Behandel godsdienstige organisaties als gewone verenigingen

Het intrekken van de erkenning van de moskee in Beringen onthult op pijnlijke wijze de machteloosheid van de diverse overheden om iets te doen aan hate speech in een religieuze context, schrijft protestants predikant Dick Wursten: ‘Religieuze verenigingen moeten zich verantwoorden op het publieke forum.’

Minister Homans trekt erkenning moskee Beringen in. Het klinkt indrukwekkend, maar het is eigenlijk een loos gebaar. De erkenning waarvan sprake is namelijk geen inhoudelijke erkenning, laat staan een goedkeuring van wat er in die moskee verkondigd wordt. Het is een administratieve erkenning, die verleend wordt op grond van formele regels, en waaraan de subsidiëring van een ‘bedienaar’ een een ‘betoelaging’ van het materiële onderhoud is gekoppeld. Volgens onze grondwet mag de overheid zich immers helemaal niet bemoeien met de inhoud van wat er in een religieuze setting wordt verkondigd.

De voorwaarden voor erkenning van een moskee (of parochie, kerkgemeenschap, synagoge…) beperken zich dan ook tot de vraag of ze (1) aangesloten is bij een erkende eredienst en (2) dat de wijze van beheer (betreffende de materiële zaken, niet de inhoud) volgens de daartoe opgestelde wetgeving gebeurt. De meeste Vlamingen kennen deze bestuursvorm in de rooms-katholieke variant als de ‘kerkfabriek’. De erkenning van een lokale geloofsgemeenschap van welke erkende eredienst raakt dus niet aan inhoudelijke punten, laat staan aan wat er in de moskee/kerk/synagoge verkondigd wordt. [toevoeging: sinds een tiental jaren moeten nieuwe lokale geloofsgemeenschappen ook expliciet verklaren dat ze zich aan de grondwet zullen houden en zich engageren voor de maatschappij, zie hieronder voor de erkenningsvoorwaarden]. 

Binnen een gebedshuis op Vlaams grondgebied mag je de wereld dus gerust opdelen in wij en zij, gelovigen en ongelovigen. Sterker nog, een dergelijke opdeling is vaak essentieel bij de zelfdefinitie van religieuze instituten. Je mag ook oproepen tot verzet tegen een bepaalde politiek dichtbij of veraf (‘profetisch protest’ heet dat dan). Dat kan net zo goed gericht zijn tegen euthanasie of apartheid als tegen communisten of gülenisten. Dit is op zich ook niet strafbaar. Ook buiten de kerk/moskee/synagoge mag dat.

Er is echter één verschil. Daarbuiten is het gewoon een ‘mening’ en dan kun je ervan op aan dat er ook tegenspraak zal zijn. Dankzij de vrijheid van godsdienst echter kun je proberen je eigen religieuze instelling zo te organiseren dat tegenspraak als ‘ketterij’ wordt weggezet. De moderne variant van dat fenomeen herkent u aan formuleringen die beginnen met ‘Een échte christen is…’, of ‘Een échte moslim doet… ‘.

Het gevolg is dat het wij-zijdenken geïnstitutionaliseerd wordt in de organisatie zelf en dat er ook intern reële discriminatie, bijvoorbeeld van vrouwen of homo’s, en excommunicatie van anders- of ongelovigen plaatsvindt. Daar kan de overheid niets aan doen, tenzij de strafwet overtreden wordt. Er kan dus pas opgetreden worden na de feiten. De vrijheid van godsdienst garandeert immers het recht van religieuze organisaties om zich langs zulke scheidslijnen te organiseren.

Als minister Homans zulke fenomenen wil bestrijden, heeft ze dus eigenlijk geen middelen ter beschikking. Dat ze dan uit pure frustratie de erkenning van een moskee intrekt, daar kan ik wel begrip voor opbrengen, maar meer dan een symbolische actie is het niet en het zet ook weinig zoden aan de dijk.

Wat dan te doen? Mijns inziens is er maar één oplossing en dat is religieuze organisaties op dezelfde wijze behandelen als elke andere culturele of sociale vereniging. Dan kan er transparantie geëist worden over de doelstellingen die de vereniging heeft, de manier waarop ze naar de samenleving kijkt enzovoort.

Dan kun je ook de dingen bij naam noemen. Diyanet is gewoon een Turkse vereniging met sociaal, cultureel en religieus doel. De rooms-katholieke kerk is een centraal aangestuurd religieus instituut met hoofdzetel in het Vaticaan en talrijke vestigingsplaatsen wereldwijd. De protestantse kerk van België is een nationaal samenwerkingsverband van locale geloofsgemeenschappen. Men mag meningen verkondigen à volonté en samenkomen zo vaak men wil (vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering), maar men is dan wel onderworpen aan dezelfde criteria die wij als samenleving stellen aan alle verenigingen die op ons grondgebied actief zijn.

Dan kan men niet langer vrouwen discrimineren en een beroep doen op de vrijheid van godsdienst om dat goed te praten. Ook komt men dan niet meer weg met: ‘Zo zien wij dat nu eenmaal binnen ons geloof en daar mag de overheid zich niet mee moeien’. Ook religieuze verenigingen zullen zich op het publieke forum moeten verantwoorden en accepteren dat hier waarden op het spel staan die niet onderhandelbaar zijn, niet omdat de overheid ideologische dwang wil uitoefenen, maar omdat wij met z’n allen als westerse samenleving nu eenmaal menen dat met deze waarden het samenleven zelf op het spel staat.

Zou dat de godsdienstvrijheid schaden? Ik denk het niet. Godsdienstvrijheid is geen claimrecht van een organisatie, maar een mensenrecht. Dat wil zeggen dat de vrijheid op godsdienst enkel garandeert dat ieder mens vrij is om wel of niet aan enige vorm van godsdienst te doen. De overheid heeft daarin geen taak. Die heeft werk genoeg om ‘haar ding’ te doen: het samenleven in goede banen leiden.

Dick Wursten

[ook verschenen op de (s)preekstoel van Knack]


De punten die een aanvraagdossier van een plaatselijke geloofsgemeenschap moet omvatten zijn:

  • de gebiedsomschrijving van de plaatselijke geloofsgemeenschap;
  • een financieel plan voor de eerstvolgende drie kalenderjaren met de opgave van de verwachte ontvangsten en uitgaven alsook de eventuele planning van de investeringen;
  • de inventaris van de plaatselijke geloofsgemeenschap;
  • de melding of er een door FOD Justitie bezoldigde bedienaar van de eredienst zal worden aangevraagd;
  • de schriftelijke verklaringen betreffende het taalgebruik in bestuurszaken, de inburgeringsplicht van de bedienaar, het weren van en geen medewerking verlenen aan individuen die handelen in strijd met de Grondwet en de rechten van de mens;
  • een toelichtende nota waaruit de maatschappelijke relevantie van de plaatselijke geloofsgemeenschap blijkt.

Er zijn evenveel definities van ‘religie’ in omloop als er auteurs zijn die erover schrijven

Ja, ik ga beslissen wat de vrijheid van godsdienst is. Spannend hè?” , zo kopte De Morgen afgelopen weekend. Het was de laatstse zin van het interview met Koen Lenaerts, president van het Europese Hof van Justitie. Een mooie uitsmijter en een prima krantekop. Ik vond het echter vooral een griezelige zin.

Dat betekent immers dat op grond van de definitie van ‘godsdienst’ die een groepje rechters straks de al-dan-niet discriminatie van bepaald gedrag op de werkvloer en in het sociale leven wordt geregeld. Hoofddoek, burka, burkina, keppel, kruisje om een paar uiterlijke tekenen te noemen die met godsdienst zijn verbonden en waar iedereen meteen aan denkt. Of ook spaghettipan, tulband, dolk, Jedi-lichtzwaard (Jediisme is in Australië erkend als religie), om een paar andere te noemen. En dan zijn dit enkel nog maar uiterlijke attributen en heb ik de sociale aspecten nog niet eens genoemd: omgangsvormen tussen mannen-vrouwen, vrije dagen, feestperiodes, en eet-regels.

Natuurlijk is Lenaerts zich heel goed bewust van de haken en ogen die aan deze definitie-oefening zitten. En natuurlijk zullen de rechters in hun besprekingen dat ‘allemaal mee te nemen’, maar snappen ze, zo vroeg ik me af, eigenlijk wel dat niemand in staat is om hier een juridische knoop door te hakken zonder zelf een theologische positie in te nemen? En dus te discrimineren.

Religie is immers een ‘essentially contested concept’, dat wil zeggen: godsdienstwetenschappers zijn het onderling totaal niet eens over de theorievorming. Zij slagen er zelfs niet in om hun’onderzoeksobject’ te definëren. Er zijn met andere woorden evenveel definities van’religie’ in omloop als er auteurs zijn die erover schrijven. En elke definitie werkt beperkend. Het sluit bepaald menselijk gedrag in en ander menselijk gedrag dus uit. Bijvoorbeeld: Moet er een ‘transcendente macht’ in voorkomen? (Antwoord je’ja’, dan ligt het Boeddhisme er uit). Moet het georganiseerd zijn? (Antwoord je ‘ja’ en je discrimineert een steeds groter wordende groep mensen die zich niet wenst aan te sluiten bij een instituut, maar die zich nu ook weer niet on-religieus wil noemen). Moet er een’leer’ zijn? (Antwoord je’ja’, dan bevoorrecht je cognitief ingestelde religies (en dito mensen) boven de meer op het gevoel of de handeling of de rite ingestelde religies (en dito mensen). Is interne coherentie een voorwaarde (Antwoord je ‘ja’, dan open je de doos van pandora want dan beginnen’theologen’ binnen de religie elkaar gegarandeerd tegen te spreken). En ouderdom, omvang, etc. U snapt het al wel. Het antwoord op al die vragen bepaalt wat je wel en niet in je onderzoek betrekt en – wat de rechters betreft die daarover dus in conclaaf vergaderen – dat bepaalt dus ook wie er wel en wie er niet aanspraak kan maken op bepaalde vrijheden en voorrechten op het werk en in het sociale leven, incl. de publieke ruimte.

Rechters onbevoegd verklaren

En daar moeten de rechters van het Europese Hof van Justitie dus de knoop doorhakken, want rechtspreken zonder een definitie te geven is inderdaad onmogelijk. Mag ik de rechters een tip geven: verklaar u als hoogste rechtscollege onbevoegd, omdat de claims die met dit onderwerp verbonden zijn, niet op juridisch objectieve wijze kunnen worden vergeleken. Daarmee start u de discussie over religie als menselijk fenomeen dat – zoals alle menselijke fenomenen – respect verdient, maar op grond waarvan de aanhangers geen speciale privileges kunnen claimen die uitgaan boven wat de gewone wetgeving die het menselijk samenleven regelt, al voorziet.

Omdat ik vermoed dat de rechters zichzelf niet onbekwaam zullen verklaren, maar een pragmatische definitie in elkaar zullen knutselen (ad hoc), heb ik tenslotte nog een tip voor u, geachte lezer. Ik zou al uw van het’normale’ (en wat dat is, dat kunt u aan mr. Rutte of mw. Rutten vragen) afwijkende gedrag nog snel verbinden met een religieuze overtuiging. Dan hebt u immers veel meer kans dat u dat straks nog gewoon mag blijven doen, want dan valt het onder ‘de vrijheid van godsdienst’. En als u geen religie heeft, dan zou ik me snel aansluiten bij een religie die het gedrag dat u koestert, ook vertoont. U kunt dan immers voor uw afwijkend gedrag verwijzen naar uw religie. Mocht die religie per ongeluk nog niet bestaan, dan zou ik die meteen stichten. Let er dan wel op dat u die een beetje vorm geeft zoals een doorsnee religie (zie boven voor de meest voorkomende kenmerken). Ik vermoed namelijk dat er bij de rechters wel een soort grootst gemene deler (met Westerse kleur) als definitie uit de bus zal komen. Waarmee ik maar zeggen wil: Religie vergroot het speelterrein van uw individuele vrijheid en expressie, maakt niet uit welke religie.

Immers: Bent u veganist op religieuze gronden (Jainisme bijv.) dan krijgt u aan boord van het vliegtuig zonder probleem een speciale maaltijd geserveerd, en met respect. Weigert men u dat, dan discrimineert men u op religieuze gronden en dat mag immers niet. Bent u veganist omdat u… nu ja, omdat u dat bent en het beter vindt voor uzelf en voor de toekomst van de wereld, dan moet u maar hopen dat het in de service inbegrepen is en zult u het gemopper op de koop toe moeten nemen.

Zeg maar, dat een protestant het u gezegd heeft, want protestanten houden ook niet van al dat geëmmer over uiterlijkheden. Het is het hart waar het opaan komt.

Dick Wursten

[ook verschenen op de (s)preekstoel van Knack]

Wie definieert wat gematigd is?

Religie is maar één aspect van een veelkleurige menselijke persoonlijkheid

in iets gewijzigde vorm verschenen in De STANDAARD 11 FEBRUARI 2017 | Dick Wursten

Het uitgelekte OCAD-rapport over radicaal salafisme noopt politici tot maatregelen. Dick Wursten waarschuwt voor contraproductieve effecten.

De laatste dagen ben ik geregeld van mijn stoel gevallen als ik weer eens een bevoegde minister of partijvoorzitter hoorde vertellen hoe men de dreiging van het jihadisalafisme, op tafel gelegd door het OCAD (DS 8 februari) , zou gaan aanpakken. Er zouden door de staat gesubsidieerde imamopleidingen komen, men zou proberen de geldkraan vanuit Saudi-Arabië dicht te draaien om een dam op te werpen tegen het fundamentalisme. 

Jammer, maar zo werkt het niet. Dat wil zeggen: Natuurlijk moet de Belgische overheid het lef hebben om de inmenging van buitenlandse mogendheden  (i.c. Saudi Arabië) een halt toe te roepen. Maar dat gaat ze echt niet doen (Erst kommt das Fressen, dann die Moral). En met dat andere voorstel (staats-imams opleiden) toont de overheid dat ze niet weet wat ze doet. Ze slaat daarmee de plank naemlijk volledig mis en schendt en passant ook nog even de scheiding van kerk en staat door zich met de inhoud van de islam te bemoeien.

Ik verklaar mij nader: Fundamentalistische stromingen, zoals het salafisme, zijn parasieten. Zij bestaan door zich af te zetten tegen de mainstream. Die is volgens hen te zwak, te laf, te werelds, past zich te veel aan, doet water in de wijn, is te westers (Boko Haram). Handige fundamentalistische predikers verwijten de mainstream-kerk of -moskee dat ze gemene zaak maakt met de overheid. In mijn – protestantse – traditie was het in de vorige eeuw bon ton in fundamentalistische kringen te verwijzen naar de overheidssubsidie die de ‘staatskerk’ (zo noemden zij minachtend de mainstream-protestantse kerk) zich liet welgevallen. Het ultieme bewijs dat ze niet zuiver op de graat was.

Fundo’s groeien tegen de stroom in.

Het bericht dat de Belgische staat imams gaat (helpen) opleiden is koren op de molen van de fundamentalistische stromingen zoals het Salafisme. Zij hebben er nu namelijk een argument bij om moslims die toch al een beetje twijfelen of ze wel helemaal goed bezig zijn naar hun kamp te halen. “Zie je wel dat die andere moslims hun ziel eigenlijk al verkocht hebben voor wat staatssteun! Salon-moslims zijn het, die een wit voetje willen halen bij de ‘heidenen'”.
Door de opleiding voor gematigde imams te financieren zal de radicalisering niet worden tegengehouden. Het werkt zelfs averechts. Radicale stromingen gedijen het best als ze bestreden worden en het gezag van de gematigde groep neemt af naarmate ze zich meer laat subsidiëren. Zo zitten fundamentalistische geloofsbewegingen nu eenmaal in elkaar. Ze zijn een world in opposition en groeien tegen de stroom in. Herinner u: ‘Het bloed der martelaren is het zaad der kerk’. De protestantse reformatie 500 jaar geleden had haar grote succes voor een deel te danken aan de manier waarop ze werd tégengewerkt. Doordat alles te investeren in tegenwerking (toen deed men nog aan regelrechte vervolging) vergat men te luisteren naar wat mensen echt wilden. Chams Eddine Zaougui heeft daarom deels gelijk als hij erop wijst dat veel salafistische jongeren niet veel meer willen dan gewoon met rust gelaten te worden zodat zij ‘hun religieuze ding’ kunnen doen (DS 10 februari), terwijl ze verder gewoon burger van België zijn, werken, trouwen, kindjes krijgen en geld uitgeven. Laat ze toch en blijf contact met ze houden, zodat ze zich niet gaan isoleren, want dat is het gevaar. Dan wordt het een gesloten groep. En als zo’n groep zich in woord en gedrag zich tégen de samenleving keert, dan moeten we natuurlijk ook niet naïef zijn. Verder geldt: ook een religieuze identiteit kan in de loop van het leven veranderen, en is – godzijdank – meestal ook maar een deel van een veelkleurige identiteit als mens.

Vrijheid van godsdienst ? Instrumentaliseren bedoelt u !

Wat mij ook verbijsterde is dat niemand de afgelopen week z’n vinger opstak en voorzichtig vroeg: ‘Meneer de minister, kan dat eigenlijk wel dat een overheid zich bemoeit met de inhoud van een godsdienst?’ Ik dacht dat er zoiets bestond als ‘de vrijheid van godsdienst’ en dat dat op z’n minst betekent dat de godsdiensten inhoudelijk gevrijwaard zijn van overheidsbemoeienis. En ook al staat het niet letterlijk in onze grondwet, er is toch zoiets als een ‘scheiding van kerk (moskee) en staat’? En nu zegt de overheid unverfroren dat ze ‘gematigde’ imams wil gaan opleiden. Ik heb daar enkele vragen bij. Wie definieert wat ‘gematigd’ is? Valt daar onverdoofd slachten onder? De hoofddoek? Gemengd zwemmen? Vrouwen een hand geven? Gelijkwaardigheid van man en vrouw? Indien niet, wie beoordeelt dat dan? Dit is een logische onmogelijkheid. Elk standpunt zal theologisch zijn, en dus een andere groep moslims discrimineren, nog los van het gegeven dat het, zoals gezegd, koren op de molen zal zijn van de fundamentalisten. Transponeer deze gedachteoefening eens naar de christelijke kerk (overheid gaat ‘gematigde priesters opleiden’ en enkel kerken die deze priesters aanstellen zullen nog gesubsidieerd worden) en u voelt dat hier iets niet klopt. Ik denk dat het goed is dat men zich ook in België realiseert dat de vrijheid van godsdienst altijd twee zijden heeft. Enerzijds is er een vrijheid om allerlei religieuze impulsen te uiten, vorm te geven (freedom of expression), anderzijds moet de overheid ook de handen thuis houden als het hulpverlening aan een religieuze stroming betreft (non-establishment). Ze kan het niet maken dat ze de ene religie wel en de andere niet ondersteunt. Ook dat is discriminatie. Hetzelfde geldt voor interne selectie binnen een religie. Het is alles of niets. Of de overheid neemt de opleiding van alle (erkende) erediensten voor haar rekening, of van geen een. [hier is m.i uiteindelijk maar één logisch consistent antwoord mogelijk: géén. Alle andere opties spreken impliciete waardeoordelen uit en discrimineren dus]

Inzetten op goed levensbeschouwelijk onderwijs

Natuurlijk begrijp ik dat de overheid gevaarlijke radicalisering van bepaald gedachtegoed wil tegengaan. Maar ze moet die bestrijden met haar eigen middelen. Zo kan ze bijvoorbeeld inzetten op goed onderwijs. Dat werkt altijd emanciperend en maakt jonge mensen weerbaar tegen elke vorm van sectarisch denken. Ze kan ook zonder zich met de opleiding van imams te bemoeien haatzaaiende imams en loslopende predikers die tot geweld oproepen ook nu al juridisch vervolgen. Godsdienstvrijheid is geen vrijbrief voor misdadigheid. Maar de overheid moet niet denken dat zij op dit terrein winst kan behalen door zich te mengen in de manier waarop een religie zichzelf organiseert. Als ze dat toch doet, schiet ze zich in eigen voet. Ze moeit zich als de tovenaarsleerling met een materie die ze klaarblijkelijk niet beheerst en speelt en passant – zonder dat ze er erg in heeft – de fundamentalistische stromingen binnen de religies in de kaart.

Dick Wursten  

P.S.: twee opties om de verhouding kerk en staat te regelen.

Doorgaand op deze analyse denk ik dat er uiteindelijk maar twee opties zijn op dit terrein:
1. contractual religious freedom. Dan kan de staat voorwaarden stellen aan die erediensten die ze subsidie verschaft.
2. De Amerikaans-Franse oplossing (Bill of rights), waarbij freedom of expression gekoppeld is aan een non-establishment clausule, waarin de geldkraan vanuit de overheid richting religieus geïnspireerde initiatieven principieel dichtgaat. Enkel handelingen (bijv. ziekenverpleging, onderwijs volgens het curriculum) die objectief meetbaar overeenstemmen met wat de staat wenselijk acht komen in aanmerking voor subsidie. Dus christelijke ziekenhuizen, christelijke scholen: no problem voor dat deel van hun handelingen, maar niet voor de religieuze omkadering. En bij betwisting: Het recht oordeelt nooit op grond van intenties maar op grond van daden/feiten (acts).
Optie 2 is tamelijk radicaal voor België, maar volgens mij de enige gezonde oplossing op de lange termijn.

hoofddoek en hadith: basic facts

In een vorige post heb ik de basisgegevens uit de koran verzameld. Hier nog enkele argumenten die niet in de koran staan, maar die uit de mondelinge overlevering (hadiths) afkomstig zijn. NB: die is ook normatief, maar niet binnen elke islamitische traditie.

1

De kledingvoorschriften in de hadith

Ter herinnering: de argumentatie aangaande het gezag van de overleveringen (Hadith) gaat zo: De praktisering van het kledingvoorschrift door de vrouwen rondom Mohammed is voorbeeldig, d.w.z., normatief voor de latere generaties. Het betreft dan Mohammeds vrouwen en de vrouwen van Mohammeds metgezellen: de Sahaba vrouwen. Ook kan Mohammed meer gezegd hebben dan in de koran staat. Als dat zo is, dan is ook dat normatief. Maar pas op: de betrouwbaarheid en dus het gezag van de hadiths verschilt.

Terzake: Er zijn enorm veel verhalen in omloop die voortborduren op de kledingsvoorschriften uit de koran die we in de andere post citeerden. Een aantal vertelt dat de boezembedekking die daar geëist werd, stante pede door de vrouwen die erbij waren genaaid werd met stof uit hun rok. Een soortgelijke overlevering is er over de vrouwen die het via hun man te horen kregen (zie onder). Hierbij blijken twee zaken van belang:

  1. Wat mag onbedekt blijven ?
  2. Er moet ook op de lichaamsvormen gelet worden (sexy kleding).

Met name enkele verhalen over kleding uit fijne of dunne stof zijn hier veelzeggend. Een bloemlezing:

  • Toen het vers [soera 24,31] werd geopenbaard keerden de mannen terug naar huis en lazen dit vers voor aan hun echtgenoten, dochters, zussen en verdere familie. Zo hebben die vrouwen, al gelovend in Allah en zijn heilige boek, van hun rokken een khimar gemaakt. De volgende ochtend stonden de vrouwen met hun khimar om, achter de Profeet Mohammed voor het ochtendgebed (Bukhari, Tefsiru Soerah 24:12; Abu Davud, Libas:29).
  • Aisha waarschuwde vrouwen die zich niet bedekten zoals het hoorde. Op een dag werd er een pas getrouwd meisje, met een khimar uit dunne stof, naar haar gebracht. Aisha zei dit: ‘Een vrouw die in de soerah An-Noer gelooft, bedekt zich niet op deze manier” (Al-Kurtubi, 14:157).
  • [Mohammed vermaant in een andere legende Aisha’s zus op ditzelfde punt]: Op een dag verscheen Hazrath Asma, de dochter van Abu Bakr, met kleding uit dunne stof vervaardigd, voor de profeet. De profeet wendde zijn ogen af en zei: “Esma! Het is duidelijk dat wanneer een vrouw de puberteit bereikt, het passend is dat ze van haar lichaam enkel nog deze en die lichaamsdelen laat zien”. Toen de Profeet dit zei, wees hij naar zijn handpalmen en gezicht (Abu Davud, Libas, 31). Hier is de hoofddoek dus wel verondersteld.  
    • NB: Deze hadith wordt door veel moslimgeleerden als ‘zwak’ bestempeld, dus mag niet als argument dienen. De hoofdreden hiervoor is dat dit verhaal chronologisch niet klopt. Het speelt zich af in Mekka, d.w.z. voordat de twee soera’s werden geopenbaard (die stammen uit Medina) .
  • Verwant aan de de vorige is de volgende legende uit ‘Het leven van de vrome vrouwen’. [Volgens veel strekkingen binnen de islam zijn ook zij normatief (voorbeeldig, soenna) voor de later-levenden] : Munzir bin Zubair had de reeds genoemde Hazrath Asma een heel mooie jurk gestuurd, gemaakt van fijne kostbare stoffen. Asma die blind was, voelde aan de jurk en zei: “Breng die terug naar hem!”. Munzir voelde zich beledigd en vroeg om uitleg: “Deze stof is niet transparant, waarom keur je die af? ”Asma antwoorddde: “Ookal is het niet transparant, het laat wel de vormen van het lichaam zien omdat het dun is”. (Hayatus Sahaabiyaat, v.3, pg. 169)

Deze lijst kan eindeloos worden uitgebreid. Blijkbaar had men tijdens de uitbreiding van de islam (als religie) moeite om de vrouwen te temmen.

Oppassen met die religieuze marker!

 Wie bepaalt eigenlijk wie zich moslim mag noemen en wie niet ?

Die terrorist in Nice, was dat nou een moslim of niet? Ja, zegt de Franse regering, maar de politie twijfelt. Zijn vrije seksuele moraal, zijn levensstijl… En de jongens die bij Rouen een priester keelden? De moslimgemeenschap weigerde ze een islamitische begrafenis te geven. Nochtans beriepen zij zich nadrukkelijk op Allah. Wie bepaalt eigenlijk wie zich moslim mag noemen?

[verschenen in het NRC, 15 augustus 2016]

Vragen we theologen om raad, dan hoor je over de vijf zuilen, Koran en Hadith. Maar daar verwijst IS ook naar, alleen komt er dan een ander verhaal uit. Binnen de islam zijn er ontelbare scholen en allemaal presenteren ze hun eigen construct als de ‘ware’ islam. Onderwijl kunnen sunnieten, shi’ieten en salafisten elkaars bloed wel drinken.

Kan, in plaats van de geleerde, de geleefde religie ons helpen? Nou, ook niet echt. Dat blijkt een amalgaam te zijn van gewoontes, tradities, rituelen en opvattingen die per tijd en plaats verschillen. Ze lijken ook meer met afkomst en cultuur te maken te hebben dan met godsdienst in engere zin. De religieuze kleur van veel feesten, eetgewoonten en rolpatronen komt pas aan het licht als ‘gelovigen’ migreren naar een andere cultuur. Plots schuurt het. ‘Niet wijken’ kan dan de reflex zijn, vasthouden! Bij verhuizing van godsdienst X naar cultuur Y bestaat dus het risico dat zo goed als alle do’s and don’ts van cultuur X religieuze voorschriften worden in cultuur Y.

Terug naar de terrorist: als er al sprake is van een religieuze drijfveer, dan kun je die niet zomaar losweken van andere beweegredenen. Religie is een identiteitslaag die doorgaans pas zichtbaar wordt als je ernaar vraagt. De meesten krijgen hun levensbeschouwing van huis uit mee. In de loop van het leven, mede bepaald door het verloop ervan, neem je dingen mee, voeg je iets toe, of laat je wat vallen. De geloofsleer blijft bij dit alles vaak impliciet. Waarom draag je die kleren, waarom vast je? Gewoon, altijd al zo gedaan, ik voel me er goed bij. Vraagt iemand toch door, dan verschuilt een doorsnee gelovige zich graag achter een dominee, imam of een andere expert. Die zal het wel weten. We zijn niet gewend dat we verantwoording moeten afleggen. Dat is niet zo vreemd.

Een overheid die meegaat in het discours dat de religieuze identiteit de kern is van je persoonlijkheid, werkt geestelijke gettovorming in de hand en speelt extremisten in de kaart.

Tot voor vijftig jaar leefden ook wij monocultureel en monoreligieus. De ander was ver weg, en inpasbaar. Nu is het anders. Voortdurend wordt er gevraagd of iemand katholiek, protestant, moslim, ietsist of niets is. Je stamelt wat, er komt nog een halve zin catechismus uit, maar die woorden dekken je levensbeschouwing niet meer. Geloofstaal zet je op het verkeerde been. ‘Ja, ik geloof in een Schepper. Nee, niet letterlijk natuurlijk. En Jezus, goeie kerel, maar zoon van God? Ach, laat maar.’ Om van het gezeur af te zijn laten we ons religieus ophokken: oké, ik ben protestant of katholiek, terwijl de werkelijkheid genuanceerd en complex is, tegenstrijdig zelfs. Zou dat bij moslims anders zijn?

De religieuze drijfveer is verweven met de rest van de persoon en niet zo helder omlijnd als religieuze instituties het voorstellen. Daarom is het ook zo lastig om de religieuze component te bepalen bij terreur. Ja, het islamitisch discours is present: de westerse wereld als vijand – boko haram. Maar dat discours ontleent zijn kracht daar niet aan. Het ent zich op frustratie, agressie, een persoonlijkheidsstoornis of een combinatie ervan.

Eerst zijn er de menselijke driften, vervolgens worden die gekaapt door het religieuze discours en worden ze drijfveren voor terreur.

Voordat we ‘de religie’ betrekken bij terreurbestrijding, geven we ons van deze complexe stand van zaken beter rekenschap. Simpele remedies zijn naast de kwestie bij zo’n ingewikkelde kwaal. Denken dat de promotie van de ‘juiste islam’ veel effect zal hebben, is bijzonder naïef. Toch denken veel overheden in deze zin. Investeer in imams en welzijnswerk, klinkt het alom. Los van de paternalistische ondertoon, wringt dit met de grondwettelijke scheiding van kerk en staat. En: wie gaat de lesboekjes schrijven? Diyanet of Gülen? Om maar iets te noemen. Erger nog: deze verhevigde aandacht voor religie kan averechts uitpakken. Het onderliggende signaal is immers dat je tegen alle ‘cultuurmoslims’ zegt: cultiveer je religie, beken kleur, neem godsdienst serieus.

Wat we over het hoofd zien, is dat vooral de fundamentalisten hierbij gebaat zijn. Zij zullen de aandacht van de overheid voor religie instrumentaliseren. Hun verhaal is bovendien veel strakker en zal zoekers aanspreken. Die weken ze met hun discours vervolgens gemakkelijk los uit de omringende cultuur. De samenleving is in hun strategie eerst godloos, dan goddeloos en uiteindelijk godvijandig. Scheid je daarvan af, betogen ze. Verhoud je enkel nog met echte broeders en zusters. En we zijn vertrokken.

Tijd dus voor een religieuze downplay. Een overheid die meegaat in het discours dat de religieuze identiteit de kern is van je persoonlijkheid, werkt geestelijke gettovorming in de hand en speelt extremisten in de kaart.

 

Dankbrief aan de geestelijke leiders van het koninkrijk België

Het VRT journaal 20 april 2016 – 19u
(klik op de screenshot voor het item (duur 0.56)

Antwerpen, 22 april 2016

Geachte geestelijke leiders van dit land,

TV, woensdagavond, het journaal-laat. Onder het toeziend oog van bovenmeesters Michel en Geens zag ik jullie breed glimlachend elkaar de handen schudden en zelfs ‘broederlijk kussen’. Het leek wel de hemel op aarde. Het was dan ook niet niks wat jullie gepresteerd hebben. Jullie hebben immers – zo begreep ik – allemaal ingestemd met de ‘basisprincipes van onze samenleving’. Dat doet mij deugd. Temeer daar jullie enkele weken geleden ook al de theologische oer-vraag naar het wezen van God hadden opgelost door plechtig te verklaren dat ‘de enige juiste interpretatie en de essentie van elke religie of overtuiging liefde is.’  God is liefde, weten we dat ook weer. Top-theoloog trouwens, hè, die Bart Peeters. Die had dat al onweerlegbaar bewezen vanuit de bijbel en de koran! Dus: Mocht er in naam van God ooit nog een liefdeloos gebaar gesteld worden tegenover eender wie: we kunnen jullie er dan bij roepen en dan wordt die persoon onverbiddelijk als ketter gebrandmerkt en uit de betreffende religie gezet. En wat er in het verleden aan liefdeloosheid is gebeurd, zand erover, dat was een vergissing. Sorry.

Trouwens die ‘basisprincipes van onze samenleving’, die jullie zo plechtig hebben ondertekend, dat is ook geen kattenpis. Het gaat niet alleen om ‘de vrijheid van meningsuiting en de scheiding van kerk en staat’, maar ook – zo hoorde ik premier Michel toch zeggen: om ‘de vrijheid om te geloven en de vrijheid om niet te geloven’. Blij te horen. Een moslim hoeft dus niet meer bang te zijn als hij en publique wil zeggen dat hij er geen bal van gelooft en evangelisten zullen ons niet langer met aandrang vragen ons toch te bekeren.

Mar dat is nog niet alles: U engageert u ook om ‘de strijd tegen alle vormen van discriminatie’ aan te binden. Wauw. Over theologische moed gesproken. Geen gender-issues meer in alle religies! Dus: Kom maar op met de priesterwijding voor vrouwen, de vraag tot inzegening van het homohuwelijk, transgender-dominees: Piece of cake, nu jullie dit ondertekend hebben! En met geweld tegen vrouwen is het nu in één klap ook voor goed gedaan. Met één pennenstreek hebt jullie dat allemaal de wereld uitgeholpen. En u, dappere vertegenwoordiger van de vrijzinnigheid, u hebt dit allemaal ook durven ondertekenen. Chapeau ! 

Kortom: hoogweleerwaarde heren, uit de grond van mijn hart zeg ik u dank voor dit ene minuutje theologische moed. Het heeft mijn vertrouwen in de mens en in God weer helemaal hersteld.

Gelieve bij dezen dan ook de blijken van mijn allergrootste hoogachting te ontvangen,

Dick Wursten

Voor de liefhebbers: de theologisch analyse van bijbel & koran door Bart Peeters

“maar dat is niet de echte islam, hoor…”

Over ‘echte’ en ‘valse’ islam’ …

DE islam, HET christendom, wie bepaalt eigenlijk wat dat is? Is er eigenlijk wel een criterium om ‘echte islam’ van ‘valse islam’ te onderscheiden ? Oftewel: Hebben argumenten als “maar dat is niet de echte islam, hoor, want de echte islam is vrede…” wel enige zin in het debat over religie en geweld?

kort antwoord

langer antwoord


kort antwoord

Iedereen schijnt daar zomaar van uit te gaan als je de reacties op de terreur in Parijs leest. En voor u denkt dat de islam weer eens geviseerd wordt, u mag in plaats van ‘islam’ ook lezen: ‘christendom’ ‘wicca’, ‘vrijzinnig humanisme’ etc. Het antwoord in al deze gevallen is namelijk hetzelfde: Neen, dat onderscheid maken heeft geen zin. De reden is dat levensbeschouwingen constructies zijn, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke levensbeschouwing is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen en degene die suggereert dat hij dat wel kan, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah of paus noemt.


lang antwoord

DE islam, HET christendom, wie bepaalt eigenlijk wat dat is? En:Is er een criterium om ‘echte islam’ van ‘valse islam’ te onderscheiden ? Iedereen schijnt daar zomaar van uit te gaan als je de reacties op de terreur in Parijs leest. Men gaat er van uit dat ‘de islam’ ergens gedefinieerd is, of zou kunnen worden en vervolgens onderscheiden worden van de visie die jihadisten c.s. daarop hebben. Het probleem is, dat niemand, maar dan ook echt niemand, in de positie is om dat te doen. Niemand kan zeggen wat wel ‘islam’ is en wat niet. En voor u denkt dat de islam weer eens geviseerd wordt, u mag in plaats van ‘islam’ ook lezen: ‘christendom’ ‘wicca’, ‘vrijzinnig humanisme’ etc. Het antwoord in al deze gevallen is namelijk hetzelfde. Geen enkele persoon of groep (ook niet de nominaal grootste) kan die definitie geven. De paus claimt bijv. wel dat hij kan zeggen wat ‘het christendom’ is, maar ik ben het bijv. niet met hem eens. Ik ben nl. een protestants christen en de paus komt in mijn versie van het christendom enkel aan de rand voor. En Jezus kan het zelf niet meer uitleggen, gesteld al dat hij een godsdienst had willen stichten (wat ik overigens niet denk, maar dit terzijde).

Het lijkt me niet onnuttig in het huidige debat over de plaats van godsdienst in onze samenleving hiervan rekenschap te geven. Anders blijven we langs de werkelijkheid heenpraten en krijgen we de vinger niet op de wonde. En dat is toch nodig wil er heling kunnen plaatsvinden. Levensbeschouwingen (of ze nu godsdienstig zijn of niet) zijn constructies, waarin door mensen gezag wordt toegekend aan bepaalde teksten, ervaringen en tradities. Binnen elke levensbeschouwing is er intern discussie over a. welke teksten, ervaringen en tradities in aanmerking komen en welke niet (of in welke rangorde) en b. hoe die teksten, ervaringen en tradities precies geïnterpreteerd moeten worden. Niemand kan uit deze hermeneutische cirkel stappen. Iedereen zal van mening zijn dat hij zelf de beste, de meest juiste, de zuiverste opvatting heeft, maar daarmee is dat nog niet zo. Luther en de paus raakten in deze valkuil verstrikt in de 16e eeuw betreffende de definitie van het christendom, zij verketterden elkaar over en weer, en even later was het oorlog. Je kunt dus ook niemand het recht ontzeggen te claimen dat hij of zij deze of gene godsdienst aanhangt. Je kunt enkel ernaar streven om het gesprek daarover op een zinvolle manier te organiseren, zoals we binnen het christendom door schade en schande hebben geleerd. Voorwaarde is echter dat alle deelnemers aan het gesprek het uitgangspunt accepteren: God mag dan wel eeuwig zijn of absoluut, onze interpretatie van wie Hij (of Zij of..) is, staat principieel open voor discussie.

Naar vandaag toe. Degene die suggereert dat hij of zij met beroep op de ‘echte islam’ helderheid kan scheppen op het terrein van de vele opvattingen die over de islam de ronde doen, houdt zichzelf voor de gek, of hij zich nu onderzoeker, wetenschapper, ayatollah, imam, Ahmed of Charlie noemt.

Het lijkt me dan veel zinvoller om er voortaan op te letten als we over godsdiensten of levensbeschouwingen spreken, dat we een verduidelijking toevoegen, in de zin van:  volgens mijn interpretatie van het christendom…, of zoals wij hier te lande de islam beleven… etc. Dan benader je levensbeschouwingen niet als quasi onveranderlijke instituten, maar als menselijke fenomenen (die al dan niet geïnstitutionaliseerd zijn met het oog op bepaalde functies). De aanpak van de manier waarop godsdienstige overtuigingen hun plaats dan kunnen krijgen in de maatschappij, kan vervolgens gediversifieerd worden en het debat erover zal aan nuance winnen.

15 januari 2015, Dick Wursten