God woont in Berchem

De God die oud-Berchem z’n vorm gegeven heeft, zo bleek al snel in de eerste aflevering, is quasi verdwenen uit de wijk. De laatsten der Mohikanen zijn er nog èn ze zijn dapper. Maar verder zijn er vooral versteende overblijfsels van die oude God, monumenten, letterlijk. Ze vertellen van een verleden, maar niet meer van een toekomst. De vraag van (her)bestemming dringt zich op. En dan: de nieuwe goden die zijn plaats moeten innemen, ze kwamen aan bod in de tweede en derde aflevering: De Pentecostal God uit Afrika en de aan Turkije gelieerde God van de islam. Ze spreken me geen van beiden aan, maar dat is niet erg. Leven en laten leven. Het wordt echter een probleem omdat die ‘goden’ nogal segregerend blijken te werken, d.w.z. dat ze de etnische identiteit die de groep heeft versterken. Dat bleek toch ook wel heel duidelijk uit die beide afleveringen. Ze wilden dat geen van beide – en de voorgangers spanden zich in om dat te benadrukken – maar de enkele blanke participanten (in het geval van de Pinksterkerk) konden de algemene indruk niet wegnemen: godsdienst en afkomst horen bij elkaar. Bij de aflevering over de moslims, was de identiteit van Turk-zijn en moslim-zijn zelfs tot in de titel van de aflevering doorgedrongen: Die ging niet over God in Berchem, maar over de Turkse gemeenschap van Berchem. God was in het woord ‘Turks’ blijkbaar al geïmpliceerd.

Is dat erg? Jazeker.

Het versterkt namelijk het wij-zij denken doordat het aan elementen die bij de afkomst horen (cultuur, land van herkomst, huidskleur, gender) en waarvan iedereen het relatieve karakter wel kan inzien – de een al wat makkelijker dan de ander – een geestelijke, godsdienstige en morele waarde. Hoe vaak werd er bijv. in de aflevering over de Turkse islamgemeenschap niet gesproken over ‘onze normen en waarden’ en dan bedoelde men zowel de Turkse als de islamitisch. Die dekten elkaar zodanig dat ze inwisselbaar werden. Dat is heel tricky. Immers: de Turkse identiteit – hoe sterk ook – kan op zich nog wel gerelativeerd worden. Men kan bijv. ook tegelijk Belg zijn. Dat is al een eerste relativering. Maar door de identificatie van dit Turks en islamitisch, zijn de facto Turkse normen en waarden (opvattingen over goed en kwaad, man en vrouw, incl. politieke stellingsnames van Turkse politici) geladen met religieuze energie. Ze zijn absoluut geworden, want gelieerd aan de goddelijke koran. Hierdoor gaat de sociale groep waartoe je behoort (of je dat nu wilt of niet) samenvallen met ‘de mensen die God dienen’. De sociale gewoontes, oordelen en vooroordelen, worden zo opgewaardeerd tot een in God zelf gefundeerde set van eeuwige normen en waarden. Men wil nog wel tot beide culturen behoren, maar de nieuwe cultuur schiet tekort, want ze kent de ware God niet. Ze heeft ‘andere normen en waarden’ (versta: verkeerde). De Vlaamse cultuur (zo die al bestaat) wordt beoordeeld op compatibiliteit met de eigen cultuur/religie. Dat wringt en dat doet ook pijn aan de Vlaamse kant. De veroordeling van de Westerse normen en waarden was – impliciet – constant aanwezig. De religieuze identiteit (die onderling sterk verbindend werkt) heeft op sociaal terrein dus een dramatisch scheidend effect. Dit geldt overigens zowel voor de Afrikaanse pentecostal-gemeenschap als voor de Turkse moslim-gemeenschap.

Omdat religieuze identiteit (die tot de persoonlijke vrijheid behoort) ook altijd een groepskenmerk is, moet een samenleving die investeert in de opbouw en uitbouw van religie (en België wil dat, krachtens haar grondwet) goed opletten op wat ze wel en wat ze niet ondersteunt. Van mij mag ze de individuele vrijheid van godsdienst steunen, maar alleen als ze er tegelijk op let dat haar steun de sociale segregatie in de uitbouw van de religie niet versterkt. Dat is m.i. vandaag de dag teveel het geval. Niet beoogd, maar wel een feit. Het tegenovergestelde van goed is niet fout, maar goed-bedoeld.