Het boerkaverbod – argumenten pro en contra

Geldige en ongeldige argumenten i.v.m. het boerkaverbod

Veel argumenten pro of contra die in deze discussie gebruikt worden zijn niet ter zake en zaaien verwarring. Een poging tot rubrificering.

  1. Het dragen van een boerka is niet als verplichting in de Koran terug te vinden. Er is dus geen juridische grond om de dracht van een boerka toe te staan, want de exemptie i.v.m. vrijheid van godsdienst is niet van toepassing.
    • De godfather van deze argumentatie is zonder twijfel Etienne Vermeersch. Hij heeft zo ook aangetoond dat de hoofddoek-dracht niet op de Koran teruggaat. Fijn. De principiële niet-inmening van de staat in zaken van religieuze opvattingen (zij spreekt zich niet uit over theologische kwesties, wat is ketters, wat niet etc.) betekent echter dat gelovigen en religieuze groepen vrij zijn om dat zelf uit te maken, hoe irriationeel hun redenering ook klinkt (dit punt maken de ‘pastafarians’). De staat (politiek en gerecht) doet niet aan theologie.
    • conclusie: naast de kwestie 
  2. Het boerkaverbod bestrijdt de onderdrukking van de vrouw.
    • Etienne Vermeersch en Dirk Verhofstadt geven dit emancipatieargument veel gewicht. Echter: Dat zij hopen dat dit zich als neveneffect zal voordoen, dat mag, maar kan niet als argument voor de invoering gebruikt worden. Wie onrechtmatige vormen van dwang wil aanpakken – en dat moeten we -, moet de onderdrukkers opsporen en op grond van juridisch objectief vaststelbare overtredingen aanklagen, niet de slachtoffers. Gechargeerd: met een Verhofstadt/Vermeersch redenering kun je ook verkrachtingen proberen te bestrijden door een verbod op prikkelende kleding.
    • conclusie: naast de kwestie
  3. Niemand mag volledig geanonimiseerd de publieke ruimte te betreden. Argument: de openbare veiligheid is in het gedrang.
    • Als wij dit vinden – en daar lijkt wat voor te zeggen – dan kunnen we dit inderdaad verbieden met een eenvoudige democratische meerderheid. Zo werkt de wetgevende macht. Als de wettekst vervolgens niet ‘discrimineert’ (d.w.z. niet één bepaalde groep viseert, maar algemeen is), is het legitiem en beweegt zich zulk een wet perfect binnen het kader van de Grondwet. De wet verbiedt dan ‘alle kledij in publiek toegankelijke plaatsen die het gezicht volledig, dan wel grotendeels bedekt’.
    • conclusie: terzake
  4. De godsdienstvrijheid als grondrecht is de meest fundamentele vrijheid, waaruit de anderen zijn voortgekomen en verdient dus een absoluut respect. Over de definitie van wat wel, wat niet, mag niemand oordelen (z.b.: correct dus). Gaan we daaraan morrelen, zo is de redenering, dan stort ons hele systeem van grondrechten ineen.
    • Het Europees verdrag formuleert dit in elk geval niet zo. Daar is een tweede artikel, waarin inperking wordt toegestaan op grond van ‘openbare veiligheid, bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. Ook de Belgische grondwet stelt de godsdienstvrijheid niet boven de wet, maar eronder.
    • Ook historisch en inhoudelijk is deze claim twijfelachtig. De godsdienstvrijheid is niet de basis, maar één van de concretiseringen van van de algemene menselijke vrijheidsrechten, die in ‘de natuur van de mens’ worden geacht te zijn verankerd (en daarom ‘onvervreemdbaar’ zijn). De cruciale vraag is dus eigenlijk deze: Zijn er handelingen of meningen die toegelaten zouden moeten worden op grond van een persoonlijke (al dan niet groepsgebonden) religieuze overtuiging, die niet door de gewetensvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van organisatie worden gedekt? Verder zijn hellend vlak argumentaties vaak een teken van zwakte.
    • conclusie: naast de kwestie