Montaigne wist het al…

Tout cela c’est un signe tres-evident que nous ne recevons nostre religion qu’à nostre façon et par nos mains, et non autrement que comme les autres religions se reçoivent. Nous nous sommes rencontrez au pays, ou elle estoit en usage, où nous regardons son ancienneté, ou l’authorité des hommes qui l’ont maintenuë, où craignons les menaces qu’elle attache aux mescreans, où suyvons ses promesses. Ces considerations là doivent estre employées à nostre creance, mais comme subsidiaires : ce sont liaisons humaines. Une autre region, d’autres tesmoings, pareilles promesses et menasses, nous pourroyent imprimer par mesme voye une creance contraire. [B] Nous sommes Chrestiens à mesme tiltre que nous sommes ou Perigordins ou Alemans.

Apologie de Raymond Sebond, 1580, Essays II,12 – cursivering van mij [B = toevoeging van Montaigne in een latere editie, 1595], hier de tekst met context.

[ENGLISH – Michael Screech]: All this is a clear sign that we accept our religion only as we would fashion it, only from our own hands – no differently from the way other religions gain acceptance. We happen to be born in a country where it is practised, or else we have regard for its age or for the authority of the men who have upheld it; perhaps we fear the threats which it attaches to the wicked or go along with its promises. Such considerations as these must be deployed in defence of our beliefs, but only as support-troops. Their bonds are human. Another region, other witnesses, similar promises or similar menaces, would, in the same way, stamp a contrary belief on us. [B] We are Christians by the same title that we are Périgordians or Germans.

[NEDERLANDS – Hans van Pinxteren]: Dit alles toont heel duidelijk aan dat wij het geloof op onze eigen manier in ons opnemen en het naar onze hand zetten, precies zoals dat bij andere godsdiensten gaat. Wij zijn geboren in een land waar dit nu eenmaal het geloof is; ofwel wij kijken hoe oud het al is of welke grote mannen ervoor opgekomen zijn, ofwel we zijn bang voor de straffen waarmee de ongelovigen worden bedreigd, ofwel wij jagen zijn beloften na. Zulke overwegingen behoren ons te sterken in onze overtuiging, maar mogen nooit op de eerste plaats komen: het zijn verbanden die de mens zelf legt. Een andere religie, andere voorvechters zouden ons met eendere beloften en dreigementen voor hetzelfde geld het tegengestelde kunnen laten geloven. [b] Wij zijn even vanzelfsprekend christen als we Gascogner of Duitser zijn.

Wil de ware islam nu opstaan..?

“Ik zoek een ijkpunt om te weten wat nu wel en niet islam mag heten”, zei Jan Leyers aan het eind van het gesprek, gisteravond (nine-eleven, 2017) op canvas. En daarmee legt hij de aporie bloot die al die discussies over de plaats van religie in de samenleving zo vermoeiend maakt. Dat ijkpunt is er namelijk niet, terwijl elke willekeurige groep mensen het recht heeft om het te claimen. Iedereen mag dus zeggen dat hij/zij ‘de ware islam’ verkondigt, en de anderen afschrijven als halflings, ketters, afvalligen, fundamentalisten, libertijnen, bedriegers, ongelovigen etc., en vice versa en tot in eeuwigheid, amen. Zolang deze aporie niet wordt gethematiseerd zal religie een ‘unruly thing’ blijven en zal het geweld dat inherent is aan zulke taal ook reële vormen blijven aannemen.

KORTE Toelichting: Religies zijn en blijven menselijke constructies , waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke religie is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen en degene die suggereert dat hij dat wel kan, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah of paus noemt.

LANGE toelichting (geschreven in de nasleep van Charlie Hebdo, jan. 2015 (toen religieuze leiders over elkaar heenvielen om te verklaren dat de jihadi’s ‘geen echte moslims’ waren), maar nog steeds relevant volgens mij)

DE islam, HET christendom, wie bepaalt eigenlijk wat dat is? En: is er een criterium om ‘echte islam’ van ‘valse islam’ te onderscheiden ? Iedereen schijnt daar zomaar van uit te gaan als je de reacties op de terreur in Parijs leest. Men veronderstelt blijkbaar dat ‘de islam’ ergens gedefinieerd is, of zou kunnen worden en vervolgens onderscheiden van de visie die jihadisten c.s. daarop hebben. Het probleem is echter dat niemand, maar dan ook echt niemand, in de positie is om dat te doen. Niemand kan zeggen wat wel ‘islam’ is en wat niet. En voor u denkt dat de islam weer eens geviseerd wordt, u mag in plaats van ‘islam’ ook lezen: ‘christendom’ ‘wicca’, ‘vrijzinnig humanisme’ etc. Het antwoord in al deze gevallen is namelijk hetzelfde. Geen enkele persoon of groep (ook niet de nominaal grootste) kan die definitie geven, hoewel bijna elke groep zèlf wel meent dat zij in die positie is. De paus claimt bijv. dat hij kan zeggen wat ‘het christendom’ is, maar ik ben het al niet met hem eens. Ik ben namelijk een christen van de protestantse familietak en de paus komt in mijn versie van het christendom enkel aan de rand voor (en daar nog eerder negatief dan positief). En Jezus kan het zelf niet meer uitleggen, gesteld al dat hij een godsdienst had willen stichten (wat ik overigens niet denk, maar dit terzijde).

Levensbeschouwingen (of ze nu godsdienstig zijn of niet) zijn constructies, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities.

Het lijkt me niet onnuttig in het huidige debat over de plaats van godsdienst in onze samenleving ons hiervan rekenschap te geven. Anders blijven we langs de werkelijkheid heenpraten en krijgen we de vinger niet op de wonde. En dat is toch nodig wil er heling kunnen plaatsvinden. Levensbeschouwingen (of ze nu godsdienstig zijn of niet) zijn constructies, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke levensbeschouwing is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen. Iedereen zal van mening zijn dat hij zelf de beste, de meest juiste, de zuiverste opvatting heeft, maar daarmee is dat nog niet zo. Luther en de paus raakten in deze valkuil verstrikt in de 16e eeuw betreffende de definitie van het christendom, zij verketterden elkaar over en weer, en even later was het oorlog. Je kunt ook niemand het recht ontzeggen te claimen dat hij of zij deze of gene godsdienst aanhangt. Je kunt enkel ernaar streven om het gesprek daarover op een zinvolle manier te organiseren, zoals we binnen het christendom door schade en schande hebben geleerd. Voorwaarde is echter dat alle deelnemers aan het gesprek het uitgangspunt accepteren (nl. dat hij ‘god niet in z’n broekzak heeft’): God mag dan wel eeuwig zijn of absoluut, onze interpretatie van wie Hij (of Zij of..) is, staat principieel open voor discussie.

Naar vandaag toe. Degene die suggereert dat hij of zij met beroep op de ‘echte islam’ helderheid kan scheppen op het terrein van de vele opvattingen die over de islam de ronde doen, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah, imam, Ahmed of Charlie noemt.

Het lijkt me dan veel zinvoller om er voortaan op te letten als we over godsdiensten of levensbeschouwingen spreken, dat we een verduidelijking toevoegen, in de zin van:  volgens mijn interpretatie van het christendom…, of zoals wij hier te lande de islam beleven… etc. Dan benader je levensbeschouwingen niet als quasi onveranderlijke instituten, maar als menselijke fenomenen (die al dan niet geïnstitutionaliseerd zijn met het oog op bepaalde functies). De aanpak van de manier waarop godsdienstige overtuigingen hun plaats dan kunnen krijgen in de maatschappij, kan vervolgens gediversifieerd worden en het debat erover zal aan nuance winnen.

15 januari 2015, Dick Wursten

P.S. Praktisch Syllogisme. Hebt u geen zin in thorastudie, evangelie-onderzoek of koranles, dan is hier een shortcut voor een realistische inschatting van de mensvisie van diverse godsdienstige groeperingen: Kijk naar het gedrag van degenen die in onze tijd te kennen geven dat zij tot een bepaalde godsdienst horen. Daar wordt dan eenvoudig zichtbaar of men erin geslaagd is de geweldsteksten onschadelijk te maken: Aan de vruchten kent men de boom !

Religie, godsdienst, godsdiensten: Hoe zit dat ?

Voor wie ouder is dan 50 weet dat op het terrein van de ‘dienst aan god’ de meervoudsvorm eigenlijk omstreden is. Niet bij godsdienstwetenschappers (buitenperspectief), maar van binnenuit, bijv. vanuit christelijk perspectief. Om voor mezelf te spreken: Toen ik jong was, bestond er maar één ware godsdienst (de onze natuurlijk) en wat er aan geloof, godsdienst en religiositeit buiten het christendom nog bestond, was een vorm van afgoderij (onware, valse godsdienst). Wij – protestanten – waren hierin zelfs heel strikt: Wij vonden ook de rooms-katholieke variant afgodisch (Zo stond het in onze catechismus). Via de optie van een ‘natuurlijke oer-religie’ konden wij wel bepaalde elementen in andere religies waarderen, maar  – als het erop aan kwam – in essentie alle andere godsdiensten, dwalingen, waarvan mensen moesten verlost worden door de verkondiging van het enige ware verhaal (‘bekeringsmodel’: conversio). Een ingewikkelde tussenpositie nam het Jodendom in, maar daarmee heeft het christendom dus ook nooit echt raad geweten.

  1. De opvatting dat er maar één godsdienst mogelijk is (namelijk de christelijke: de vera religio) en dat alle ander vormen van ‘godsdienst’ in meer of mindere mate afgoderij zijn (falsa religio)  heeft de kerkgeschiedenis gedomineerd, maar is historisch gezien niet de oudste. Eerst waren er vele godsdiensten naast elkaar, zoals er ook vele goden bestonden, die meestal territoriaal en nationaal waren (zo ook in het OT). Via de exclusieve verering van één God (mono-latrie) is de overgang gemaakt naar de negering van andere goden (zij zijn ‘nietsen’ = OT, dominant in NT) en tenslotte tot de opvatting dat er maar één God is. De ‘andere goden’ worden dan vaak anti-krachten en gerubriceerd bij de ‘duivel’ (die in de oudste teksten van de bijbel niet voorkomt). U ziet het: het menselijke verbeeldingsvermogen moet overuren draaien om de realiteit van de godenwereld voorstelbaar te maken.
  2. Binnen de Joodse godsdienst is er nooit een universele en bewuste erkenning (laat staan verering) van die ene God die zij vereerden vereist. Het Joodse volk had het voorrecht (en de last, de opdracht) om deze God bewust te vereren en zijn voorschriften te volgen. Andere volkeren mochten ‘op hun wijze zalig worden’ als ze zich maar wat humaan gedroegen. Pas bij de christelijke sprongvariatie van de Joodse godsdienst (= Paulus) verandert dat: de boodschap wordt universeel en opeens wordt de kwestie rond ware/valse godsdienst urgent. De evangelisatie/zending is geboren. De islam neemt dit element later over, en maakt er een erezaak van.
  3. De benadering van het religieuze vanuit de vraag: dient men de ware God of niet is zo bezien een gevolg van het succes van de christelijke, monotheïstische godsdienst die mythe, rite, ethiek en zingeving (voor het eerst ?) in één systeem samenbracht (A.D. Nock). Het werd een ‘alles of niets’ gebeuren.
  4. In de antieke wereld, zowel de Griekse als Romeinse, werd het domein van de religie bepaald door een de verering van een veelheid aan goden. Niet een uitgekristalliseerde theologie (‘leer, dogma’) kenmerkte de godsdienst, maar een geheel van mythen en riten. De universaliteit werd niet via een exclusieve totalitaire visie gegarandeerd, maar door een inclusieve plurale visie: in het pantheon was plaats voor alle goden, op voorwaarde dat ze tevreden waren met hun eigen verering (een probleem met sommige Egyptische goden en vooral met de Joodse godsdienst, en dan dus ook met het Christendom). De godsdienst speelde vooral een rol in het politieke, huiselijke en natuurlijke leven. Het kon functioneren als instrument in dienst van machthebbers ten opzichte van de onderdanen (civil religion zouden wij nu zeggen – de bijna exclusieve onderlijning hiervan in de Verlichting had natuurlijk anti-christendommelijke trekjes); maar ook als instrument in handen van de mens (individueel en in groep) tegenover datgene wat hem te boven ging in de natuurwerkelijkheid: Het domein van ethiek, zingeving werd niet zozeer door de religie bepaald, maar door de filosofie (ratio)? Dat verandert dus als het christendom die opeist, maar blijft als interne (verborgen) spanning in de theologie no eeuwenlang sluimeren.
  5. In de Oorsterse wereld ? Naast mystieke opvattingen over de aard van de werkelijkheid (mi-religieux, mi-philosophe) in het Hindoeïsme/Boeddhimse zijn er ook – zeker in China – zeer pragmatische bijna a-religieuze levensbeschouwingen te vinden (confucianisme bijv.)

A ‘classic’ op dit terrein: A.D. Nock, Conversion (1933). Zijn algemene idee (En hij was een zeer erudiet man): In de antieke wereld wordt de plaats (de rol) die het geloof (faith) bij ons speelt ingenomen door mythe and rituelen en heeft eerder te maken met een levenshouding dan met een overtuiging: ‘ They were efficient in/by themselves, not because they were ‘true’ (in a theological sense). Op p. 163 van zijn boek heeft hij het dan over de reservations towards the ‘new religion’ of Christendom die bij de meeste Romeine leefden:

Worship had no key to life’s meaning: that was offered by philosophy; but precisely because worship rested on emotion and not on conscious theory and thinking, it had deeper roots in their natures, and was not easily refuted by reason. Christianity is new in this sense that in it for the first time in history philosophy (the human search for truth and the meaning of life) coincided with the adherence to a specific religion with a strong doctrinal aspect. Now the meaning of life had to be found in religion (worship and beliefs, rite and myth) and was no longer a free human quest.

 

Nog een citaat: p. 267-269

In the light of this survey the advance of Christianity stands out as a phenomenon which does not stand alone but has parallels which makes its success not wholly incomprehensible. There were other forms of belief at the time which won adherents among men who were not called to them by anything in their antecedents. And yet these very analogies enable us to see the differences the more clearly. The other Oriental religions in Roman paganism… were neither Oriental nor religious in the same degree. They had not brought a compact body of doctrine or of accessible sacred literature from the Nearer East with them; in so far as they appealed to men who did not come from the lands of their origin it was in forms which were fully hellenized, at least fully hellenized in matters of fundamental thought and above all in their expectations of the hereafter. This is true in spite of the exotic appearance which they had and sometimes artificially adopted for purposes of effect.
Christianity avoided the exotic in externals and retained it in doctrine, in its doctrine of the last things and of the hereafter, in its sacred literature, available to all and sundry but not accommodated to classical style and classical thought, in its peculiar and unbending view of history.
The Oriental mystery religions were not Oriental in the same sense as Christianity. Neither were they religions in the same sense. Theology might be and was applied to them: beliefs and hopes and interpretations clustered around them, but they were fluid and the interpretations came from outside, from Greek speculation and from the earlier habits of the Greek mind in religious things. And, as we have seen, there was no body of faithful throughout the world, no holy Isiac (Isis) or Mithraic church, no Isiacs even, except as the members of a local association, with a devotion and belief which an Isiac from elsewhere could recognize.
Greek philosophy was applied to Christianity… but, as applied to Christianity, it was applied to what was already much more of an entity. In Christianity it was used for the interpretation of a body of doctrine widely held by men speaking Greek and Latin… it was capable of being made intelligible and it was removed from Judaea early enough to become part of the larger world.