ en aspecten van de volksreligiositeit. In hoofdstuk 3 wordt de praxis beschreven op gelijkaardige wijze. Dit is een omvattend en instructief hoofdstuk over hoe het geloof van moslims op een veelkleurige wijze omgezet wordt naar en beleefd in de praktijk en hoe men daarover binnen de islam discussieert. Hoofdstuk 4 tast historische voorlopers van deze discussie af (beetje vreemde eend in de bijt). Onderwijl wordt duidelijk hoe lastig sommige moslims het hebben met hun eigen profiel. Dat wil zeggen: De westerse wereld waarin zij leven (de seculiere samenleving) zien ze vanuit het binnen-koranische perspectief, waardoor moslim-zijn en burger-zijn begint te wringen. Dat willen velen niet, maar ze ontberen de ‘tools’ om daar op een constructieve wijze mee om te gaan. Veel (internet-)discussies tussen moslims hierover eindigen dan ook vaak in een aporie. Zolang het ‘basisprofiel van de moslim’ niet ter discussie kan worden gesteld, zal elke moslim de zes pijlers van het geloof (incl. wereldbeeld) moeten aannemen en er dus door worden vastgepind en geoordeeld. Who phrases the question, frames the answer. Deze kritiek neemt niet weg dat dit boek zeer leerrijk is en correcte informatie verstrekt over de reële islam, iets waar we als samenleving grote nood aan hebben.

Dick Wursten

Bescherm kinderen ook tegen geestelijk geweld

Knack (10 mei 2017) bindt de kat de bel aan. Veel islamonderwijs jaagt kinderen (en jongeren en volwassenen!) angst aan door te dreigen met de hel en andere nare zaken. Vrijheid van godsdienst? Nou dat weet ik zo net nog niet. Mijns inziens is er geen enkele reden dat de school (overheid) niet zou ingrijpen als ze dit signaleert. Ik denk dat ze de morele plicht heeft. Het kind staat centraal op school, niet een vak of een curriculum. De overheid hoeft volgens mij ook niet te wachten tot de erkende instanties hun zaakjes op orde hebben. Ik verwijs naar de rechten van het kind (artikel 19)

Bescherm kinderen ook tegen geestelijk geweld

Dat sommige ouders hun kinderen opvoeden met angst voor de hel, daar zullen we weinig aan kunnen doen, hoezeer ik het ook betreur. En dat heeft niets met godsdienstvrijheid te maken. Ouders hebben nu eenmaal het recht hun kinderen thuis op te voeden zoals ze willen. Ook dat staat in de vaak geprezen verklaring van de Rechten van de Mens (EVRM artikel 8: recht op privacy en niet-inmenging in het familiale leven; het laatste is in de pre-ambule zelfs nog eens expliciet naar voren gehaald). Dat in veel moskeeën en kerken (laten we niet doen alsof het enkel in de islam voorkomt) wordt verkondigd dat er een laatste oordeel is en dat God het kwaad met wortel en tak zal uitroeien, ook daaraan zullen we weinig kunnen doen. Mensen staat het vrij om te geloven wat ze willen en om die mening te verspreiden, met en zonder een apart recht op godsdienstvrijheid. De scheiding van kerk en staat betekent ook dat de overheid zich niet met de opvattingen van mensen bemoeit, tenzij de openbare veiligheid of een ander mensenrecht in gevaar komt.

Mensenrechten gelden ook voor het kind

In die laatste toevoeging zie ik een opening om hier toch iets aan te doen. Ook kinderen hebben immers mensenrechten. Zo kun je je in dit geval bijvoorbeeld afvragen: Hebben kinderen geen recht op vrijheid van godsdienst in de eerste betekenis van dit mensenrecht, nl. dat ze vrij moeten kunnen zijn van religieuze dwang. Dat kan je in de thuissituatie niet bewerkstelligen, en ook niet in de religieuze vereniging (kerk, moskee). Maar daarbuiten dan toch zeker wel, of op z’n minst tegenwicht bieden tegen indoctrinatie. Zeker op de scholen die de overheid zelf inricht. Daar geldt het pedagogisch project van de school, ook in de lessen levensbeschouwing. Verder is er ook het kinderrechtenverdrag van de VN (1989). Artikel 19 spreekt over de bescherming van de kinderen tegen mishandeling en verwaarlozing. En in dit artikel wordt expliciet gezegd dat ieder kind recht heeft op bescherming ‘tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld’. Is het aanjagen van angst met God als almachtige boeman, geen vorm van geestelijk geweld? En kom niet af met een vergelijking met Sinterklaas. Wie dat doet heeft van religie niets begrepen. Welnu, de Belgische staat heeft dit verdrag ondertekend en heeft dus beloofd dat ze ‘alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied’ zal nemen om het kind tegen deze vorm van geweld te beschermen.

Waar wachten we nog op !?

Dick Wursten

[Ook gepubliceerd als opiniestuk in De Morgen]