Een druppel holt de steen uit…

Een spreekwoord wil, dat een druppel een steen uitholt, niet door geweld, maar door dikwijls op dezelfde plek neer te pletsen. In het Latijn: ‘Gutta cavat lapidem non vi, sed saepe cadendo‘. Dit zou een Latijnse vertaling zijn van een Grieks gezegde (Fragment 10) van Choirilos van Samos, een episch dichter uit de tweede helft van de 5de eeuw v.C.* Om dezelfde idee uit te drukken, heeft Ovidius (Epistulae ex Ponto 4,10,5) enkel het begin van het eerste deeltje ervan, en hij voegt er een ander voorbeeld aan toe: ‘Gutta cavat lapidem, consumitur anulus usu.’ (een druppel holt een steen uit, en een ring slijt af door het gebruik.)

In de Middeleeuwen heeft ook een anonieme auteur er een ander voorbeeld bijgevoegd: ‘Gutta cavat lapidem non vi, sed saepe cadendo. Sic addiscit homo non vi, sed saepe legendo.’ (Een druppel holt een steen uit, niet door kracht, maar door dikwijls te druppelen. Zo leert een mens bij, niet door kracht, maar door veel te lezen.)

Ook Lucretius (De rerum natura 1, 313) werd ooit getroffen door het druppelen van een dakgoot en wat daarvan het gevolg was: ‘Stillicidii casus lapidem cavat.’ Een ‘stilla’ is een ‘druppel’; ‘‑cidium’ komt van het werkwoord ‘cadere, cecidi, casurus sum’ (vallen); de twee samen: ‘het druppelen’, ook ‘dakgoot’. Het tweede woord, casus’ (het vallen) klinkt als een tautologie of dubbel gebruik: het komt eveneens van ‘cadere’.

Bij Ovidius komt hetzelfde begrip nogmaals voor, zij het in enigszins andere be woording. In zijn Ars amatoria (1, 475‑476) vraagt hij zich af: ‘Quid magis est saxo durum, quid mollius unda? Dura tamen molli saxa cavantur aqua.’ (Wat is harder dan een rots, wat zachter dan water? Nochtans worden harde rotsen door het zachte water uitgehold.) ‘Cavare’ is ongeveer hetzelfde als ‘excavare’, verleden deelwoord’excavatus, ‑ta, ‑tum’ (uithollen, uitgraven). Van ‘cavare’komen onder meerde Franse woorden’cave’ (kelder), ‘caveau’ (grafkelder), ‘cavée’ (holle weg), ‘caverne’ (grot, hol, spelonk)…

In veel gemeenten met een ietwat heuvelachtige bodem, heeft men ooit een straat aangelegd door het bultige in het landschap uit te hollen. Zo’n straat krijgt dan als benaming iets als ‘Holleweg’ of  ‘Holstraat’ of ‘Hollestraat’; in het Latijn: ‘via excavata‘ (uitgeholde weg). Dat werd’via scavata’. Het eerste woord verdween, en ‘scavata’ werd in het Middel‑Nederlands’scavei’ (groef) en later in het Nederlands’schavei’. Zo heet een uitgeholde straat onder meer in Overijse.

BART MESOTTEN 28 juni 2002 DS

* Fragment 10: πέτρην κοιλαίνει ῥανις ὕδατος ἐνδελεχείῃ.’ (Choerilus Epic. Samius, Fragmenta dubia. 330. in: H. Lloyd-Jones and P. Parsons, Supplementum Hellenisticum. Berlin: De Gruyter, 1983: 152)

 

Life is like a cup of tea

Around the turn of the century a newly ordained rabbi was sent out from his yeshiva on the lower East Side of New York to become the first rabbi to minister to a congregation in Alaska. His old teacher bid him farewell, blessed him, and said, “And remember, my son, always remember—life is like a cup of tea.
The young rabbi went out to Alaska, and he was very busy there, but every now and again he would think of what his teacher had said, and he would wonder what this saying meant. After seven years his congregation let him take a vacation. He went back to New York, visited the yeshiva, and went to see his old teacher. “I’ve always wanted to ask you this,” he said. “When I left the yeshiva, when you gave me your blessing, you said to me— ‘life is like a cup of tea.’ Tell me rebbe, what did you mean?
Life is like a cup of tea?” asked the old man. “I said this?
Yes, you did. What did you mean?” The old man thought for a while, then he said, “Nu, maybe life is not like a cup of tea.

[gelezen in Peter L. Berger, Redeeming Laughter: the comic dimension of human experience (1997), p. XV]

Proost!

Hoe wel en hoe niet werken aan deradicalisering (David Kenning)

David Kenning pakt een vel papier en tekent met pijltjes vier manieren om de invloed van vijanden tegen te gaan:

  1. Directe confrontatie – You’re wrong, I’m right ! „Dat was de Amerikaanse methode in de tijd dat ik Jim Glassman ontmoette. Ze hadden een filmpje waarin je allemaal terroristische explosies zag, eindigend met de vraag: ‘Is dit wat je wilt?’ Het aantal nieuwe terroristen schóót omhoog.”
  2. Afleiding – je moet mij niet aanvallen, maar hem. „Heel effectief gedaan in de ‘Sunni Awakening’ in 2007, toen de internationale coalitie erin slaagde soennitische stamhoofden in Irak te overtuigen dat Al Qaeda een gevaarlijker vijand was.”
  3. Verschuiving – uitdragen dat je niet alleen een goede moslim kunt zijn in de strijd, maar ook door hulp te bieden.
  4. Dissolution – „mijn manier,” zegt Kenning: oplossing, ontbinding van emoties die extreme overtuigingen en handelingen aanwakkeren.

Drie fragmenten uit dit interview vindt u hier. Hieronder enkele – controversiële – opvattingen:

  • De oorzaak van extremistisch geweld is niet van belang voor de bestrijding ervan. Mensen krijgen een identiteit mee van ouders, vrienden, gemeenschap. En soms zit die identiteit niet lekker en gaan mensen opzoek naar een nieuwe. De propaganda van IS is toegesneden op dit dilemma. Hoor je nergens bij? Dan mag je bij ons horen. „In deze wereldwijde band of brothers krijgt de zelfmoordaanslagpleger een nieuwe identiteit.”
  • Je kunt geen invloed uitoefenen op de factoren die leiden tot extremisme. „We kunnen hem zijn vriendinnetje niet teruggeven, de pijn niet wegnemen van zijn vader die hem sloeg, zijn baas niet dwingen moslims aardig te vinden. We kunnen de spanningen die worden veroorzaakt door het westers buitenlands beleid niet wegnemen.”
  • Het is zinloos om zijn religieuze overtuigingen tegen te spreken – dat neemt hij toch niet van ons aan. „Tegen de tijd dat de overheid deze jongeman tegenkomt, hebben deze factoren hun werk al gedaan. Wij kunnen dus alleen nog maar wat met zijn geest. Die kunnen we weerbaar maken, open voor twijfel en voor andere ideeën.”
  • Het gekke van identiteit, zegt Kenning, is dat het bijna belangrijker is hoe de ander je aanspreekt dan hoe je naar jezelf kijkt. Hij zelf is opgegroeid in Noord-Ierland en dateert van vóór de gewelddadigheden losbarstten: „Wij voelden ons geen protestanten, maar de anderen gingen ons als protestanten zien.” Dit is volgens hem het voornaamste doel van Al Qaeda’s aanslagen van 11 september: verdelen, polariseren, radicaliseren.
  • De tegenhanger van ‘David Kenning’ is ‘Abu Ont-Kenning’.

Meer dus op deze pagina of het hele interview op nrc.nl (als het niet achter de betaalmuur zit)

Geef het onderwijs maar weer de schuld…

Niet het onderwijs faalt, maar de ‘menselijke soort’ schiet structureel tekort als het op sociaal gedrag aankomt. Met de vinger wijzen helpt niet…

Er kan geen samenlevingsprobleem in de media aan bod komen , of al spoedig klinkt het: ‘Ons onderwijs faalt‘… Maakt niet uit of het over het gebrek aan burgerschap gaat, of over godsdiensttwisten, of over radicalisering, racisme of seksuele vooroordelen. Altijd krijgt het onderwijs de schuld, meestal gevolgd door een oproep voortaan beter hun best te doen. Opgeheven vingertjes van stuurlui aan wal, die het natuurlijk altijd beter weten.

[…. schreef ik gisteren 4/9/2017, vandaag 5/9/2017 in De MORGEN, op p. 12-13: drie ervaringservaringsverhalen van jongeren over racisme op school met de stereotiepe kop.]

Ik ontken natuurlijk niet dat er enorme problemen zijn in de samenleving, en dus ook in het onderwijs. Een leraar die uit de bocht gaat (‘Zwijg, neger!”) is natuurlijk fout. Onbeschoft, zou ik zeggen. Een ‘beschavingstekort’. De schuld van die problemen bij het onderwijs leggen, is naast de kwestie. Zo machtig is de school niet en leraren zijn ook maar mensen en geen heiligen. Zo’n analyse (enfin, dat is teveel eer, het is maar een mening) opent dan ook geen zinvolle handelingsperspectieven, maar dekt de werkelijke stand van zaken toe. De problemen zitten veel dieper. Mw. Consuegra merkt dit terecht op in haar opiniestuk op p. 2: Het gaat niet over “rotte appels, maar diepe wortels…”. De mens discrimineert, altijd, en ook als hij het niet wil, doet hij het onbewust toch. Zij trekt echter de consequenties niet, namelijk dat we verder moeten kijken dan het onderwijs en de maatschappelijke opvoeding alleen. We moeten beginnen met de erkenning dat de mens als sociaal wezen faalt, d.w.z. structureel tekortschiet. Hij is genetisch, neurologisch, van nature of hoe u het ook noemen wilt, ‘not equipped’ om te leven in een hyperdiverse groep  – zie onder voor een basale uitwerking). Dieper kijken betreft echter niet alleen de schuldvraag (of beter: de vraag naar de oorzaak), maar dus ook de (on-)mogelijkheden tot remediëring. Maar eerst nog even iets over de rol van de school hierin.

School is geen opvoedingsinstelling

De school kan de opvoeding van de kinderen niet overnemen. Opvoeden moeten ouders doen en daarna is het vooral aan de groep waarin ze leven en zich bewegen (peer-group, breder: subcultuur, wijk/buurt). De school kan hoogstens proberen bij te sturen en doet dat meestal ook (- zij het soms wanhopig: ‘Als ze de schoolpoort uit zijn’ zo hoorde ik een leerlingenbegeleider ooit zeggen, ‘zijn ze alles weer vergeten’). Dat brengt mij dan bij een ander punt: Die opvoeding is niet haar kernopdracht. Een school is en blijft een onderwijsinstelling, geen opvoedingsgesticht. De pedagogische effecten van onderwijs en het ‘samenleven op school’ zijn er natuurlijk wel, maar die werken enkel omdat ze neveneffecten zijn. De schoolcultuur, de sfeer, de omgangsregels, die bepalen dat. Ja, het schoolreglement. Natuurlijk is ‘burgerschap’ belangrijk en moeten ‘sociale vaardigheden’ aangeleerd worden, maar dat laatste kan toch echt enkel en passant gebeuren (altijd dus, maar bijna nooit expliciet, laat staan als vak) en van dat eerste (‘burgerschap’) heeft iedereen z’n mond vol, maar ook dat is iets zeer complex, lastig onderwijsbaar, een attitude. Je kunt toch moeilijk een toets geven waarin je ‘goed gedrag’ meet. Als daar in mijn jeugd punten op werden gegeven dan was dat cijfer een vertolking van een algemene impressie. Je kunt de theorie ervan onderwijzen (maatschappijleer heette dat vak toen ik school liep. Het was in competitie met met ‘godsdienst’ om de titel: minst relevant), en het lijkt me niet meer dan logisch dat er eindtermen in deze zin worden geformuleerd? Maar verwacht er nu ook weer niet teveel van. Een misdadiger weet ook wel dat wat hij doet niet mag, maar hij doet het toch…

Niet het onderwijs faalt, maar de menselijke soort

Ik stel dus voor om de dingen bij de naam te noemen. Niet het onderwijs faalt, maar de ‘menselijke soort’ schiet ernstig tekort als het op sociaal gedrag aankomt. De mens is klaarblijkelijk van nature geneigd om sociaal te zijn voor z’n eigen mensen. Enkel de in-crowd kan op compassie en inzet rekenen, de rest moet maar afwachten hoe de bal rolt, de pet staat. Gelukkig valt het vaak mee. De in-crowd is flexibel, ze kan groeien in de loop van een mensenleven. Maar dat gaat niet vanzelf. Daar moet aan gewerkt worden, niet door te ‘preken’ en met opgeheven vingertjes. Neen, hij moet ‘geraakt’ worden, ervaren dat er meer ‘wij’ is dan hij aanvankelijk dacht. Dus niet via rationele redeneringen, maar via beleving. Als die negatief is, d.w.z. als men uitgescholden wordt voor neger op school (daarom is dat voorbeeld onthullend: één negatieve ervaring onthoud je een leven lang), of als men wordt afgeblaft door een groepje Noord-Afrikanen in de tram (ook hier is één ervaring genoeg om…), dan zijn alle positieve woorden over inclusiviteit een slag in de lucht. In een samenleving waar de diversiteit tussen groepen alleen maar toeneemt (ik sta niet te juichen als ik de samenleving al maar cultureel diverser zie worden. Voor mij staat dat gelijk met ‘ze valt steeds verder uit elkaar’), moet dit voor ieder weldenkend mens een aandachtspunt zijn, altijd, overal en dus ook op school. In die volgorde. Anders scheurt het sociale weefsel nog verder. 

Het is tijd voor een ‘Erziehung des Mensengeschlechts’ 2.0

De remedie zal dus ook niet van de school alleen kunnen komen, zeker niet wanneer de pedagogische visie van de school niet door de samenleving wordt gedragen en in de samenleving voorgeleefd. ‘Woorden wekken, voorbeelden trekken’,  zeiden we vroeger. De mens-als-gemeenschapswezen die een grotere diversiteit kan omvatten dan enkel de eigen groep zal zichzelf moeten uitvinden. Het is niet anders. Een beschavingsopdracht van jewelste. De school kan en zal en wil haar steentje zeker bijdragen in dit opvoedingsproject, maar kan dat enkel als mensen ook buiten school voelen dat ‘het klopt’. Het gevoelsleven is ondeelbaar. In dat nieuwe samenlevingsbrede ‘pedagogische project’ zal – anders dan vandaag – de complexiteit en de onaangepastheid van de menselijke soort op niet moraliserende wijze moeten worden geïntegereerd, anders wordt het een luchtkasteel. Kortom: tijd voor een nieuwe ‘Erziehung des Menschengeschlechts‘ (Lessing). Denken dat je met minder toekomt, of dat de school het wel zal oplossen, is jezelf blaasjes wijsmaken. In the meantime: Stoppen met zwartepieten, de problemen aanpakken waar ze zich stellen, en samen met alle – feilbare – mensen van goede wil blijven werken aan samenlevingsopbouw.

Dick Wursten

 

 

 

 

Nefaste classificatie per religie: de erfenis van Brits Indië

70 jaar geleden explodeerde een ogenschijnlijk onschuldig idee uit de 19de eeuw, namelijk de administratieve ordening van een hyperdiverse samenleving volgens eenvoudige religieuze parameters (hindoe of moslim) in het gezicht van de bevolking met meer dan een 1.000.000 doden tot gevolg. Nog los van de miljoenen displaced persons. Ik heb het over Brits Indië (na de explosie in 1947: Pakistan/Bangladesh en India). 

Een religieuze identiteitsmarker is gulzig van aard en slorpt na verloop van tijd alle andere persoons- en groepskenmerken op. Op het moment dat er dan maatschappelijke onrust ontstaat (of een machtsvacuüm) gaat een hyperdiverse groep mensen die allerlei vormen van samen-leven in maar half bewuste diversiteit heeft ontwikkeld, zich plots organiseren lang religieuze scheidslijnen. En dan is de ellende niet meer te overzien. Ik zie parallellen met vandaag, en niet alleen in Myanmar (dat lijkt me een late uitloper). U ook ?

Meer over deze tragische fout [een ambtenaarlijke kijk op religie versterkt de religieuze identiteit] op deze pagina van deze blog, of met meer achtergrond en context in mijn online gepubliceerde studie over relige, het deel over ‘religie als groepsaanduiding’

 

Godsdienst en homoseksualiteit

Kan een christen of een moslim homo zijn?

Antwoord: Ja natuurlijk, want seksuele gerichtheid heeft op zich niets met geloof te maken en wordt daardoor dus ook niet echt beïnvloed (hoewel sommigen dat wel claimen). Iets anders is hoe men binnen officiële religies met seksuele voorkeuren omgaat. Hier wreekt zich dat religies voor een groot deel culturele tradities zijn en dus oude opvattingen overleveren. Daar kunnen diepmenselijke inzichten (eye-mind-and-heart-openers) tussenzitten – zeker!, maar ook tot goddelijke wet verheven oeroude taboes en machtsmechanismen. Dit is zeker het geval op het terrein van de seksualiteit. Patriarchiale structuren krijgen hier een goddelijk statuut onder verwijzing naar ‘natuurlijke seksuele aandriften’ van man/vrouw (met ditto rolpatronen). Deze ‘natuurlijke oertoestand’ (scheppingsordening heet dat dan in theologen-kringen: begin is beginsel gevat in een normatief natuurbegrip) houdt echter geen stand als je die afzet tegen de wijze waarop de wetenschap (biologie, neurologie, cognitiewetenschap) ‘gender-issues’ tegenwoordig op zeer overtuigende wijze een plaats geeft binnen het complexe zelfbeeld van een mens. [Over deze zin moet u even nadenken voor u verder leest. Ze is essentieel.]

Vrouwen, homo’s en mensen bij wie de inherent ervaren sekse niet klopt met de externe fysieke bouw (transgenders, al dan niet geopereerd) zijn daarvan het grootste slachtoffer. Soms letterlijk, maar altijd psychisch, geestelijk. Beeldt u in dat u homo bent en u uzelf moet leren accepteren terwijl u opgroeit binnen een milieu dat uw seksuele zijn als zondig afwijst. Je zou van minder kapot gaan. Je mag je dus afvragen: Dient de vrijheid van godsdienst (in de zin van ‘de vrijheid om kinderen met dit soort denkbeelden op te voeden’) de mens ?

Vrouwen- en homorechten zijn de ‘kanaries in de koolmijn’ van de rechtsstaat als humane samenleving.

De bijbel, incl. het Nieuwe Testament, heeft over de homoseksuele daad (op een andere wijze komt lgbt in dit boek niet aan bod) niets positiefs te zeggen en in het Mozaïsche wetboek is de doodstraf voorzien voor ‘mannen die seks hebben met mannen’ want dat is ‘een gruwel in Gods ogen’. In het Engels: Abomination. Idem in de koran, logisch.

Enkel als de religieuze instituten hun heilige geschriften ook als tijdbetrokken menselijke documenten zien, is er hoop, want dan ontstaat er een hermeneutische ruimte waarin mensen moeten gaan zoeken naar betekenis, impact, draagwijdte, zeggingskracht. Dan ontstaat er dus een gesprek. Dit is in de christelijke traditie zeker het geval maar het blijft ook daar een gevecht met fundamentalistische, biblicistische stromingen, die de bijbel on-historisch lezen. Ja u leest het goed: ‘on-historisch’, want als je teksten echt serieus neemt en leest zoals ze zich presenteren, d.w.z. als ‘historische documenten’, dan krijgen ze vanzelf context (= de tijd waarin ze zijn ontstaan, èn de tijd waarin wij ze lezen) en ontstaat er discussie. Geïnteresseerd in hoe dat in de protestants-evangelische wereld zit, lees dan het artikel ‘God verandert homo’s… of toch niet‘.  Het gaat over ‘opkomst, ondergang (en terugkeer) van de bekeringstherapie’.

 

It’s religion, stupid !

In de weekendkrant (de MORGEN) van 29-30 juli was er weer veel aandacht voor religie. Mark Elchardus analyseerde de onverdraagzaamheid en het geweld in de samenleving vanuit historisch perspectief en kwam tot de conclusie: ‘It’s religion, stupid’. Als het ware om te bewijzen dat er weinig nieuws onder de zon is, was er in dezelfde krant aandacht voor de zoveelste kinderverkrachtende priester die de dans lijkt te ontspringen (het Vaticaan bougeert niet) en werd de benauwende atmosfeer binnen de beweging van de Jehovah’s getuigen geschetst aan de hand van enkele getuigenissen, seksueel misbruik incluis: ‘It’s religion, stupid’.

Is dat zo? Ik zal niet ontkennen dat religie hier een kwalijke rol speelt, maar stel voor om nuchter te blijven. Religie is namelijk ook maar een ‘bezigheid van mensen’. God verkracht niemand, want hij bestaat niet op die manier. Het zijn ook binnen religieuze gemeenschappen altijd mensen die kinderen misbruiken. De juiste vraag is dus: Welke rol speelt de verwijzing naar God binnen deze menselijke misdaden? Wat mij dan opvalt is dat misbruik binnen religieuze organisaties (kerk of secte) vooral daar voorkomt waar de groepsidentiteit heel belangrijk is en de leidinggevenden een aparte status hebben binnen de gemeenschap.

  1. Met groepsidentiteit bedoel ik het gevoel dat de gemeenschap waartoe je behoort iets bijzonders is, een meer dan menselijke club. Het is het ‘lichaam van Christus’ (zo de kerk) of de ‘Umma’ (islam) of de door God zelf uitverkorenen (dit heel sterk bij de Jehovah’s getuigen, maar ook in andere sectarische groepen. Soms verwoord als: wij zijn ‘het volk van God’ of de ‘bruid van Christus’). Je persoonlijke welbevinden is ondergeschikt aan het groepsgebeuren. Het argument dat je de groep geen ‘schade’ mag toebrengen wordt steevast gebruikt tegen slachtoffers of malcontenten die met hun verhaal naar buiten willen komen. Als binnen die groeps-identiteit het begrip ‘vergeving’ dan ook nog een grote rol speelt, gaat het helemaal mis. De oproep om de dader ‘te vergeven’ is vaak de genadeslag voor het verzet van het slachtoffer. Er wordt immers verwezen naar het voorbeeld van God/Jezus (onterecht, maar dit terzijde). Het niet-vergeven-kunnen wordt een zonde. Ja, psyschologisch afschuwelijk, maar religieus doodgewoon.
  2. De status van de leidinggevenden is ook een niet te onderschatten factor. Het zijn meer dan gewone mensen, dus mogen ze ook meer. Omdat die hoge status echter vermomd wordt als een uiterste vorm van dienstbaar zijn (aan God) is ze moeilijk te doorzien eens je ‘in de groep’ zit. Deze aparte status is in de rooms-katholieke leer zelfs fysiek verankerd in het celibatair priesterschap. Het lichaam van deze man is niet meer dat van een man, maar van een representant van God. Tsja. In de protestants-evangelische wereld is het leiderschap vaak een charisma, bijv. de gave van de ‘verkondiging’. Hij was toch zo’n goede jeugdleider, zo’n geweldige evangelist, zo’n gevoelige pastor, zo’n uitzonderlijke bijbelkenner etc. In Afrikaanse / Zuid-amerikaanse groepen is het vooral de ‘performance’ die het ‘m doet. Ook hierdoor ontstaat er een mate van onaantastbaarheid. De getuigenis van de Jehovah-getuigen in De MORGEN was op dit punt zeer duidelijk.

Het is dus niet religiositeit op zich waar het gevaar in schuilt, maar hoe men binnen een religieuze gemeenschap de link legt tussen menselijke gedrag en ‘god’ . Zit ‘god’ heel dicht aan tegen de groepsidentiteit en de rol van de leiders, dan moeten de alarmlichtjes gaan branden. Is er op dat punt veel ruimte, dan hoeft religie niet per se gevaarlijk te zijn. Dit verschilt nog al van religieuze groep tot groep en kan ook veranderen in de loop van de tijd. Men kan met verwijzing naar ‘god’ zowel bevrijdende als onderdrukkende verhalen vertellen, emanciperende zo goed als kleinerende. Ook hier geldt: het zijn mènsen die die verhalen doorvertellen en daarbij keuzes maken, selecteren. Dat betekent dat het dus ook altijd anders kan. Religie is en blijft een menselijk construct. Professor Elchardus zal de eerste zijn om dat te beamen, vermoed ik. Als socioloog weet hij als geen ander dat je middels een socio-psychologische analyse van groepsprocessen, identiteitsvorming, afhankelijkheidsverhoudingen, complottheorieën etc. veel kunt verhelderen van hoe het in religieuze gemeenschappen toegaat. Je kunt dan ook meteen vaststellen dat religieuze gemeenschappen hier niet zoveel verschillen van bijv. een sportverenigingen (denk aan de judoka’s en hun coach). Het voordeel dat een nuchtere benadering van religieuze fenomenen (nl. als groepsprocessen) oplevert, is dat je er ook wat aan kunt doen. Middels het onderwijs bijvoorbeeld. Daar krijg je ‘kennis en vaardigheden’ aangereikt, en die gaan een stuk verder dan rekenen en schrijven. De school werkt ook altijd persoonsvormend. Zo zou je op school bijvoorbeeld ook kunnen leren hoe complottheorieën werken, hoe je manipulatie herkent, hoe je je daartegen kunt verzetten, waarom de persoonlijke integriteit (niet in het minst die van je eigen lichaam) onschendbaar is etc. En ook, waarom onze samenleving de vrijheidsrechten van de mens (volwassenen èn kinderen) zo hoog in het vaandel geschreven heeft. Dit soort competenties in de vorm van ‘eindtermen’ gieten, lijkt me eigenlijk voor een levensbeschouwelijk chaotische samenleving als de onze, niet meer dan normaal. Zo worden kinderen en jongeren moreel weerbaar gemaakt, onafhankelijk van de levensbeschouwelijke keuze van de ouders en kunnen we tegelijk werken aan “leren samenleven in diversiteit”.

Dick Wursten

[Ook – in kortere vorm – verschenen in De MORGEN van 1-8-2017]

De boerkini ziet eruit als een badpak, maar is het niet.

De boerkini is een symbool

symbool 1. een teken dat een bepaald idee, concept of object representeert. vb. duif = vrede.

De boerkini is een badpak met symbolisch karakter. Dat heeft niets met de zwemfunctie te maken, maar alles met het achterliggende idee/concept dat het representeert, letterlijk: present stelt. In dit geval een mensvisie, m.n. dat mannen seksuele roofdieren zijn en dat niet de man daaraan iets moeten doen (zich leren beheersen bijv.), maar dat het aan de vrouw is om zich daarom uit het openbare leven terug te trekken. Als zij dan toch daaraan wil participeren dan moet dat dat met veel omzichtigheid gebeuren. En als het misgaat, dan is het haar schuld. Daar gaat het in de maatschappelijk discussie over – of daarover zou het moeten gaan. In die zin is ‘de boerkini’ een terecht een symbool-dossier. Het gaat erom dat de dracht van dat badpak verkondigt dat de omgang tussen mannen en vrouwen dient georganiseerd te worden op grond van basic distrust en dat de vrouwen de last die dat oplevert moeten dragen. Ik vind dat geen fijn bericht.

toevoeging: Non-Boerkini

De courante vergelijking met nonnetjes die ‘gesluierd’ zijn en ook geen gewoon zwempak aantrekken, is bijzonder interessant. Ze relativeert de discussie echter niet, maar zet die op scherp. Nonnen dragen immers geen ‘gewone’ kleren maar volgen echt een religieuze dresscode. Zij hebben zich namelijk van de wereld afgekeerd en leven enkel nog voor God (zij zijn ‘bruiden van Christus’). Nikab-draagster heb ik hetzelfde horen zeggen (ik draag deze kleding ‘voor Allah’. Hoe hij mij ziet is voor mij het allerbelangrijkst). Nonnen zijn daarom ingetreden in een klooster (van ‘claustrum’: afgesloten plek). Daarbinnen kun je echt vroom en veilig leven. Daarbuiten (in de seculiere wereld dus, letterlijk: het saeculum) loert het kwaad om de hoek, heerst de vorst der duisternis. Als ze de veilige plek dan toch verlaten, moet hun kleding hen beschermen tegen die gevaren. Ze moeten ook zo weinig mogelijk echt contact leggen, want voor je het weet…

Dit dualisme geldt in de islam ook, maar dan voor alle vrouwen… Zij moeten kloosterlijk leven, zonder klooster. En onderwijl mogen – vreemde paradox – de mannen gewoon hun gang gaan. Zij zijn ook altijd seculier gekleed.

Habijt en boerkini/hoofddoek/nikab hebben dus inderdaad een soortgelijke boodschap: ‘Wereld daarbuiten, ik wijs u af… ‘. Een moslimvrouw-volgens-deze-opvatting-die-vrij-gangbaar-is (maar volgens mij is ieder mens vrij om z’n religie ook anders te definiëren... zie deze pagina, en deze) woont de facto dus in een klooster’ (=huis/familie) en wordt geacht de buitenwereld (en m.n. de mannen) te mijden. Problematisch lijkt me als je een seculiere samenleving wilt die de naam samen-leving waardig is en waar de non-discriminatie op grond van sexe in de grondwet is ingeschreven.

 

Besnijdenis en ritueel slachten

Ik heb serieuze vragen bij ritueel (onverdoofd) slachten en rituele besnijdenis (van jongens – terugbetaald door de ziekenkas), maar toch ben ik echt geen verkapte antisemiet, zoals Jan De Volder suggereert in een opiniestuk in De Standaard. Ik wil gewoon dat er over deze zaken open en fair kan worden gedebatteerd en bovenal: dat we deze gebruiken toetsen aan de wetten van ons land.

Besnijdenis van Jezus, Pellegrino da San Daniele

In De Standaard van 7 juli 2017 suggereert Jan De Volder dat er een verband is tussen het groeiend antisemitisme en de initiatieven in de samenleving die raken aan twee pijlers van het jodendom en de islam: het ritueel slachten van dieren (halal, kosher) &  besnijdenis van jongetjes (dat meisjes niet besneden mogen worden, dat is blijkbaar zonder meer duidelijk voor iedereen). Ik deel zijn bezorgdheid over het groeiend antisemitisme, maar waarom zo dramatisch gedaan. Dat men besnijdenis en onverdoofd slachten een beetje ‘out of order’ vindt in onze samenleving en daar argumenten voor-en-tegen wil afwegen, dat lijkt me eerder een teken dat de democratie leeft.

Wat is er aan de hand? Sommige mensen willen dieren ritueel slachten en de voorhuid van minderjarige jongetjes afsnijden. Welnu, dat mag men willen, maar dat wil nog niet zeggen dat dat zomaar ‘moet mogen’. Dat men het wil en dat ook kenbaar maakt valt zonder meer onder vrijheid van godsdienst en meningsuiting. Maar als iemand om religieuze redenen iets wil, dan staat nergens geschreven dat de samenleving verplicht is die wensen zonder vorm van debat in te willigen. Men mag – nee: moet! – die wensen toetsen aan ‘de wetten van het land’.

Zo gaat dat in een democratische rechtsstaat. Dus laten we dat even doen:

Onverdoofd en ritueel slachten.  Ruim 30 jaar geleden hebben we hierover een wet aangenomen, de wet op het dierenwelzijn, waarin komaf werd gemaakt met onverdoofd slachten (Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, artikel 16 § 1). Een jaar later heeft men gemeend toch een uitzonderingsclausule te moeten voorzien voor ‘religieus gemotiveerd onverdoofd slachten’. Dat leek proportioneel en een kwestie van gezond verstand. The times they are a-changin. Vandaag is de samenleving in meerderheid een andere mening toegedaan. Namelijk dat de uitzonderingsclausule z’n doel voorbij schiet, omdat het onverdoofd slachten geen uitzondering meer is, maar een courante praktijk. Dat vaststellen is geen kwestie van islamofobie en ook geen ‘dekmantel voor antisemitisme’ (zoals christelijke leiders suggereren in een persverklaring uit mei 2017). Dat is gewoon zoals het gaat in een rechtsstaat en een democratie. De samenleving verandert en afwegingen vallen vandaag anders uit dan enkele decennia geleden. De algemene gevoeligheid voor dierenwelzijn is toegenomen. Dat zie je in de sympathie voor Gaia, Greenpeace, en de opkomst van een ‘Partij voor de dieren’. Dat uit zich in strengere reglementering van slachthuizen, verzet tegen de plofkip, en kritiek op onverdoofd slachten. Dat laatste is een serieuze zaak geworden, omdat de moslimgemeenschap gegroeid is in onze contreien. Dertig jaar geleden was het enkele in een niche dat het gebeurde (Joods), nu kun je dat niet meer zeggen.

En wat de besnijdenis betreft: Ik viel van mijn stoel toen ik las dat de ziekenkas die ingreep vergoedt. Ik dacht dat ingrepen die geen medische indicatie hebben sowieso uit eigen zak betaald moeten worden: een besnijdenis evenzeer als een facelift of een tatoeage. Dat lijkt me een evidentie. Een andere vraag die echter ook niet onbeantwoord mag blijven: Mag een arts dit doen als het niet om medische redenen is? Dit lijkt me een heel pertinente vraag. Temeer daar het een ingreep op minderjarigen betreft. In plaats van hier een antisemitisch (of islamofoob) complot te vermoeden, zie ik deze aanzet tot discussie als een bewijs van de geestelijke gezondheid van onze samenleving.