Montaigne – hoe ieder religie naar z’n hand zet

uit Montaigne, Essais, boek II, 12

.. Toen de wijsgeer Antisthenes werd ingewijd in de orfische mysteriën en de priester tegen hem zei dat wie zich aan deze eredienst wijdden na hun dood het eeuwige heil te wachten stond, reageerde hij: ‘Waarom sterf je dan zelf niet?’ Diogenes antwoordde (al dwaal ik hiermee wat van mijn onderwerp af), zoals we dat van hem gewend zijn, op een nog grovere wijze, toen een priester hem op eenzelfde manier probeerde over te halen om tot zijn orde toe te treden om het heil in de andere wereld deelachtig te worden: ‘Je wilt mij toch niet wijsmaken dat grote mannen als Agesilaüs en Epaminondas in het leven na de dood ongelukkig zullen worden, maar dat zo’n rund en nietsnut als jij wel gelukzalig wordt, omdat je priester bent?’ Als wij aan zulke grote beloften van eeuwige gelukzaligheid evenveel gezag zouden toekennen als aan een wijsgerige overweging, zouden wij niet zo bang voor de dood zijn als we nu zijn.

[b] Dan zou de stervende niet meer klagen dat hij overgaat
Tot ontbinding, maar verheugd zijn omhulsel achterlaten,
Zoals de slang zijn huid of als een oud hert zijn gewei.*

‘Ik wil ontbonden worden,’ zouden wij zeggen, ‘en samen met Christus zijn.’** De kracht van Plato’s dialoog over de onsterfelijkheid van de ziel bracht sommige van zijn leerlingen ertoe zichzelf te doden, om eerder te kunnen genieten van wat hij voor hen in het verschiet stelde.

Dit alles toont heel duidelijk aan dat wij het geloof op onze eigen manier in ons opnemen en het naar onze hand zetten, precies zoals dat bij andere godsdiensten gaat. Wij zijn geboren in een land waar dit nu eenmaal het geloof is; ofwel wij kijken hoe oud het al is of welke grote mannen ervoor opgekomen zijn, ofwel we zijn bang voor de straffen waarmee de ongelovigen worden bedreigd, ofwel wij jagen zijn beloften na. Zulke overwegingen behoren ons te sterken in onze overtuiging, maar mogen nooit op de eerste plaats komen: het zijn verbanden die de mens zelf legt. Een andere religie, andere voorvechters zouden ons met eendere beloften en dreigementen voor hetzelfde geld het tegengestelde kunnen laten geloven.
[b] Wij zijn even vanzelfsprekend christen als we Gascogner of Duitser zijn.

Apologie van Raymond Sebond, 1580, Essays II,12, vertaling: Hans van Pinxteren – [b] = toevoegingen van Montaigne zelf in de editie van Les Essais van 1595.


noten:
* Non iam se moriens dissolvi conquereretur/ Sed magis ire foras, vestemque relinquere, ut anguis,/ Gauderet, praelonga senex aut cornua cervus. (Lucretius, Over de natuur, iii, 613-615.)
** het ‘wij’ in deze zin is dat van de christenen in West-Europa, waartoe – cultureel, maar het punt dat hij maakt is dat het culturele wel eens het essentiële zou kunnen zijn – Montaigne ook behoort. In de eerste versie van deze Apologie loopt de tekst gewoon door, d.w.z. het citaat uit Lucretius is ingevoegd. De link tussen Lucretius en deze zin zit in het woord ‘dissolvi’. Montaigne verwijst hier namelijk naar het ‘cupio dissolvi’ motief dat in de christelijke traditie de discussie over zelfmoord steevast begeleidt. Dit motief is ontleend aan de verzuchting van Paulus in de Brief aan de Filippenzen 1, 21-24: “Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan [cupio dissolvi] en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.” Montaigne veronderstelt dit allemaal bekend, zodat hij zich niet genoodzaakt voelt de (Latijnse) bijbeltekst te citeren. De Franse parafrase kan volstaan.