Religie en geweld: een gevaarlijke cocktail.

Religie kan het beste in de mens bovenhalen (gelovigen worden niet moe dit te benadrukken, vaak onder verwijzing naar Jürgen Habermass). Religie kan echter ook geweld legitimeren, verheerlijken en dus zowel direct als indirect ertoe aanzetten. Het is intellectueel oneerlijk en maatschappelijk nefast om dat verband tussen religie en geweld te ontkennen. Je kunt ook niet volstaan met te zeggen dat die gewelddadige interpretatie berustop een  ‘verkeerd verstaan’ van de religie. Ik verklaar mij nader.

Intellectueel eerlijkheid

Iedereen die zich iets meer dan oppervlakkig in de bronteksten en de geschiedenis van de godsdiensten verdiept, weet dat daar geweldsdaden worden gepleegd in naam van de desbetreffende godheid. En ze worden niet alleen beschreven, ze worden door de godheid bevolen en door gelovigen verheerlijkt. De dosering en formulering van zulke teksten verschilt van het ene heilige boek tot het andere, maar ze zijn present. De godsopvatting (het godsbeeld) is dus niet vrij van geweld.

Eén voorbeeld, geldig voor alle drie monotheïstische godsdiensten: de profeet Elia (de goeie) vermoordt in opdracht van zijn god eigenhandig 450 Baälspriesters (de slechten). k Weet wel, ’t zijn maar verhalen, maar de taal die je gebruikt is ook niet onschuldig. ’t Is de toon die de muziek maakt. Trouwens: als u zegt dat het ‘waar gebeurd is’… des te erger.

Dit vastgesteld zijnde wordt de vraag urgent: hoe gaat een religie met zulke teksten en met haar eigen geweldshistorie om ?  Dat wil zeggen: hoe kadert ze die, hoe interpreteert ze die teksten (anders gezegd: de hermeneutiek is cruciaal). Zegt ze dat die een gepasseerd station aanduiden (tijdgebonden, tijdbepaald), negeert ze ze gewoon (doen veel gelovigen), of juist niet? “The proof of the pudding is in the eating.” U hoeft dus geen thorastudie, evangelie-onderzoek of koranles te gaan volgen. Kijk gewoon naar het gedrag van degenen die in onze tijd te kennen geven dat zij tot een bepaalde godsdienst horen, en je ziet/hoort/weet hoe men de geweldsteksten interpreteert: Aan de vruchten kent men de boom !

Maatschappelijk gevolgen

Het ontkennen of ‘verharmlosen’ van het verband tussen religie en geweld heeft ook grote gevolgen voor het samenleven van mensen. Geweld en religie vormen namelijk een gevaarlijke cocktail. Geweldplegers met een religieuze achtergrond kunnen zichzelf namelijk wijsmaken dat wat ze doen helemaal niet fout is, maar juist goed. Ze doen dit immers voor hun ‘god’ (hoe je diens naam ook spelt) of ter bescherming van ‘zijn mensen’, de andere (echte) gelovigen. Het zijn zeloten. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk schreef hierover een dun, maar te denken gevend boekje (‘Gottes Eifer‘, in het Nederlands vertaald als ‘Heilig vuur’). En dan is er vaak nog een beloning ook ! Ze krijgen aureolen. Plus: Extremisten kunnen gemakkelijk de religieuze gevoeligheid van andere gelovigen (of onzekere gelovigen) manipuleren om het gewone menselijk samenleven te ontwrichten.

De goeden (wij) tegen de slechten (zij)

Religies die werken met een duaal wereldbeeld zijn hier het gevaarlijkst. Dat wil zeggen: zij onderscheiden heel nadrukkelijk tussen wie wel en wie niet bij die godheid (en dus bij de groep) hoort. In zo’n ingroup-outgroup-denken groeit er gemakkelijk een psychologische constellatie waarbij de ene groep zich verheven voelt boven de andere. De wereld wordt verdeeld in goeden en slechten, gelovigen vs. ongelovigen, de onzen tegen de hunnen. Extremisten kunnen met dit gedachtengoed gemakkelijk aan de haal gaan en er hun gewelddadig discours op enten. Het wordt er exponentieel explosiever door. Ze ‘kapen’ de religieuze marker (een term van de Franse godsdienst-socioloog Olivier Roy).

Als dan ook nog de heilige tekst letterlijke imperatieven bevat tot het bestrijden van de ‘andere groep’ (on-gelovigen, heidenen, gods-lasteraars) inclusief concrete oproepen om die ‘te doden’, uit te roeien, wordt het gevaarlijk. Als er dan geen actieve en breedgeaccepteerde hermeneutiek is (leessleutel, bril) die die imperatieven historisch kadert en enkel gezag laat hebben binnen een vertelling over andere tijden en andere mensen, dan is een heilige oorlog dichtbij. Dan vormt religie een vruchtbare voedingsbodem waarop makkelijk een heilige plicht opschiet om ‘de anderen’ eens ‘mores te leren’. Naast sociaal-economische, psychologische, identitaire factoren (om er maar een paar te noemen) zijn er dus op z’n minst ook religieuze factoren in het spel als het om de aanslagen gaat. Daar de ogen voor sluiten maakt de analyse incompleet en veroorzaakt gegarandeerd blinde vlekken in de aanpak (voorkoming en bestrijding) van dit geweld.

Dick Wursten, 16/11/2015

Wat als iemand Mohammed beledigt?

De eerste beledigingen aan het adres van Mohammed vind je … in de koran zelf. Enkele kooplui en bestuurders van Mekka hadden het niet zo op hem en z’n boodschap en noemden hem een leugenaar en een charlatan (38:6), een zot (68:51). Interessant is de reactie van de profeet. Hij antwoordt niet met bommen en granaten, maar roept beledigingen terug: ‘Wat je zegt, ben je zelf, en nog erger…’. In de latere overlevering, wanneer Mohammed al wat ‘heiliger’ is geworden, wordt verteld dat Mohammed hier ver boven staat en – net als Jezus – zegt: ‘vergeef het hun, ze weten niet beter…’

Terzake:

Niemand kan vandaag Mohammed zelf beledigen, want hij is dood († 8 juni 632). Als we het dus hebben over een belediging van de Profeet, dan bedoelen we dat volgelingen van Mohammed zich beledigd voelen als iemand anders – meestal zelf geen moslim, maar niet noodzakelijk – zich negatief over Mohammed uitlaat. Dit gebeurt en zal ook blijven gebeuren. Freedom of opinion and expression is in de westerse wereld een hoog goed, verankerd in de grondwet (en bij uitbreiding in de diverse verklaringen van de rechten van de mens). Wie dus in West-Europa wil wonen heeft zich erbij neer te leggen dat er hier geen straffen bestaan voor mensen die hun heilige personen (goden, profeten of…) beledigen. Hij stelle zich daar maar beter op in.

Al de rest is naast kwestie.

Religie verbindt… en scheidt

Wat gelovigen op het eerste gezicht bindt, is bij nader inzien misschien wel precies dat wat hen scheidt

Ongeveer een jaar geleden was ik aanwezig op een studiedag ‘interlevensbeschouwelijke dialoog’ voor godsdienstleerkrachten. Het thema was: ‘Op zoek naar wat ons verbindt’. De opkomst was behoorlijk en qua levensbeschouwing aardig gemixt. De organisatie had afgezien van de klassieke lezingen (‘Die leiden toch maar af van de ontmoeting tussen mensen, en daar gaat het toch om!’, had de inleider gezegd). In plaats daarvan was voor een creatieve werkvorm gekozen. We moesten naast elkaar gaan staan – corona bestond nog niet – en in stilte reageren op stellingen die werden geprojecteerd. Was je akkoord, zette je een stap vooruit. De sfeer was ontspannen. Na wat algemene stellingen verscheen er een heel specifieke op het scherm: ‘Jezus komt terug uit de hemel vlak voor het einde van de tijden.’ Zoals te verwachten stapte een deel van de christelijke studenten – zij het wat schroomvallig – naar voren. Maar verrassend: ook de islam-studenten zetten een stap voorwaarts, zonder enige aarzeling zelfs.

Ik zag de organisatoren glunderen toen ze de verbazing zagen op het gezicht van de overige aanwezigen: Zie je wel: Er is meer wat ons verbindt dan wat ons scheidt!

geloven jullie echt in wederkomst?

‘Geloven jullie ècht in de wederkomst van Christus?’, werd de moslims gevraagd tijdens het nagesprek. Om het luidst beaamden ze dat. Sterker nog: Ze gaven er spontaan details bij: Er zouden tekenen aan de hemel verschijnen. De zon zou in het westen opkomen en bloedrood worden. Er zouden aardbevingen zijn, en een groot vuur op de aarde vallen. Vervolgens zou Isa komen (‘Dat is jullie Jezus’, legde de lector islam behulpzaam uit). Een grote strijd zou losbarsten tussen Isa en de antichrist. Dan zou de profeet komen en de antichrist verslagen worden.

Ook islam-studenten zetten stap naar voren.

Op dit punt ontstond er verwarring. Sommige studenten waren namelijk van mening dat niet de Profeet zou komen, maar de laatste imam. Weer anderen hadden het over de Mahdi. De gemoederen raakten verhit. De lector islam greep in. Hij verhief zijn stem en sprak: ‘Over details kun je twisten, maar één ding staat vast: Als de laatste dag aanbreekt gaan de rechtgelovigen naar het paradijs en worden alle ongelovigen in de hel geworpen.’ Er viel een wat ongemakkelijke stilte in de zaal. ‘En wat gebeurt er dan met ons?’, vroeg schuchter één van de christelijke studenten. Het antwoord kwam prompt: ‘Jullie krijgen de kans om te erkennen dat Mohammed de profeet van God is, en als jullie dat doen dan mogen jullie ook naar het paradijs, net als de Joden trouwens.’

Veel vreugde bracht dit antwoord niet teweeg.

Wat ons op het eerste gezicht bindt (het geloof dat God bestaat en een aantal geloofsovertuigingen), is bij nader inzien misschien wel precies dat wat ons scheidt. Als het aanvankelijke feest der herkenning voorbij is, overheerst er immers al snel een gevoel van vervreemding. En dan heb ik het nog niet over hen die niet bij enige religieuze club behoren (de zogeheten ‘ongelovigen’). Zij zijn al van te voren buitengesloten, omdat ze niet kunnen meedoen aan het gesprek. Ze snappen immers niet waarover het gaat.

hoe dan wel?

Zo dus niet, maar hoe dan wel? Wel, misschien had de inleider meer gelijk dan hij zelf besefte toen hij aan het begin van de dag zei dat het om ‘de ontmoeting tussen mensen’ gaat. Dat is namelijk precies wat er nìet tot stand is gekomen. De ‘bundels geloofsopvattingen’ hebben die ontmoeting verhinderd. Zij benamen het zicht op de mens erachter. En omdat zij eerst aan bod waren gekomen kostte het daarna moeite om weer gewoon van mens tot mens verder te praten. Het lijkt me dus zinvoller om de volgorde de volgende keer om te draaien. Geen spiegelgevechten hoog in de lucht tussen geloofssystemen, maar down-to-earth, en bottom-up: Laten we het hebben over het leven dat we met elkaar delen, de zorgen die we hebben, de dromen die we koesteren; en dan ook over de bronnen waaruit we putten, de verhalen die we vertellen, de feesten die we vieren, de gebruiken waar we aan gehecht zijn. En dan – en passant – komen allicht ook wel eens de geloofsopvattingen die daarbij horen aan bod. Die werken dan echter niet scheidend meer, want we kennen elkaar al. Samen léven, dat is wat mensen verbindt.

Onverdoofd slachten

De rechter als theoloog

naar aanleiding van de uitspraak van de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie, dat er voor religieuze mensen een uitzondering moet worden gemaakt op het verbod om onverdoofd te slachten. (11 september 2020)

Ik wist niet dat de advocaat-generaal van het Europees gerechtshof, Gerard Hogan, hogere studies in de godsdienstwetenschappen met specialisatie ‘islamitische theologie’ heeft gevolgd. Dat moet hij nochtans gedaan hebben want zijn advies is een staaltje van islamitische spitstheologie. Zo stelt hij vast dat het onverdoofd slachten van schapen een ‘essentiële religieuze rite’ is die tot de ‘kern van de praktijk van het ritueel slachten behoort’. Op welke gronden heeft hij dit heikele theologisch vraagstuk, waarover de toptheologen van de islam het niet eens zijn, opgelost? Heeft Allah zich aan hem geopenbaard? Heeft Mohammed tot hem gesproken? Ik vermoed van niet. Een beetje zichzelf respecterend rechter moet zich bij dit soort vragen gewoon onbevoegd verklaren. Hoe zou hij nu kunnen beoordelen wat voor een godsdienst wel en niet essentieel is, als gelovigen daar zelf al niet uitgeraken. Het lijkt me belangrijk dat een rechter dat eindelijk eens gewoon zegt, want anders blijf je bezig. Stel u voor wat er gebeurt als morgen een religieuze groep een uitzondering komt vragen op het verbod op ‘vrouwenbesnijdenis’, omdat dit voor hen een ‘essentiële religieuze rite’ is die ‘tot de kern van hun geloofspraktijk’ behoort. Wat kan rechter Hogan dan anders doen dan ook voor hen een uitzondering toestaan?

Is er een grens aan de vrijheid van meningsuiting

Over aanzetten tot haat etc..

Voor de wetteksten zie deze pagina

Je mag eender welke mening hebben. Ook de vuilste, vreselijkste, discriminerendste, beledigendste die je maar kunt denken. Pas als je je mening gaat uiten (d.w.z. uitspreken of uitdrukken middels een handeling, daad, gebaar…) wordt het ingewikkelder.
1. Zolang je het privé doet (besloten kring) zijn er geen grenzen behalve die je privé-kring zelf stelt. Anders gezegd: daar is het een kwestie van ‘fatsoen’ en ‘etiquette’: Dat zeg je toch niet; zoiets doe je toch niet, etc. Ieder mens leeft binnen een ‘moreel universum’: do’s and don’ts van de ingroup.1 Investeren in een ‘sound’ moreel universum (goede opvoeding, onderwijs) zal meer impact hebben op het samen-leven dan juridische correctie van wangedrag achteraf.
2. Ga je je mening in het openbaar uiten, dan kan de wetgever in actie komen om te voorkomen dat de ‘clash of opinions’ uit de hand loopt en schade berokkent aan een burger (of een groep burgers). Belangrijk daarbij is dat de rechter pas achteraf mag optreden. Er moet m.a.w. eerste iets gebeurd/gedaan/gezegd zijn dat lijkt op een overschrijding van een juridische grens (gesteld door bijv. de anti-discriminatiewet). Hierbij speelt het schade-principe, het kwaad opzet en de context altijd een doorslaggevende rol: Dus: Wordt er in dit concrete geval iemand opzettelijk geschaad.

Belangrijke termen/begrippen

aanzetten tot discriminatie, haat of geweld

‘Aanzetten tot’ betekent anderen aansporen, oproepen, aanstoken om iets te doen dat mensen schade berokkent. De mogelijke begrippen zou je in dit geval beter door de werkwoorden vervangen: Door de manier waarop jij jouw mening verkondigde, gaan sommigen misschien effectief andere mensen discrimineren (op grond van geslacht, huidskleur, ras…), of beginnen jouw volgers/toehoorders gevoelens van haat te ontwikkelen jegens andere mensen (homo’s of moslims bijv.) of gaan over tot geweld tegen een bepaalde groep.

tegen anderen

De actie die strafbaar is, moet gericht zijn tegen andere mensen, d.w.z. individuele personen of groepen. Algemene kritiek op bijvoorbeeld een politieke overtuiging, godsdienst of levensbeschouwing valt hier dus niet onder.

In het openbaar

Zoals gezegd gaat het niet om meningen in de ‘privé-sfeer’, maar in de ‘openbare ruimte’. De definitie hiervan is echter behoorlijk ruim tegenwoordig (NB: het is de rechtspraak in concrete gevallen die dit bepaalt). Ze omvat zo ongeveer alle reële plaatsen waar meer mensen dan dader en slachtoffer aanwezig zijn. Ook wordt de verspreiding van gedachten via mediakanalen (papieren en digitale teksten, e-mails, sociale media) geacht in de ‘openbare ruimte’ plaats te vinden.

doelbewust

Doelbewust betekent dat de dader opzettelijk en actief aanspoort tot discriminatie, haat, geweld of segregatie. Anders gezegd: hij zegt/doet bedpaalde dingen met de bedoeling om te discrimineren, de haat te doen toenemen, geweld uit te lokken, groepen tegen elkaar op te zetten…

om een welbepaalde reden

Hier wordt het tricky want de ‘welbepaalde’ redenen moeten we in andere wetgeving zoeken en daar komt veel casuïstiek bij kijken (vonnissen per geval). De Antiracismewet en de Antidiscriminatiewet noemen samen maar liefst negentien ‘gebieden’ (aspecten) waar dit zou kunnen voorvallen. NB: steeds gaat het erom dat rond dit aspect er actief, doelbewust aangespoord wordt tot haat, geweld, of segregatie, in het openbaar De onderwerpen zijn dus op zich helemaal niet taboe. Integendeel: het zijn hot items. Vandaar…

  • ras (beter: wat men ‘ras’ noemt)
  • afkomst
  • huidskleur
  • nationaliteit
  • nationale of etnische afstamming
  • leeftijd
  • geboorte
  • vermogen
  • burgerlijke staat
  • politieke overtuiging
  • syndicale overtuiging
  • seksuele geaardheid
  • taal
  • handicap
  • sociale afkomst
  • geloof of levensbeschouwing
  • fysieke of genetische eigenschap
  • huidige of toekomstige gezondheidstoestand

Nog drie grensoverschrijdingen

  1. Denkbeelden verspreiden over rassuperioriteit of rassenhaat.
    Dat lijkt me duidelijk genoeg. Dat hoeft m.i. niet apart genoemd te worden.
  2. Behoren tot of meewerken met een groep of vereniging die herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt.
    Ook hier geldt dat het gaat om een ‘bewuste keuze’ van de dader en de vereniging in kwestie moet in het openbaar doelbewust acties in de genoemde zin ondernemen. Hier is het strafbaarstellen van ‘lidmaatschap’ het nieuwe element.
  3. Negationisme
    In het openbaar de genocide door het Duitse naziregime tijdens de Tweede Wereldoorlog ‘ontkennen, goedkeuren, schromelijke minimaliseren, of rechtvaardigen’

Persoonlijke opmerking (Dick Wursten)
De laatste bepaling rond de shoah (meestal ‘holocaust’ genoemd. Ik houd niet van die term. holocaustus = brandoffer) is ‘the odd one out’, d.w.z. hier vindt geen begrenzing van de vrijheid van meningsuiting plaats omdat ‘concrete anderen doelbewust schade wordt berokkend‘ (dat is toch the bottomline van alle eerder genoemde inperkingen); neen, hier wordt een selectie van meningen die te maken hebben met een historisch feit (de ‘shoah’) strafbaar gesteld. Door deze uitzondering te maken ontstaat er willekeur. Waarom deze meningen ten opzichte van dit specifieke feit wel, en waarom andere niet, d.w.z. De Armeense genocide? De Rwandese genocide? Wat is er zo uniek aan de shoah dat… Ik zelf ben van mening dat de shoah wel degelijk uniek is, maar vind dat het debat daarover op een ‘open’ (wetenschappelijke) wijze moet kunnen worden gevoerd, d.w.z. met woord en wederwoord, gebaseerd op argumenten en onderzoek.

Laat je gezicht zien opdat ik van je kan houden…

Erdal Balci, de Volkskrant, 13/8/2019 – ingekort

Erdal Balci

Chuck had op het onbewoonde eiland, waar hij na een vliegtuigcrash was gestrand, zolang met de stok op het houtstukje gewreven dat zijn hand ging bloeden. Hij drukte zijn bloed op de volleybal, voorzag de bal van een gezicht door er twee oogjes, een mond en twee wenkbrauwen op te tekenen, noemde het ding Wilson en ging vervolgens van hem houden.

Zo gaat het in de film ‘Cast Away’. Boerkadraagsters doorlopen exact het tegenovergestelde proces. Hun gezichten worden vakkundig weggewist, met als doel de liefde uit hun buurt te houden. Een boerka is niet zomaar een door religie voorgeschreven kledingstuk. Die zwarte stof voor het gezicht van de dames is een nooit eindigende quarantaine van de ziel. Immers, het gezicht is de geest, het gemoed, de spiegel van het innerlijk, de weergave van de psyche, de spil waar het allemaal om draait. Bij het dier, bij de mens en als de omstandigheden er naar zijn, zelfs bij een volleybal. De bedekking daarvan heeft tot doel de vrouw zodanig te kleineren dat ze uit zichzelf afstand doet van haar persoonlijkheid en haar identiteit. De vrouw wordt daarmee gereduceerd tot een ‘gezichtloze’, een nieuw soort wezen dat in de hele natuur niet voorkomt.

Troubadour Karacaoğlan uit de 17de eeuw kwam tijdens zijn rondzwervingen in het toenmalige Anatolië een vrouw tegen die haar gezicht achter een nikab had verborgen, hij kon zich niet inhouden en smeekte in een liedje om een glimp van haar gezicht: ‘Suiker en honing aan je tong en je tanden, zwart je wenkbrauwen als halve manen, laat mij de parelketting zijn aan je borst, in godsnaam toch, laat je gezicht zien.’

In een buitenzwembad in Ankara beleefde ik zelf ook die emotie die de Turkse troubadour al eeuwen geleden aanzette tot een smeekbede. In dat zwembad ging het om een gezin uit Saoedi-Arabië dat bij het water verkoeling zocht tegen de verzengende hitte. Manlief en kinderen deden zich heerlijk tegoed aan dat water terwijl de moeder in boerka hen voorzag van frisdrank en broodjes. Ik verliet het zwembad, omdat ik de Turkse kranten niet wilde halen met het bericht over een Nederlandse correspondent die in een vuistgevecht verwikkeld is geraakt met Saoedisch ambassadepersoneel.

Om terug te komen op de volleybal ‘Wilson’ in de film ‘Cast Away’: Na vier jaar op het onbewoonde eiland lukt het Chuck om een vlot te bouwen en de oversteek naar huis te wagen. Tijdens die reis valt Wilson in de zee en ondanks alle pogingen van Chuck, drijft de bal met de mond, de oogjes en de wenkbrauwen weg van hem. Hartverscheurend is dan het huilen van Chuck die door een gezicht te tekenen op een bal van dat ding niet alleen een metgezel voor hemzelf heeft gecreëerd, maar de bal als het ware ook een ziel heeft ingeblazen.

Ik ben het dan ook niet eens met de argumentatie van veel geestverwanten die stellen dat de boerka de draagsters ervan ontmenselijkt en daarom verboden moet worden. Ontmenselijkt zijn degenen die na het zien van die vrouwen nog steeds in termen van de ‘vrijheid van religie’ kunnen denken. De vrouwen in boerka hebben niets aan de solidariteit van de verschrikkelijke onverschilligen. Ze hebben eerlijke mensen nodig die weten dat je in sommige gevallen niet om een verbod heen kunt. Een gezonde gemeenschap hebben ze nodig die zegt: laat je gezicht zien, in godsnaam, opdat wij van jou kunnen houden.’


Opmerking (Dick Wursten): Ik moest bij het lezen van deze column denken aan Emmanuel Levinas die het gelaat van de ander beschouwt als het ‘eerste woord’ dat de ander tot mij spreekt – zonder iets te zeggen – en zo de ethische relatie van mens tot mens in het leven roept (aanspraak, appèl). Hij beschouwt dit als een ‘expérience absolue’. Zonder ‘face-to-face’ is het mens-zijn als mede-menselijkheid niet mogelijk.

Spotprenten en cartoons

Spotprenten zijn altijd populair geweest in de communicatie over levensbeschouwelijke issues. Ze raken namelijk het gevoel en – ookal geloven theologen dat niet – ook religie is eerst een kwestie van gevoel, dan pas van opvattingen. Het belangrijkste gevoel: loyaliteit aan de groep, trouw aan de god. Daarom doen spotprenten pijn. Hieronder twee uit de beginjaren van de Reformatie.

Eén uit de directe omgeving van Luther (Lucas Cranach, de ondernemer-drukker-graveur-schilder van Wittenberg), de ander uit de groep van Luthers’ tegenstanders. De eerstgenoemde borduurt voort op een anti-pauselijke prent over een ‘gedrocht’ dat ooit zou zijn aangespoeld in Rome, vlakbij de Engelenburcht. Een vrouw met een ezelskop en allerlei dierlijke extremiteiten. Pure fantasie natuurlijk, maar fake news floreert als er groepsidentiteiten moeten worden bevestigd/beklad. De Luthersen zagen hierin een teken van God, en de ezel kreeg de naam ‘Bapstesel’: paus-ezel. Men zag er een allegorie in van de roomse kerk. Dat het hoofd van die kerk een ezelskop is kwam goed uit…

De tweede is een afbeelding van Luther, die – volgens de rome-getrouwe gelovigen – natuurlijk niet iemand kan zijn die ‘vragen stelt’ die misschien wel ergens op slaan. Natuurlijk niet, dan zou je moeten gaan nadenken over de status quo en dat leidt alleen maar tot revolutie. Neen, die Luther is een instrument in de handen van de duivel: Luthers kop (nog als monnik, met tonsuur) is een doedelzak die de duivel gebruikt om de mensen naar ‘zijn pijpen te laten dansen’.

 

 

Life is like a cup of tea

Around the turn of the century a newly ordained rabbi was sent out from his yeshiva on the lower East Side of New York to become the first rabbi to minister to a congregation in Alaska. His old teacher bid him farewell, blessed him, and said, “And remember, my son, always remember—life is like a cup of tea.
The young rabbi went out to Alaska, and he was very busy there, but every now and again he would think of what his teacher had said, and he would wonder what this saying meant. After seven years his congregation let him take a vacation. He went back to New York, visited the yeshiva, and went to see his old teacher. “I’ve always wanted to ask you this,” he said. “When I left the yeshiva, when you gave me your blessing, you said to me— ‘life is like a cup of tea.’ Tell me rebbe, what did you mean?
Life is like a cup of tea?” asked the old man. “I said this?
Yes, you did. What did you mean?” The old man thought for a while, then he said, “Nu, maybe life is not like a cup of tea.

[gelezen in Peter L. Berger, Redeeming Laughter: the comic dimension of human experience (1997), p. XV]

Proost!

Deradicalisering die wèrkt…

Er zijn grosso modo vier manieren om ongewenste ideologieën te bestrijden:

  1. Directe confrontatieYou’re wrong, I’m right!
    „Dat was de Amerikaanse methode direct na 9/11. Ze hadden filmpjes waarin je allemaal terroristische explosies zag, eindigend met de vraag: ‘Is dit wat je wilt?’ Het aantal nieuwe terroristen schóót omhoog.”
  2. Afleiding – je moet mij niet aanvallen, maar hem. „Heel effectief gedaan in de ‘Sunni Awakening’ in 2007, toen de internationale coalitie erin slaagde soennitische stamhoofden in Irak te overtuigen dat Al Qaeda een gevaarlijker vijand was.”
  3. Verschuiving – uitdragen dat je niet alleen een goede moslim kunt zijn in de strijd, maar ook door hulp te bieden.
  4. Dissolution – oplossing, ontbinding van emoties die extreme overtuigingen en handelingen aanwakkeren.

Dit laatste is de manier die David Kenning propageert, èn volgens hem de enige die ècht werkt. Drie fragmenten uit het interview vindt u hier. Hieronder enkele van zijn – controversiële – opvattingen:

  • De oorzaak van extremistisch geweld is niet van belang voor de bestrijding ervan. Mensen krijgen een identiteit mee van ouders, vrienden, gemeenschap. En soms zit die identiteit niet lekker en gaan mensen opzoek naar een nieuwe. De propaganda van IS is toegesneden op dit dilemma. Hoor je nergens bij? Dan mag je bij ons horen. „In deze wereldwijde band of brothers krijgt de zelfmoordaanslagpleger een nieuwe identiteit.”
  • Je kunt geen invloed uitoefenen op de factoren die leiden tot extremisme. „We kunnen hem zijn vriendinnetje niet teruggeven, de pijn niet wegnemen van zijn vader die hem sloeg, zijn baas niet dwingen moslims aardig te vinden. We kunnen de spanningen die worden veroorzaakt door het westers buitenlands beleid niet wegnemen.”
  • Het is zinloos om zijn religieuze overtuigingen tegen te spreken – dat neemt hij toch niet van ons aan. „Tegen de tijd dat de overheid deze jongeman tegenkomt, hebben deze factoren hun werk al gedaan. Wij kunnen dus alleen nog maar wat met zijn geest. Die kunnen we weerbaar maken, open voor twijfel en voor andere ideeën.”
  • Het gekke van identiteit, zegt Kenning, is dat het bijna belangrijker is hoe de ander je aanspreekt dan hoe je naar jezelf kijkt. Hij zelf is opgegroeid in Noord-Ierland en dateert van vóór de gewelddadigheden losbarstten: „Wij voelden ons geen protestanten, maar de anderen gingen ons als protestanten zien.” Dit is volgens hem het voornaamste doel van Al Qaeda’s aanslagen van 11 september: verdelen, polariseren, radicaliseren.

Meer dus op deze pagina of het hele interview op nrc.nl (als het niet achter de betaalmuur zit)