De geest van Napoleon… en de eredienstfinanciering

“het volk zal z’n godsdienst hebben, maar ik houd de touwtjes in handen”, zei Napoleon, en sloot een concordaat met Rome (1801). De huidige wetgever redeneert nog steeds zo en gebruikt de wet op de erkende erediensten als instrument om religie te ‘managen’. In de praktijk blijkt ze even onmachtig als Napoleon. Religion is an unruly thing. Het getouwtrek de laatste dagen tussen de twee bevoegde – maar machteloze – ministers Geens en Homans is dan ook een farce.

En erger: terwijl zij elkaar vliegen afvangen over wel/niet erkennen van sommige moskees maken identitairen (zij die van hun religie de kern van hun identiteit maken) van het recht op godsdienstvrijheid misbruik om hun speelruimte (in de samenleving) en invloedssfeer (in eigen middens) te vergroten, zodat de echte vrijheid van godsdienst voor veel mensen weer een stukje kleiner is geworden. De vraag die beide ministers niet stellen, maar die eigenlijk hoogdringend is, luidt: Is het maatschappelijk eigenlijk wel wenselijk om religieuze instituten financieel te ondersteunen bij hun uitbouw, zoals de Belgische wetgeving voorziet ? Ik meen dat daar heel wat haken en ogen aanzitten en dat het hoog tijd wordt om de geest van Napoleon uit te drijven.

De organisatie van de godsdienstige impuls en de instellingen van het land (kerk èn staat) moeten echt van elkaar losgemaakt worden. Het zal beiden (staat èn kerk) ten goede komen. De staat is van het gezeur af, en religie wordt eindelijk ècht een vrije keuze.

U neemt dat niet zomaar van mij aan? Gelijk hebt u. Hieronder wat achtergrond bij de huidige praktijk en enkele van haar wonderlijke neveneffecten en een korte oefening om zich voor te stellen wat er gebeurt als ‘kerk en staat’ elkaar echt vrij zouden laten.

De grondwet (eredienstfinanciering als alimentatie na een halfbakken scheiding van kerk en staat)

De financieringsplicht van de erkende erediensten (in het Frans: cultes) staat in de grondwet, zeker, maar de grondwet – met alle respect – is en blijft een historisch document. En het is niet noodzakelijk zo dat wat in 1831 een goed idee leek (namelijk de subsidiëring van de materiële en personele kosten van de rooms-katholieke eredienst), dat dat 186 jaar later nog steeds beantwoordt aan de maatschappelijke noden op het terrein van religie. Toen leek het – voortbouwend op het concordaat met Napoleon – een redelijke compensatie voor de annexatie van de kerkelijke goederen. In de Belgische grondwet (maar ook al in de grondwet onder Willem I, uitgewerkt in een algemeen reglement in 1816) is de rooms-katholieke kerk haar positie van bevoorrechte partner van de staat kwijt en moet ze dus de aandacht delen met andere kandidaten. Voortaan waren kerk (beter: de geïnstitutionaliseerde religie) en staat (beter: het burgerlijk bestuur) gescheiden. Zoals bij veel scheidingen was de alimentatieregeling – zo kun je de definitieve wet op de financiering van de erediensten eigenlijk best noemen – niet zonder slag of stoot tot stand gekomen en waren er later nog geregeld hevige conflicten – vooral de diverse ‘schoolstrijden’ hakten er diep in. Toch werd het scheidingscontract nooit wezenlijk aangepast. Dat vond men niet nodig. De overheid bleef instaan voor de financiering van de kerk, zowel qua personeelskosten als betreffende het onderhoud en de inrichting van de gebouwen

Echter: bij de opstelling van deze alimentatieregeling had men slechts één georganiseerde religie in beeld: de rooms-katholieke kerk. De wet is ook op haar maat gemaakt (de bestuurlijke uitwerking past precies bij een hiërarchisch georganiseerde priesterlijk-cultische religie). Nadien meldden zich ook andere godsdiensten en eisten ‘gelijke behandeling’ voor hun eredienst en verkregen die ook. Neutraal is neutraal. Het gevolg is dat de Belgische staat in zaken van religie promiscue is geworden. Was dit eerst tot grote ergernis van de belangrijkste ex (de rooms-katholieke kerk), gaandeweg legde iedereen zich erbij neer en settelde zich. Het gevolg is dat de overheid nu moet instaan voor de alimentatie van zeven erkende erediensten. De erkenning vereist slechts dat men volgens een aantal formele regels, die afgeleid zijn van de de rooms-katholieke kerkorganisatie en dus bijv. slecht passen voor de protestantse godsdienst en al helemaal niet voor de islam, is georganiseerd. Ook de georganiseerde vrijzinnigheid heeft in een laat stadium (1993) de overheid verleid – via een soort travestie-act waarbij ze zich verkleedde als ‘eredienst’ – om mee te kunnen eten uit de ruif. Het Boeddhisme, een aantal Hindoe-groeperingen en de Syrisch-orthodoxe kerk hebben een aanvraag ingediend. Waarom die nog niet erkend zijn, is niet echt duidelijk. De erkenningscriteria zijn ook bijzonder vaag. De rechtsongelijkheid die hierdoor is ontstaan, is eigenlijk niet acceptabel. Ze grenst aan willekeur.

Heeft u zich bijvoorbeeld wel eens afgevraagd waarom er eigenlijk vier varianten van het christendom erkend zijn als aparte godsdienst (rooms-katholiek, orthodox, anglicaans, protestants) en maar één islamitische? Het antwoord: een historische toevalligheid (z.b.). Anglicaans is bijvoorbeeld enkel erkend, omdat de eerste Belgische koning in Oostende graag zijn Engelse familie entertainde. Hier heerst de willekeur dus in zo sterke mate, dat rechters zich eigenlijk geen raad meer weten als ze uitspraken ten gronde moeten doen over zaken die met de vrijheid van godsdienst hebben te maken (hoofddoek, vergiet, ritueel slachten, exemptieclaims etc.).

Onderwijl blijft de overheid braaf de onderhoudskosten betalen, de alimentatie. Waarom? Zo is dat afgesproken, het staat in de wet. En blijkbaar denken veel politici dat ze zo ook stiekem controle kunnen houden over het doen en laten van al die levensbeschouwelijke organisaties. Dat is wel tegen de geest van het mensenrecht op vrijheid van godsdienst, maar past volkomen in de originele motivatie van het concordaat van Napoleon: het volk mag z’n godsdienst hebben, maar wij (de staat) houden de controle. Nochtans lijkt me die redeneerwijze naïef. Denkt minister Geens nu echt dat hij door ‘brave moslims’ te helpen de invloed van ‘stoute moslims’ kan terugdringen? Puur Wishful thinking: Religieuze groepen doen en zeggen toch wat ze willen, met of zonder subsidie. Wat bij dit alles de minister (maar hij is de enige niet) over het hoofd ziet, is dat door het simpele feit dàt je religieuze instituten de kans geeft om zich uit te bouwen (dat is het effect en doel van de subsidie), je het behoren bij een religieuze groep als identiteitskenmerk versterkt. Dit heeft twee perverse neveneffecten:

  1. De religieuze identifyer verdeelt mensen in groepen, en installeert het wij-zij denken. Religie kan op persoonlijk vlak veel goed doen, maar sociaal bezien is het één van de meest scheidende, verdeeldheid zaaiende, principes, die wij kennen. Het zich identificeren als ‘moslim’, ‘christen’, ‘atheïst’ etc. Hoe nefast dit kan zijn voor een hyperdiverse samenleving leert ons… de geschiedenis. Onze eigen Europese, maar ook bijv. de Pakistaanse-Indische. 
  2. De feitelijke vrijheid van godsdienst neemt af, want de meeste religieuze instituten willen mensen aan zich te binden, al dan niet expliciet. Binnen een religieus instituut is er minder godsdienstvrijheid dan daarbuiten. Hoeveel vrij-denkende priesters zijn uit de kerk gezet.  Liberale moslims krijgen reële doodsbedreigingen.

Mensen die dus vrij willen denken en geloven, krijgen geen subsidie, mogen de door de overheid gesponsorde gebouwen niet gebruiken, hebben geen personeel ter ondersteuning… Op zich prima, maar dit is wel geïnstalleerde ongelijkheid. Idem voor groepen die niet aan de erkenningscriteria willen voldoen omdat die niet neutraal zijn. Kortom: Wie zal dus sterker worden? De officiële religie, die per definitie traditioneel is (dus ‘patriarchaal angehaucht‘, zeker als men zich beroept op oude teksten) en die mensen aan zich bindt via een systeem van ‘jij hoort wel bij ons’ en ‘jij niet’ (wij-zij denken). Hierdoor wordt veel wat on- of zelfs anti-modern (bijv. discriminatie van vrouwen, slaan van kinderen, besnijdenis, onverdoofd slachten) met overheidssteun in stand gehouden en versterkt.

Het effect van deze vorm van eredienstfinanciering is dat de invloed en macht van de religieuze systemen op individuele mensen wordt versterkt, m.a.w.: precies het tegenovergestelde van de intentie van de founding fathers van freedom of expression (and religion).

Ik vind het dan ook niet verwonderlijk dat sommigen vinden dat het tijd is voor een update van het systeem van de eredienstfinanciering. Die was gemotiveerd door staatsraison. Toen misschien verdedigbaar, nu ‘on-redelijk’ en contraproductief. De geest van Napoleon – “Het volk moet een religie hebben, en deze moet zijn in de handen der regering” – waart dus nog tezeer in het politieke halfrond. De wet op de erediensten staat de echte vrijheid van godsdienst (een mensen-recht, geen instituten-recht) eerder in de weg, dan dat ze die bevordert. En het is de samenleving die het gelag betaalt.

Hoe kan zo’n update er dan uitzien ?

Het heeft weinig zin om – zoals mw. Rutten (Open VLD) deed in april 2017, niet voor het eerst, noch voor het laatst – te pleiten voor een scheiding van kerk en staat in die zin dat mensen hun religieuze overtuigingen ‘thuis’ zouden moeten laten. Dat is een dom pleidooi en naast de kwestie. De scheiding van kerk en staat gaat over bestuurlijke bevoegdheid: De staat bestuurt het leven van de burgers zoals zij vindt dat zij dat doen moet (daarop bestaan verschillende visies) en de kerk organiseert zich zoals zij vindt dat ze dat doen moet (dat is de vrijheid van meningsuiting en van vereniging). Mensen hoeven hun religieuze overtuigingen niet thuis te laten als ze de voordeur uitgaan. Neen: burgers kunnen vanuit hun geloof aan politiek doen. Dat is niet meer of minder nobel dan vanuit een partijprogramma links of rechts. Prima. Laat iedereen het maar proberen om zijn visioenen en visies in de publieke ruimte binnen te brengen en met algemeen begrijpelijke argumenten anderen te overtuigen om daarin mee te gaan. Dat is burgerschap en burgerzin. Geen subsidie voor groep x of y, want dat is debat-vervalsing. De staat zal een kerk (zelforganisatie van een groep burgers) vervolgens ook enkel aanpakken als ze de wet overtreedt, net zoals ze bij elke andere vereniging doet. No problem, but that’s it, and that’s all. Voor zulke verenigingen hoeven ook geen andere subsidiekanalen te zijn dan die waarlangs ook andere verenigingen soms aan overheidsgeld kunnen geraken (sociaal/cultureel/educatief nut). Vanuit de huidige realiteit (waarin veel christelijke instituties nog verknoopt zijn met algemeen maatschappelijk werk) moet er dus transparantie komen met betrekking tot de dingen die vanuit de religieuze instellingen gedaan worden op het terrein van het algemeen nut, want dat blijft dus een zaak van publiek belang. De christelijke zuil heeft immers eeuwenlang een deel van de zaken gedaan die de staat nu als haar taak ziet, bijv. ziekenverpleging, onderwijs. Op dit punt zullen er dus duidelijke afspraken moeten gemaakt worden tussen enerzijds de georganiseerde religieuze instituten en para-religieuze instellingen (scholen en ziekenhuizen) en anderzijds de diverse burgerlijke overheden. Daarbij zal de burgerlijke overheid natuurlijk nog steeds geld spenderen aan allerlei zaken die ook met religie te maken, maar ze zal ze niet financieren inclusief het religieuze aspect (zoals nu het geval is), maar enkel omdat er handelingen van algemeen nut plaatsvinden (verpleging van zieken, sociale opvang, onderwijs). Dat ze de bouw en het onderhoud van religieuze gebouwen en religieus personeel niet betaalt, lijkt me een evidentie. En voor u denkt, dat heb je weer zo’n religie-basher: ik ben inspecteur godsdienstonderwijs, en stel mijn eigen beroep hiermee ook ter discussie. Alles kan beter, en in elk geval helderder.

Een neutrale overheid oordeelt nooit over intenties, maar wel over concrete handelingen. Die laatste financiert ze omwille van zichzelf, niet omwille van de intentie waarmee ze wordt uitgevoerd. Of iemand zieken verpleegt omdat God dat vraagt of omdat men geld wil verdienen, is hier niet van belang. Als het maar gebeurt volgens de regels der kunst.

Een groot aantal kerkgebouwen is monument, of stedebouwkundig een cruciaal onderdeel van landschap/buurt, en gezondheidszorg en onderwijs hoort tot de kerntaken van de overheid. Dus zal ze ook hospitalen en scholen uit de ‘katholieke (of andere) zuil’ blijven subsidiëren, maar niet ‘zonder meer’ en ook niet all-in. Het onderhoud van bepaalde kerkgebouwen zal dan via monumentenzorg en stedebouwkundig erfgoedbeheer verlopen. Maar nieuwe kerken bouwen, of moskeeën: prima, maar dat moet de religieuze gemeenschap dan wel zal betalen. Idem voor bestaande niet als monument of landschap erkende christelijke kerken. Religieuze componenten moeten religieuze gemeenschappen zelf organiseren en financieren. Het spijt me. Scheiden doet lijden. Het zal ook niet simpel zijn, maar een alimentatieregeling die nog geheel de geest ademt van ‘Napoleon’ verdient na 186 jaar inderdaad wel eens een update, sterker nog: het is tijd dat er een nieuwe geest gaat waaien.

Dick Wursten

Geef het onderwijs maar weer de schuld…

Niet het onderwijs faalt, maar de ‘menselijke soort’ schiet structureel tekort als het op sociaal gedrag aankomt. Met de vinger wijzen helpt niet…

Er kan geen samenlevingsprobleem in de media aan bod komen , of al spoedig klinkt het: ‘Ons onderwijs faalt‘… Maakt niet uit of het over het gebrek aan burgerschap gaat, of over godsdiensttwisten, of over radicalisering, racisme of seksuele vooroordelen. Altijd krijgt het onderwijs de schuld, meestal gevolgd door een oproep voortaan beter hun best te doen. Opgeheven vingertjes van stuurlui aan wal, die het natuurlijk altijd beter weten.

[…. schreef ik gisteren 4/9/2017, vandaag 5/9/2017 in De MORGEN, op p. 12-13: drie ervaringservaringsverhalen van jongeren over racisme op school met de stereotiepe kop.]

Ik ontken natuurlijk niet dat er enorme problemen zijn in de samenleving, en dus ook in het onderwijs. Een leraar die uit de bocht gaat (‘Zwijg, neger!”) is natuurlijk fout. Onbeschoft, zou ik zeggen. Een ‘beschavingstekort’. De schuld van die problemen bij het onderwijs leggen, is naast de kwestie. Zo machtig is de school niet en leraren zijn ook maar mensen en geen heiligen. Zo’n analyse (enfin, dat is teveel eer, het is maar een mening) opent dan ook geen zinvolle handelingsperspectieven, maar dekt de werkelijke stand van zaken toe. De problemen zitten veel dieper. Mw. Consuegra merkt dit terecht op in haar opiniestuk op p. 2: Het gaat niet over “rotte appels, maar diepe wortels…”. De mens discrimineert, altijd, en ook als hij het niet wil, doet hij het onbewust toch. Zij trekt echter de consequenties niet, namelijk dat we verder moeten kijken dan het onderwijs en de maatschappelijke opvoeding alleen. We moeten beginnen met de erkenning dat de mens als sociaal wezen faalt, d.w.z. structureel tekortschiet. Hij is genetisch, neurologisch, van nature of hoe u het ook noemen wilt, ‘not equipped’ om te leven in een hyperdiverse groep  – zie onder voor een basale uitwerking). Dieper kijken betreft echter niet alleen de schuldvraag (of beter: de vraag naar de oorzaak), maar dus ook de (on-)mogelijkheden tot remediëring. Maar eerst nog even iets over de rol van de school hierin.

School is geen opvoedingsinstelling

De school kan de opvoeding van de kinderen niet overnemen. Opvoeden moeten ouders doen en daarna is het vooral aan de groep waarin ze leven en zich bewegen (peer-group, breder: subcultuur, wijk/buurt). De school kan hoogstens proberen bij te sturen en doet dat meestal ook (- zij het soms wanhopig: ‘Als ze de schoolpoort uit zijn’ zo hoorde ik een leerlingenbegeleider ooit zeggen, ‘zijn ze alles weer vergeten’). Dat brengt mij dan bij een ander punt: Die opvoeding is niet haar kernopdracht. Een school is en blijft een onderwijsinstelling, geen opvoedingsgesticht. De pedagogische effecten van onderwijs en het ‘samenleven op school’ zijn er natuurlijk wel, maar die werken enkel omdat ze neveneffecten zijn. De schoolcultuur, de sfeer, de omgangsregels, die bepalen dat. Ja, het schoolreglement. Natuurlijk is ‘burgerschap’ belangrijk en moeten ‘sociale vaardigheden’ aangeleerd worden, maar dat laatste kan toch echt enkel en passant gebeuren (altijd dus, maar bijna nooit expliciet, laat staan als vak) en van dat eerste (‘burgerschap’) heeft iedereen z’n mond vol, maar ook dat is iets zeer complex, lastig onderwijsbaar, een attitude. Je kunt toch moeilijk een toets geven waarin je ‘goed gedrag’ meet. Als daar in mijn jeugd punten op werden gegeven dan was dat cijfer een vertolking van een algemene impressie. Je kunt de theorie ervan onderwijzen (maatschappijleer heette dat vak toen ik school liep. Het was in competitie met met ‘godsdienst’ om de titel: minst relevant), en het lijkt me niet meer dan logisch dat er eindtermen in deze zin worden geformuleerd? Maar verwacht er nu ook weer niet teveel van. Een misdadiger weet ook wel dat wat hij doet niet mag, maar hij doet het toch…

Niet het onderwijs faalt, maar de menselijke soort

Ik stel dus voor om de dingen bij de naam te noemen. Niet het onderwijs faalt, maar de ‘menselijke soort’ schiet ernstig tekort als het op sociaal gedrag aankomt. De mens is klaarblijkelijk van nature geneigd om sociaal te zijn voor z’n eigen mensen. Enkel de in-crowd kan op compassie en inzet rekenen, de rest moet maar afwachten hoe de bal rolt, de pet staat. Gelukkig valt het vaak mee. De in-crowd is flexibel, ze kan groeien in de loop van een mensenleven. Maar dat gaat niet vanzelf. Daar moet aan gewerkt worden, niet door te ‘preken’ en met opgeheven vingertjes. Neen, hij moet ‘geraakt’ worden, ervaren dat er meer ‘wij’ is dan hij aanvankelijk dacht. Dus niet via rationele redeneringen, maar via beleving. Als die negatief is, d.w.z. als men uitgescholden wordt voor neger op school (daarom is dat voorbeeld onthullend: één negatieve ervaring onthoud je een leven lang), of als men wordt afgeblaft door een groepje Noord-Afrikanen in de tram (ook hier is één ervaring genoeg om…), dan zijn alle positieve woorden over inclusiviteit een slag in de lucht. In een samenleving waar de diversiteit tussen groepen alleen maar toeneemt (ik sta niet te juichen als ik de samenleving al maar cultureel diverser zie worden. Voor mij staat dat gelijk met ‘ze valt steeds verder uit elkaar’), moet dit voor ieder weldenkend mens een aandachtspunt zijn, altijd, overal en dus ook op school. In die volgorde. Anders scheurt het sociale weefsel nog verder. 

Het is tijd voor een ‘Erziehung des Mensengeschlechts’ 2.0

De remedie zal dus ook niet van de school alleen kunnen komen, zeker niet wanneer de pedagogische visie van de school niet door de samenleving wordt gedragen en in de samenleving voorgeleefd. ‘Woorden wekken, voorbeelden trekken’,  zeiden we vroeger. De mens-als-gemeenschapswezen die een grotere diversiteit kan omvatten dan enkel de eigen groep zal zichzelf moeten uitvinden. Het is niet anders. Een beschavingsopdracht van jewelste. De school kan en zal en wil haar steentje zeker bijdragen in dit opvoedingsproject, maar kan dat enkel als mensen ook buiten school voelen dat ‘het klopt’. Het gevoelsleven is ondeelbaar. In dat nieuwe samenlevingsbrede ‘pedagogische project’ zal – anders dan vandaag – de complexiteit en de onaangepastheid van de menselijke soort op niet moraliserende wijze moeten worden geïntegereerd, anders wordt het een luchtkasteel. Kortom: tijd voor een nieuwe ‘Erziehung des Menschengeschlechts‘ (Lessing). Denken dat je met minder toekomt, of dat de school het wel zal oplossen, is jezelf blaasjes wijsmaken. In the meantime: Stoppen met zwartepieten, de problemen aanpakken waar ze zich stellen, en samen met alle – feilbare – mensen van goede wil blijven werken aan samenlevingsopbouw.

Dick Wursten

 

 

 

 

Wie definieert wat gematigd is?

Religie is maar één aspect van een veelkleurige menselijke persoonlijkheid

in iets gewijzigde vorm ook verschenen in De STANDAARD 11 FEBRUARI 2017 | Dick Wursten

Het uitgelekte OCAD-rapport over radicaal salafisme noopt politici tot maatregelen. Dick Wursten waarschuwt voor contraproductieve effecten.

De laatste dagen ben ik geregeld van mijn stoel gevallen als ik weer eens een bevoegde minister of partijvoorzitter hoorde vertellen hoe men de dreiging van het jihadisalafisme, op tafel gelegd door het OCAD (DS 8 februari) , zou gaan aanpakken. Er zouden door de staat gesubsidieerde imamopleidingen komen, men zou proberen de geldkraan vanuit Saudi-Arabië dicht te draaien en zo een dam opwerpen tegen het fundamentalisme. Jammer, maar zo werkt het niet. Dat wil zeggen: Natuurlijk moet de Belgische overheid het lef hebben om de inmenging van buitenlandse mogendheden  (i.c. Saudi Arabië) een halt toeroepen. Maar dat doet ze toch niet (Erst kommt das Fressen, dann die Moral). En met dat andere voorstel (staats-imams opleiden) toont de overheid dat ze niet weet wat ze doet. Ze slaat de plank volledig mis en schendt en passant ook nog even de scheiding van kerk en staat door zich met de inhoud van de islam te bemoeien. Fundamentalistische stromingen, zoals het salafisme, zijn parasieten. Zij bestaan door zich af te zetten tegen de mainstream. Die is volgens hen te zwak, te laf, te werelds, past zich te veel aan, doet water in de wijn, is te westers (Boko Haram). Handige fundamentalistische predikers verwijten de mainstream-kerk of -moskee dat ze gemene zaak maakt met de overheid. In mijn – protestantse – traditie was het in de vorige eeuw bon ton in fundamentalistische kringen te verwijzen naar de overheidssubsidie die de ‘staatskerk’ (zo noemden zij minachtend de mainstream-protestantse kerk) zich liet welgevallen. Het ultieme bewijs dat ze niet zuiver op de graat was.

Groeien tegen de stroom in

Het bericht dat de Belgische staat imams gaat opleiden (helpen opleiden eigenlijk, maar subtiliteit is niet de forte van fundamentalisten) is koren op de molen van de fundamentalistische stromingen zoasl het Salafisme. Zij hebben er een argument bij om moslims die toch al een beetje twijfelen of ze wel helemaal goed bezig zijn naar hun kamp te halen. Zie je wel dat die andere moslims hun ziel eigenlijk al verkocht hebben voor wat staatssteun! Salon-moslims zijn het, die een wit voetje willen halen bij de ‘heidenen’. Door de opleiding voor gematigde imams te financieren zal de radicalisering niet worden tegengehouden. Het werkt zelfs averechts. Radicale stromingen gedijen het best als ze bestreden worden en het gezag van de gematigde groep neemt af naarmate ze zich meer laat subsidiëren. Zo zitten fundamentalistische geloofsbewegingen nu eenmaal in elkaar. Ze zijn een world in opposition en groeien tegen de stroom in. Herinner u: ‘Het bloed der martelaren is het zaad der kerk’. De protestantse reformatie 500 jaar geleden had haar grote succes voor een deel te danken aan de manier waarop ze werd tégengewerkt. Doordat alles te investeren in tegenwerking (toen deed men nog aan regelrechte vervolging) vergat men te luisteren naar wat mensen echt wilden. Chams Eddine Zaougui heeft daarom deels gelijk als hij erop wijst dat veel salafistische jongeren niet veel meer willen dan gewoon met rust gelaten te worden zodat zij ‘hun religieuze ding’ kunnen doen (DS 10 februari), terwijl ze verder gewoon burger van België zijn, werken, trouwen, kindjes krijgen en geld uitgeven. Laat ze toch en blijf contact met ze houden, zodat ze zich niet gaan isoleren, want dat is het gevaar. Dan wordt het een gesloten groep. En als zo’n groep zich in woord en gedrag zich tégen de samenleving keert, dan moeten we natuurlijk ook niet naïef zijn. Verder geldt: ook een religieuze identiteit kan in de loop van het leven veranderen, en is – godzijdank – meestal ook maar een deel van een veelkleurige identiteit als mens.

Vrijheid van godsdienst

Wat mij ook verbijsterde is dat niemand de afgelopen week z’n vinger opstak en voorzichtig vroeg: ‘Meneer de minister, kan dat eigenlijk wel dat een overheid zich bemoeit met de inhoud van een godsdienst?’ Ik dacht dat er zoiets bestond als ‘de vrijheid van godsdienst’ en dat dat op z’n minst betekent dat de godsdiensten inhoudelijk gevrijwaard zijn van overheidsbemoeienis. En ook al staat het niet letterlijk in onze grondwet, er is toch zoiets als een ‘scheiding van kerk (moskee) en staat’? En nu zegt de overheid unverfroren dat ze ‘gematigde’ imams wil gaan opleiden. Ik heb daar enkele vragen bij. Wie definieert wat ‘gematigd’ is? Valt daar onverdoofd slachten onder? De hoofddoek? Gemengd zwemmen? Vrouwen een hand geven? Gelijkwaardigheid van man en vrouw? Indien niet, wie beoordeelt dat dan? Dit is een logische onmogelijkheid. Elk standpunt zal theologisch zijn, en dus een andere groep moslims discrimineren, nog los van het gegeven dat het, zoals gezegd, koren op de molen zal zijn van de fundamentalisten. Transponeer deze gedachteoefening eens naar de christelijke kerk (overheid gaat ‘gematigde priesters opleiden’ en enkel kerken die deze priesters aanstellen zullen nog gesubsidieerd worden) en u voelt dat hier iets niet klopt. Ik denk dat het goed is dat men zich ook in België realiseert dat de vrijheid van godsdienst altijd twee zijden heeft. Enerzijds is er een vrijheid om allerlei religieuze impulsen te uiten, vorm te geven (freedom of expression), anderzijds moet de overheid ook de handen thuis houden als het hulpverlening aan een religieuze stroming betreft (non-establishment). Ze kan het niet maken dat ze de ene religie wel en de andere niet ondersteunt. Ook dat is discriminatie. Hetzelfde geldt voor interne selectie binnen een religie. Het is alles of niets. Of de overheid neemt de opleiding van alle (erkende) erediensten voor haar rekening, of van geen een. [hier is m.i uiteindelijk maar één logisch consistent antwoord mogelijk: géén. Alle andere opties spreken impliciete waardeoordelen uit en discrimineren dus]

Inzetten op onderwijs

Natuurlijk begrijp ik dat de overheid gevaarlijke radicalisering van bepaald gedachtegoed wil tegengaan. Maar ze moet die bestrijden met haar eigen middelen. Zo kan ze bijvoorbeeld inzetten op goed onderwijs. Dat werkt altijd emanciperend en maakt jonge mensen weerbaar tegen elke vorm van sectarisch denken. Ze kan ook zonder zich met de opleiding van imams te bemoeien haatzaaiende imams en loslopende predikers die tot geweld oproepen ook nu al juridisch vervolgen. Godsdienstvrijheid is geen vrijbrief voor misdadigheid. Maar de overheid moet niet denken dat zij op dit terrein winst kan behalen door zich te mengen in de manier waarop een religie zichzelf organiseert. Als ze dat toch doet, schiet ze zich in eigen voet. Ze moeit zich als de tovenaarsleerling met een materie die ze klaarblijkelijk niet beheerst en speelt en passant – zonder dat ze er erg in heeft – de fundamentalistische stromingen binnen de religies in de kaart.

Dick Wursten  

P.S.: Doorgaand op deze analyse denk ik dat er uiteindelijk maar twee opties zijn op dit terrein: 1. contractual religious freedom. Dan kan de staat voorwaarden stellen aan die erediensten die ze subsidie verschaft. 2. De Amerikaans-Franse oplossing (Bill of rights), waarbij freedom of expression gekoppeld is aan een non-establishment clausule, waarin de geldkraan vanuit de overheid richting religieus geïnspireerde initiatieven principieel dichtgaat. Enkel handelingen (bijv. ziekenverpleging, onderwijs volgens het curriculum) die objectief meetbaar overeenstemmen met wat de staat wenselijk acht komen in aanmerking voor subsidie. Dus christelijke ziekenhuizen, christelijke scholen: no problem voor dat deel van hun handelingen, maar niet voor de religieuze omkadering. En bij betwisting: Het recht oordeelt nooit op grond van intenties maar op grond van daden/feiten (acts). Tamelijk radicaal voor België, maar volgens mij de enige gezonde oplossing op de lange termijn.