checklist sekten (bis)

Vragenlijst voor leden van besloten religieuze, communautaire, ideologische, identitaire of therapeutische groeperingen.

  1. Is er vrije communicatie tussen leden en niet leden?
  2. Keurt de groepering blijvend contact met familie en vrienden, die geen lid zijn, goed ?
  3. Is het mogelijk grapjes te maken of kritiek te uiten op de groep en haar leider/leiding?
  4. Is het mogelijk binnen de groep op details een afwijkende mening te hebben en kenbaar te maken?
  5. Wordt een ander inzicht vanuit de leiding/door de leider bespreekbaar gemaakt in de groep?
  6. Zijn er vriendschappelijke contacten met andere groeperingen?
  7. Is er een relatie met de fysieke buren (van de ruimte van samenkomst) van de groepering?
  8. Is het de leden toegestaan boeken/artikelen of sites te lezen met een boodschap die ingaat tegen die van de groepering?
  9. Is de groepering actief in belangeloze maatschappelijke activiteiten?
  10. Blijven huwelijken/relaties tussen partners met een verschillende visie in tact?
  11. Verkondigt de groepering dat contacten met buitenstaanders geen probleem opleveren?
  12. Moet voor een bezoek buiten de groepering toestemming worden gevraagd aan de leiding?
  13. Bemoeit de leider/leiding zich met persoonlijke aangelegenheden (zoals: geldbesteding, besteding vrije tijd, opvoeding, intieme omgang tussen de partners.)
  14. Gebruikt de groepering pressie om aan geld te komen van haar leden?
  15. Staat op wat er onder 1-4 genoemd wordt een sanctie (verminderde waardering, intrekking van bevoegdheden, zelfs (gedeeltelijke) uitsluiting)?
  16. Wordt er gedreigd met of gebruik gemaakt van geweld en/of pressie om de leden in een bepaald patroon te dwingen?
  17. Wordt er geweld/dreiging gebruikt tegen ex-leden en vrienden en familie van sekteleden die zich proberen te moeien?

Negatief in deze vragenlijst is: een ontkennend antwoord op de vragen 1 t/m 11, en een bevestegend op de vragen 12 t/m 17.

Elk negatief antwoord kan duiden op iets wat fundamenteel scheef zit, en waar de groepering het ‘overtuigen’ heeft vervangen door dwang. Wanneer meer dan 5 antwoorden negatief zijn, is er sprake van een acuut en ernstig probleem.

7 voorwaarden om samen te leven bij religieus verschil (Peter Berger)

Een midden-positie tussen relativisme en fundamentalisme

In hun boek In Praise of Doubt. How to Have Convictions Without Becoming a Fanatic, proberen Peter Berger en Anton Zijderveld een ‘midden-positie’ te formuleren tussen relativisme (relativering is nodig) en fundamentalisme (fundamenten zijn nodig). Gezien de seculariseringthese gefalsifieerd is, moet de beschaafde wereld een vorm vinden om om te gaan met de pluraliteit, m.n. omdat alle levensbeschouwelijke posities tenderen naar absoluutheid. Vandaar hun ‘lof der twijfel’, als inenting tegen het denken dat je de waarheid in pacht hebt. Eigenlijk is het een agnostische positie, theologisch een verwoording van het ‘eschatologisch voorbehoud’, filosofisch een opschorting van het definitieve oordeel: ‘epoche’. Interessant is dat de auteurs het ‘Verlichtingsdenken’ zelf ook meenemen als een van de geviseerde ‘ismen’, terwijl ze met hun keuze voor ‘Doubt’ radicaal in de traditie van de Verlichting staan. Hier kunt u een samenvatting lezen.
Aan het eind van het voorlaatste hoofdstuk brengen zij de voorwaarden voor die positie onder woorden, met een knipoog naar Immanuel Kant. Zelf vind ik de punten 2-5, en 7 overtuigend. Punt 1 is logisch-circulair. Hier zijn de auteurs het slachtoffer van hun geprotestantiseerde visie op wat religie is (‘Set of beliefs’… Zie over deze valkuil het vierde deel van mijn online-essay over religie en vrijheid). Punt 6 is van de denkfout in punt 1 het logische gevolg: een overschatting van het positieve belang van religieuze instellingen op zich. Maar soit, de gedachtenoefening zelf blijft de moeite. En hoort u het ook eens van een ander.

Prerequisites of Any Future Worldview That Will Be Able to Present Itself as a Middle Position Between Relativism and Fundamentalism:

  1. A differentiation between the core of the position and more marginal components (the latter what’s been called adiaphora by theologians).
    The practical consequence of this differentiation is to mark the outer limits of possible compromise with other positions. In the modern plural situation, there are strong pressures toward such compromises—in sociology-of-knowledge terms, toward cognitive and/or normative bargaining. For example, Christian theologians may define the resurrection of Christ as core, but the other miracles of the New Testament as in principle negotiable. For another example, in the current European debate over the integration of Muslim immigrants into democratic societies, the mutilations and stonings mandated by traditional Islamic law may be deemed nonnegotiable, but the wearing of kerchiefs (hijab) in the name of “Islamic modesty” may be negotiable.
  2. An openness to the application of modern historical scholarship to one’s own tradition—that is, a recognition of the historical context of the tradition.
    Such a recognition makes fundamentalism difficult to maintain. We’ve already mentioned the dramatic case of Protestant biblical scholarship, its openness now absorbed by Catholics and some Jews, though as yet very few (if any) Muslims. In the latter case, a theological, as against a merely factual, differentiation between the portions of the Qur’an that originated, respectively, in Mecca and Medina will be very important for a distinction between core issues and adiaphora in Islamic thought (and indeed Islamic practice). This point is obviously more relevant for religious than for secular traditions, though there are secular analogues. The debates within Marxism of the relation between Marx’s early writings and Das Kapital is a very interesting case.
  3. A rejection of relativism to balance out the rejection of fundamentalism.
    Relativism leads inexorably to the cynicism discussed earlier in this chapter. If “anything goes,” cognitively as well as morally, the position as such becomes basically irrelevant: If there’s no such thing as truth, one’s own position becomes a completely arbitrary choice. If relativism is applied cognitively, flat-earth theory has to be given the same epistemological status as modern astronomy—or, for a more timely case, creationism and evolution would have to be given equal stature in a high-school curriculum. Relativism has normative consequences as well: It would argue that the “narrative” of the rapist is no less valid than the “narrative” of his victim.
  4. The acceptance of doubt as having a positive role in the particular community of belief.
    We need not repeat what we said about this earlier in this chapter. [bijv. deze passage: Doubt is the hallmark of the agnostic. The believer might immediately answer that he too is confronted by doubt all the time, adding that that’s why it’s faith and not knowledge that he or she adheres to. The difference is that the believer is plagued by doubt and searches all the time to be delivered from it, whereas doubt is endemic to the agnostic. If not a fanatic true believer like Calvin, the believer lives with and in faith that is troubled by doubt. If not a fanatic atheist like the quoted Darwinist, the agnostic lives with and in doubt that is troubled by faith. It’s a thin line, but an essential divide.
  5. A definition of the “others,” those who don’t share one’s worldview, that doesn’t categorize them as enemies (unless, of course, they represent morally abhorrent values).
    In other words, the community of belief must have the ability to live in a civil culture and to engage in peaceful communication with the “others.” Manifestly, the absence of such civility leads to disruptive processes in society, ranging from a vituperative climate in public life to violent civil war.
  6. The development and maintenance of institutions of civil society that enable peaceful debate and conflict resolution.
    Politically, the liberal democratic state, guaranteeing human and civil rights (notably freedom of religion and freedom of association), is by far the best available political system for enabling peaceful debate and conflict resolution. Even the Jacobin formula, which accepts no intermediary between the individual and the state, is not conducive to the moderation of “middle positions,” even if the state is formally democratic. History has shown a need for “mediating structures”—an array of institutions standing between private life and the state. This is what’s meant by liberal democracy; as political columnist Fareed Zakaria recently reminded us, there are also illiberal democracies, which maintain the machinery of competitive elections without their foundation in civil society. What has been happening of late in various countries of the Middle East makes this point clearly.
  7. The acceptance of choice, not only as an empirical fact but as a morally desirable one.
    This acceptance is not only a matter of allowing individuals to make unconstrained decisions on a wide array of religious, moral, and lifestyle issues (obviously within certain limits—I should be free to follow my religious beliefs but not to practice ritual cannibalism, to choose my “sexual preference” but not if it entails rape). It’s also an institutional matter—that of accepting a plurality of voluntary associations, again over a wide array of religious, moral, and lifestyle issues.

Het hoofddoekverbod op school

Wat zit er achter het hoofddoekenverbod (GO!, 2009)?

Een al wat ouder stuk, geschreven toen het hoofddoekverbod in voege trad in het GO! (1 september 2009). Strekking: Een minderheidsvisie (de strikte islam) die halfslachtigheid niet accepteert oefent sociale druk uit op de grote meerderheid die ‘eigenlijk geen mening heeft’, of die het ‘om het even is’. Het verbod op de hoofddoek beoogde laatstgenoemde groep te beschermen tegen die sociale religieuze druk (peer-group).  


Als voormalig leerkracht van zowel het atheneum Antwerpen als Hoboken, ben ik actief betrokken geweest bij de actief pluralistische aanpak op die school. Dat nu juist daar – ook – het hoofddoekenverbod werd ingevoerd, is veelzeggend in menigerlei opzicht.

Wie twee jaar geleden op de speelplaats van het koninklijk atheneum rondliep werd zonder meer getroffen door de gezellige drukte die daar heerste. Je zag wel veel meisjes met hoofddoeken, maar dat went snel en al met al was het toch nog een bont gezelschap. Veel vriendschappen trokken zich ook niets aan van herkomst en levensbeschouwing. Je zag zoals overal slierten meisjes van verschillende komaf gearmd over de speelplaats trekken. Wat echter ook opviel, was dat er een kleine groep meisjes was die tamelijk uniform gekleed waren en die wel altijd enkel bij elkaar te vinden waren. Zij hadden ook eigenlijk geen hoofddoek om (op) het hoofd, maar waren gekleed in een gewaad waarin de hoofdbedekking was geïntegreerd. Ter hoogte van de oren werd het bovenste gedeelte vaak nog met plooien en spelden gecompleteerd zodat er toch zeker niets van het oor, of een lok van het haar zou komen piepen.

Het was maar een subgroep, een minderheid, maar het was er wel een die zich roerde. Bij de dialogen die we met de leerkrachten levensbeschouwing opzetten, deden deze dames hun mond open. Prachtig, mondige meiden onder die hoofddoek. Maar wat ze zeiden was minder prachtig: meningen werden verkondigd als absolute waarheden: onbetwijfelbaar geloof. Er werd niet eens geargumenteeerd, er werd enkel geponeerd. Wie het niet aannam werd afgewezen, ja niet enkel zijn mening, neen ook als mens werd hij/zij afgewezen. Je zag het, je voelde het. En zoals altijd: de andere zeiden niets, of niet veel, de jongens vonden het prachtig en deden er vaak nog een brutaal schepje bovenop (“homo’s? die moet je afknallen”). Niet echt bevorderlijk voor de dialoog en het pedagogisch project van de school. Maar je probeerde het bij te sturen, en als zij zich roerden, waren er toch ook altijd nog wel die zich verweerden of die het opnamen voor de geviseerden, maar leuk was het niet.

Ook niet, toen voor het schooljaar 2008-2009 werd beslist dat enkel een losse hoofddoek mocht worden gedragen. Waarschijnlijk uit dezelfde hoek kreeg de leerkracht Islam anonieme oekazes in zijn postvak met fatwa’s van het internet omtrent hoever de bedekking volgens de ware leer minstens moest gaan. En in de loop van het jaar bleek steeds vaker dat meisjes die aan het begin van het schooljaar nog losjes met deze zaken omgingen strakker werden. Desgevraagd, vernam ik via-via twee soorten verhalen. Bij sommigen was het een bewuste keuze, ik zal maar zeggen: een omarming van een fundamentelere vorm van Islam onder invloed van ‘evangelisatie’ (vergeef me de term) van klasgenoten en daarbuiten; bij anderen was het een bezwijken onder de druk om van het gezeur af te zijn en gewoon mee te mogen doen. Zo was het vorig schooljaar in Antwerpen en Hoboken. Zover was het gekomen omdat deze twee scholen, beide van het GO!, beide gelegen in kansarme buurten van de stad, geweigerd hadden om van de hoofddoek een punt te maken. Zij hadden de deuren gewoon opengelaten. Voor iedereen, zo zoals die is. Enkel omdat bijna alle andere scholen er – in stilte – wel een punt van hadden gemaakt, waren de moslima’s die er ook een punt van maakten (maar dan inde ander zin) vanzelf op een van deze scholen terecht gekomen. Het was een concentratieschool geworden.

Wat moet je doen als je school een concentratieschool is gworden en alle extra middelen om kansarmoede weg te werken (GOK-uren, OKAN-klassen, bijlessen) deze tendens niet hebben geneutraliseerd, waardoor tijdens interlevensbeschouwelijke dialogen en ontmoetingen de strenge islam al snel het gesprek domineert ? De directie heeft voor een radicale aanpak gekozen: een noodmaatregel, een verbod. Afin, hoe het is verlopen hoef ik hier niet beschrijven; het is voldoende in de media geweest. Het optreden van imam Nordin Taouil (wie vertegenwoordigt hij eigenlijk? Waarom kreeg hij zoveel spreekruimte?) was onvergeeflijk. Zijn negatieve houding, reeds voor de zomer, heeft wat een locale uitzonderinsmaatregel was doen escaleren in een nefaste ideologische discussie.

En wat vind ik nu, zo vraagt men mij als inspecteur protestants-evangelische godsdienst van het totaalverbod van de raad van het GO! ?

Welnu, ik vind het een goede zaak dat men de verantwoordelijkheid voor de ontstane spanningen uit de handen van de directies heeft genomen. Het was hun boven het hoofd gegroeid. Zij wilden enkel van de vicieuze cirkel van een concentratieschool af. Voor hen was het vooral een pragmatische maatregel. De reactie erop heeft er een ideologische discussie van gemaakt. Jammer. Het ligt allemaal zo gevoelig en ‘de hoofddoek’ bestaat niet. Het is zo’n ingewikkeld ding en het kan tegenovergestelde betekenissen hebben, afhankelijk van de context. Een en hetzelfde hoofddoekje kan een vrouw onderdrukken en bevriijden. Oprechte getuigenissen van beide bestaan. Voor de overgrote meerderheid van de islamitische meisjes is het echter ‘gewoon een kledingstuk’ dat je – natuurlijk – aandoet, want anders ben je niet netjes gekleed. Deze groep is de vergeten groep en misschien ook wel het grootste slachtoffer. Zij moeten nu plots een keuze maken op voorwaarden die de hunne helemaal niet zijn. Zij willen gewoon leven, naar school gaan en met de vriendinnnen kletsen. De groep die het meeste baat heeft bij de escalering is helaas de fanatieke groep, de zwart-wit denkers. Zij triomferen omdat nu iedereen zich moet uitspreken, een keuze moet maken, voor of tegen. Een ijverige (fanatieke) minderheid kan het gedrag van een passieve meerderheid blijkbaar aansturen een maakt van de hoofddoek het symbool van de ‘echte moslim’. De intentie van het GO! was anders. Hoe paradoxaal het ook moge klinken : de bedoeling van het hoofddoekverbod was niet om de dialoog te beëindigen, maar om die te vrijwaren van monopolisering. Voorwaarde voor dialoog is echter dat er meerdere meningen zijn èn mogen zijn, opdat de nuance tenminste nog een kans krijgt. Daarvoor moeten namelijk alle stemmen aan bod komen. Ik vrees dat vooral de weifelende en zoekende stem en de stem van hem/haar die het ‘allemaal worst zal wezen’ in het gelijkhebberijgeweld gesmoord zal worden.

Dr. Dick Wursten (Inspecteur protestants-evangelische godsdienst).

Hoe ambtenaren religies groot kunnen maken… (het voorbeeld van Brits Indië)

The British Empire as ‘manufacturer of religions’

Het verborgen verband tussen administratieve classificatie en religieuze conflicten

[voor meer achtergrond, zie mijn online publicatie over religie, hoofdstuk 4: Religie als groepsaanduiding]

Dat de het vertrek van de Britten uit Brits Indië (dat het huidige India, Pakistan en Bangladesh omvatte) desastreuze gevolgen had heeft alles te maken met de wijze waarop de Britten in de eeuw voordien de religieuze identifyer hadden gebruikt om de samenleving te ordenen. Daar lijkt die ook prima geschikt voor, maar dat is ze niet. Helaas ontdek je dat pas als het te laat is. In zijn boek Holy Ignorance beschrijft de Franse socioloog Olivier Roy hoe de koloniale ambtenaren van the British Empire echte ‘manufacturers’ waren van neo-etnische groepen geordend volgens religieuze markers. Zij deden dat niet om principiële of verheven redenen, maar gewoon pragmatisch, administratief. Ze wilden gripp hebben op de bevolking en moesten die dus registreren. Dat gebeurde dan volgens religieuze toebehorigheid (hieronder leg ik uit waarom en hoe). Dat deze ordening in het gezicht van de bevolking zou exploderen eens de Britse legermacht vertrok, konden ze niet voorzien, maar was door sensibele geesten als Gandhi wel voorvoeld. Het conflict in Myanmar rond de Rohingya is m.i. op soortgelijke wijze analyseerbaar in haar fatale dynamiek (zich sluitende religieuze identiteiten die de politieke speelruimte innemen), maar gaat het kader van dit opstel te buiten.

Op het Indische schiereiland waren ooit 100-en staatjes… en een eindeloze variatie aan religieuze gebruiken

De Britse ambtenaren, laten we er geen doekjes om winden, moesten ervoor zorgen dat het geld uit deze kroonkolonie zo efficiënt mogelijk naar het moederland stroomde. Daarvoor moesten de ambtenaren de Indiërs classificeren. Niet makkelijk in een land dat bestaat uit tientallen, honderden staatjes (ja dat zijn we alweer vergeten: India bestaat niet. We zijn geobsedeerd door vereenvoudigingen, één-makende categorieën, zozeer zelfs dat we al heel snel geloven dat er altijd werkelijkheden aan beantwoorden). Die gebieden, regio’s, zijn onderling even divers als de Europese gebieden enkele honderden jaren geleden waren. Hier de kaart van hoe de hele ‘kroonkolonie’ van het British Empire eruit zag.

Om te kunnen rubriceren wie bij welke groep hoorde, moet men de werkelijkheid vereenvoudigen: De Britten stelde vast dat er her en der groepen waren die zich onderscheiden van de medebewoners doordat ze op een of andere manier door de islam waren beïnvloed. Ik zeg dat expres zo vaag, omdat die groepen onderling ook weer heel erg van elkaar verschilden, en heel vaak elkaar nauwelijks of zelfs helemaal niet als geloofsgenoten accepteerden. Er waren nog geen massamedia, en van de Taliban of het salafisme had nog niemand gehoord. De ‘umma’ was toch vooral virtueel. De actuele, reële, religieuze praktijken waren dus heel divers en heel vaak syncretistisch, dat wil zeggen sterk bepaald door de ‘Umwelt’ in een soms al eeuwenlang gezocht en constant bijgesteld evenwicht van deelname en onderscheiding. De ambtenaren wensten echter niet teveel hokjes te voorzien. Dus was het ‘moslim’ of ‘hindoe’. Dat die laatste categorie voorkomt in even veel kleuren als de regenboog en zelfs nauwelijks een zinvolle religieuze marker is, veeleer een etnische term is (‘die van India met hun vreemde zeden en gewoonten, waarvan ik niet zoveel begrijp’), kon de pret niet drukken. Men kon nu beginnen classificeren en het systeem op orde brengen. De basis van elke regering die macht wil uitoefenen.

De grootst gemene deler (die eigenlijk dus heel zwak was als identiteitsvormer, persoonlijk en als groep) werd zo naar voren gehaald. Vanaf dat moment werden de inwoners van Brits India netjes aangeduid als ‘moslim’ of ‘hindoe’, beiden overigens types religie waar de brave Engelsman zich verder zo weinig mogelijk mee bemoeide, want hij was ‘christen’.

Ter illustratie drie kaarten uit 1909

Eerst de indeling per dominante religie in percenten. Ik begin bij de minoriteiten: Boeddhisten, Sikhs en Jains. U ziet rechts Birma (Myanmar)


Dan nu de Hindoes (met percentages)


De moslims (de grenzen van Oost en West-Pakistan = Bangladesh, kun je al bijna invullen. Ook ziet u dat het kustgebied van Birma ook toen al islamitisch was – Rohingya)

Percentage moslims 1909

En tenslotte de kaart van 1947 per meerderheids-religie. Vergelijk de kaarten en u ziet de etnische zuivering die gaat plaatsvinden op grond van religieuze affiliatie voor u.

Zo ziet het eruit als je de dominante religies als etnische marker gebruikt.

 

De sociale divisiveness (van institutionele religie, die altijd werkt met ‘het zich onderscheiden van’, groepsvorming, incrowd-outcrowd) en de gulzigheid van de religieuze identifyer (die alle andere identiteitskenmerken tot ‘secundair’ verklaart, genre ‘dat is maar cultuur…‘) heeft vervolgens z’n werk gedaan. De religieuze component werd steeds doorslaggevender, dominant, de groepsvorming sterker, de pluraliteit nam af. Toen de ijzeren vuist van de kolonisator verzwakte, was de tweedeling van de samenleving volgens de eenvoudige ‘religieuze marker’ een feit. Een zwakke identiteitscomponent (moslim, of niet-moslim) was een sterke geworden. Ze kleefde de mensen nu aan. Religieuze leiders en hun ‘spokesmen’ hadden er wel voor gezorgd dat hun visie op wat ‘islam’ dan wel of niet was, duidelijk werd geëxpliciteerd. Via opvoeding en scholing werd de religieuze identifyer meer en meer inherent en verarmde het kleurenpalet. Het werd monochroom. De moslims van Bengalen bijvoorbeeld, die veelal hindoenamen hadden en ‘God’ niet aanspraken met Allah maar met een Bengalees equivalent, begonnen hun kinderen ook Ahmed en Youssouf te noemen, en God aan te roepen als ‘Allah’. Taal is ook zo’n culturele identifyer trouwens, die gemakkelijk door de religieuze kan worden opgeslorpt, dan wel eraan onderworpen. Jammer, want een gedeelde taal verbindt…

De Britse standaardisering van de religieuze marker werd in het begin van de twintigste eeuw gekoppeld aan de oprichting van kieskringen (volgens religieuze affiliatie), waardoor de godsdienst ook een (partij-)politieke zaak werd.

Voeg aan deze Britse categorisering volgens religieuze affiliatie toe dat er binnen de islam een reformbeweging op gang was gekomen, die ook naar standaardisering streefde en probeerde de religieuze identiteit nauwkeuriger te omschrijven (fundamentalistische tendens, ook een modern verschijnsel trouwens). Zij deed dit om zich beter te kunnen organiseren en te profileren in de laat-koloniale wereld en heeft het proces van maatschappij-ordening langs lijnen van religieuze toebehorigheid versterkt, om niet te zeggen ‘gekaapt’. IJverige moslims vonden dat het hoog tijd was om die halfslachtige en syncretistische moslims (men was ‘moslim’ zoals veel Vlamingen katholiek waren en zijn) eens tot ‘echte moslims’ te maken, terug hun religieuze roots te leren kennen. Zo formuleert men het dan, historisch misleidend, want waarheen men zegt terug te keren heeft nooit bestaan.

De ‘zwakke culturele moslim-marker’ die dus heel goed mengde met andere locale culturele (al dan niet gedeeltelijk religieuze) markers, moest vervangen worden door een pure, zuiver religieuze marker. Voelt u het geweld dat in dit soort taal zit, het oordeel dat uitgesproken wordt over de godsdienstigheid van de ander, de druk die op de ‘cultuurmoslims’ (pejoratieve term, net als cultuurchristenen) wordt uitgeoefend. De religieuze marker is gulzig, ze slokt op, ze neemt af, ze heeft een totaliserende tendens. Samen met de Britse administratie als ‘manufacturer’ van de religieuze categorie als politiek element, werpt dit een schril licht op de wijze waarop deze Britse kolonie – ondanks intens verzet van mensen als Gandhi – in twee staten is uiteengevallen, gesegregeerd langs religieuze lijnen: de ‘Scheiding’ van 1947 (India en Pakistan-Bangladesh). Het menselijk lijden en de politieke ontwrichting die hiervan een gevolg is (een half miljoen doden, en tien tot twaalf miljoen ‘discplaced persons’). Het sociale weefsel was volledig gescheurd en de gevolgen laten zich tot op vandaag voelen, niet in het minst in Pakistan.

Effect op de identiteitsconstructie

Dit voorbeeld (dat helaas met vele te vermeerderen is) moge dienen als waarschuwing. Religieuze markers gebruiken als sociale categorieën is niet ongevaarlijk. En dat we het zo klakkeloos doen, is eigenlijk onvergeeflijk gezien de geschiedenis. Dus, als we merken dat dit taalgebruik niet alleen onze perceptie van de werkelijkheid begint te bepalen, maar ook zelf werkelijkheid begint te creëren, dan wordt het tijd voor een pas op de plaats. En ik heb het gevoel dat dat moment nabij is. We zien overal ‘moslims’ en de woordvoerders die ons hun aanwezigheid in de wereld en in onze samenleving komen uitleggen zijn bijna altijd theologen (religieuze professionals). Als er ergens spanningen zijn met jongeren in concentratiewijken, worden religieuze leiders opgeroepen om het vuur te blussen. Waar zijn de sociologen, waar zijn de antropologen? En dan bedoel ik niet de mensen die de religieuze component wegverklaren door alle gedrag te herleiden tot socio-economische of socio-psychologische factoren, maar degenen die de religieuze component meenemen in hun analyse van algemeen menselijk gedrag. Geven we in dezen enkel de religieuzen het woord, dan zijn we bezig de ‘islam’ als identitymarker te versterken en moeten we niet raar staan te kijken dat van de weeromstuit voor veel mensen die godsdienstige component ook echt belangrijk gaat worden. Paradoxaal gezegd: Als je religieuze leiders erbij roept om een maatschappelijke brandhaard te blussen, werp je met het water ook olie op het vuur omdat je de religieuze identifyer vrij spel geeft.

Checklist sekten

Hoe herken ik sektarische groepen?

Protestanten -ik ben er niet trots op maar de geschiedenis heeft ook haar rechten- zijn de uitvinders van het ‘fundamentalisme’ (begin twintigste eeuw ontstaan als verzetsbeweging tegen de liberale protestantse theologie). Tegenwoordig staat het islam-fundamentalisme meer in de kijker. Men maakt zich zorgen. En terecht. Fundamentalisme schaadt de mens, vooreerst de fundamentalist zelf, maar dan ook (dus ook) zijn naaste omgeving. De gelovigen beleven dit zelf echter niet zo. En als ze het al – deep inside – toch voelen knagen, dan zullen ze dat met alle geweld ontkennen. Dat maakt de bestrijding ervan ook zo moeilijk: Echte communicatie lukt haast niet.

Het enige dat je kunt doen, zo leert de ervaring, is proberen jonge mensen vooraf weerbaar te maken zodat ze tegen de ‘bekoring’ bestand zijn als ze in fundamentalistisch vaarwater terecht komen.

Toen ik nog les gaf gebruikte ik voor deze mentale weerbaarheidstraining naast diverse films en ervaringsverhalen ook een checklist om het sektarisch gehalte van een religieuze groep te bepalen. Ik had die ooit gevonden in een Duitse publicatie: Eltern und Betroffenen  Initiative gegen psychische Abhängigkeit. Ze stamt uit de vorige eeuw, toen men bij sekten vooral aan christelijke en oosterse groepen dacht, maar lijkt me toch ook prima toepasbaar op allerlei islamitische sekten (m.n. in de beschrijving van de ‘ronselpraktijken’). En trouwens ook op ‘niet-religieuze’ groepen die mensen (klanten) paradijzen allerhande voorspiegelen. Als de groep in kwestie aan minimaal 10 criteria voldeed, dan was die club/vereniging/organisatie een ‘sektarische’ groep en werd het tijd om ‘op je tellen te passen’. Bij 15 treffers was het een sekte. Als je met zo’n groep verbonden was, gold: Wegwezen, rennen voor je leven. Maar waarschijnlijk was het dan al te laat en was je al ‘leeggezogen’ en in de groep opgegaan. Of die getallen kloppen, weet ik niet, maar de checklist zelf vind ik nog steeds goed. Ik zou zeggen: doe er uw voordeel mee.

Checklist

1. Reeds bij het eerste contact met de groep wordt u een volledig nieuw zicht op de wereld geopend (sleutelervaring).
2. Het wereldbeeld van de groep is verbluffend eenvoudig en verklaart werkelijk elk probleem.
3. Bij de groep vindt u alles ‘wat u totnogtoe vruchteloos gezocht hebt’.
4. De groep heeft een leider, – meester, – vader, – goeroe – voordenker, – die alleen de volle waarheid bezit en vaak als een semi-god vereerd wordt.
5. De wereld loopt naar een catastrofe: Alleen de groep weet, hoe men de wereld nog kan redden.
6. De groep is een elite (uitverkoren), de rest van de mensheid is ziek – of gaat verloren. Enkel wie meedoet kan gered worden.
7. De groep wijst de gevestigde wetenschap af. De leer van de groep wordt als ‘ware wetenschap’ aangenomen.
8 . De groep wijst het beroep op rationeel denken af als negatief, satanisch, onverlicht, ideologisch.
9. Kritiek en afwijzing door buitenstaanders is juist het bewijs dat de groep gelijk heeft.

10. De groep noemt zich de ‘ware familie’ of gemeenschap.
11 . De groep wil dat men alle ‘oude’ relaties (familie, werkmilieu, vriendschappen) afbreekt, omdat ze de ontwikkeling van haar leden in de weg staat.
12. De groep sluit zich af voor de rest van de wereld, bijvoorbeeld door kleding- en voedselvoorschriften, door een eigen ‘groepstaal’ en ordening (reglementering) van de intermenselijke relaties.
13. De groep eist een strikt naleven van de regels of een ‘absolute discipline’ (tucht), want dit is de enige weg tot redding.
14. De groep regelt de seksuele betrekkingen, bijvoorbeeld partnerkeuze door de leiding, of groepsseksualiteit, of totale onthouding of…
15. Men is geen ogenblik van de dag meer alleen – iemand uit de groep is altijd bij u (interne controle).
16. De groep vult al uw tijd met opgaven (taken), bijvoorbeeld: verkoop van boeken, werven van nieuwe leden, cursus volgen, meditatie.
17. Indien u twijfelt, of indien het beloofde succes niet komt, of je wordt niet ‘genezen’, dan ben je zelf de schuld daarvan, omdat je je niet genoeg hebt ingezet of geloofd.
18. Men moet dadelijk – liefst nog vandaag – lid worden van de groep. Er is nauwelijks tijd om rustig na te denken en zich een beeld van de groep te vormen.
19. Men moet niet eerst nadenken – bekijken – onderzoeken. Het gaat om het ‘beleven’. kom bij ons, in ons centrum, in onze club, in onze groep, en maak het zelf mee!

Wie definieert wat gematigd is?

Religie is maar één aspect van een veelkleurige menselijke persoonlijkheid

in iets gewijzigde vorm ook verschenen in De STANDAARD 11 FEBRUARI 2017 | Dick Wursten

Het uitgelekte OCAD-rapport over radicaal salafisme noopt politici tot maatregelen. Dick Wursten waarschuwt voor contraproductieve effecten.

De laatste dagen ben ik geregeld van mijn stoel gevallen als ik weer eens een bevoegde minister of partijvoorzitter hoorde vertellen hoe men de dreiging van het jihadisalafisme, op tafel gelegd door het OCAD (DS 8 februari) , zou gaan aanpakken. Er zouden door de staat gesubsidieerde imamopleidingen komen, men zou proberen de geldkraan vanuit Saudi-Arabië dicht te draaien en zo een dam opwerpen tegen het fundamentalisme. Jammer, maar zo werkt het niet. Dat wil zeggen: Natuurlijk moet de Belgische overheid het lef hebben om de inmenging van buitenlandse mogendheden  (i.c. Saudi Arabië) een halt toeroepen. Maar dat doet ze toch niet (Erst kommt das Fressen, dann die Moral). En met dat andere voorstel (staats-imams opleiden) toont de overheid dat ze niet weet wat ze doet. Ze slaat de plank volledig mis en schendt en passant ook nog even de scheiding van kerk en staat door zich met de inhoud van de islam te bemoeien. Fundamentalistische stromingen, zoals het salafisme, zijn parasieten. Zij bestaan door zich af te zetten tegen de mainstream. Die is volgens hen te zwak, te laf, te werelds, past zich te veel aan, doet water in de wijn, is te westers (Boko Haram). Handige fundamentalistische predikers verwijten de mainstream-kerk of -moskee dat ze gemene zaak maakt met de overheid. In mijn – protestantse – traditie was het in de vorige eeuw bon ton in fundamentalistische kringen te verwijzen naar de overheidssubsidie die de ‘staatskerk’ (zo noemden zij minachtend de mainstream-protestantse kerk) zich liet welgevallen. Het ultieme bewijs dat ze niet zuiver op de graat was.

Groeien tegen de stroom in

Het bericht dat de Belgische staat imams gaat opleiden (helpen opleiden eigenlijk, maar subtiliteit is niet de forte van fundamentalisten) is koren op de molen van de fundamentalistische stromingen zoasl het Salafisme. Zij hebben er een argument bij om moslims die toch al een beetje twijfelen of ze wel helemaal goed bezig zijn naar hun kamp te halen. Zie je wel dat die andere moslims hun ziel eigenlijk al verkocht hebben voor wat staatssteun! Salon-moslims zijn het, die een wit voetje willen halen bij de ‘heidenen’. Door de opleiding voor gematigde imams te financieren zal de radicalisering niet worden tegengehouden. Het werkt zelfs averechts. Radicale stromingen gedijen het best als ze bestreden worden en het gezag van de gematigde groep neemt af naarmate ze zich meer laat subsidiëren. Zo zitten fundamentalistische geloofsbewegingen nu eenmaal in elkaar. Ze zijn een world in opposition en groeien tegen de stroom in. Herinner u: ‘Het bloed der martelaren is het zaad der kerk’. De protestantse reformatie 500 jaar geleden had haar grote succes voor een deel te danken aan de manier waarop ze werd tégengewerkt. Doordat alles te investeren in tegenwerking (toen deed men nog aan regelrechte vervolging) vergat men te luisteren naar wat mensen echt wilden. Chams Eddine Zaougui heeft daarom deels gelijk als hij erop wijst dat veel salafistische jongeren niet veel meer willen dan gewoon met rust gelaten te worden zodat zij ‘hun religieuze ding’ kunnen doen (DS 10 februari), terwijl ze verder gewoon burger van België zijn, werken, trouwen, kindjes krijgen en geld uitgeven. Laat ze toch en blijf contact met ze houden, zodat ze zich niet gaan isoleren, want dat is het gevaar. Dan wordt het een gesloten groep. En als zo’n groep zich in woord en gedrag zich tégen de samenleving keert, dan moeten we natuurlijk ook niet naïef zijn. Verder geldt: ook een religieuze identiteit kan in de loop van het leven veranderen, en is – godzijdank – meestal ook maar een deel van een veelkleurige identiteit als mens.

Vrijheid van godsdienst

Wat mij ook verbijsterde is dat niemand de afgelopen week z’n vinger opstak en voorzichtig vroeg: ‘Meneer de minister, kan dat eigenlijk wel dat een overheid zich bemoeit met de inhoud van een godsdienst?’ Ik dacht dat er zoiets bestond als ‘de vrijheid van godsdienst’ en dat dat op z’n minst betekent dat de godsdiensten inhoudelijk gevrijwaard zijn van overheidsbemoeienis. En ook al staat het niet letterlijk in onze grondwet, er is toch zoiets als een ‘scheiding van kerk (moskee) en staat’? En nu zegt de overheid unverfroren dat ze ‘gematigde’ imams wil gaan opleiden. Ik heb daar enkele vragen bij. Wie definieert wat ‘gematigd’ is? Valt daar onverdoofd slachten onder? De hoofddoek? Gemengd zwemmen? Vrouwen een hand geven? Gelijkwaardigheid van man en vrouw? Indien niet, wie beoordeelt dat dan? Dit is een logische onmogelijkheid. Elk standpunt zal theologisch zijn, en dus een andere groep moslims discrimineren, nog los van het gegeven dat het, zoals gezegd, koren op de molen zal zijn van de fundamentalisten. Transponeer deze gedachteoefening eens naar de christelijke kerk (overheid gaat ‘gematigde priesters opleiden’ en enkel kerken die deze priesters aanstellen zullen nog gesubsidieerd worden) en u voelt dat hier iets niet klopt. Ik denk dat het goed is dat men zich ook in België realiseert dat de vrijheid van godsdienst altijd twee zijden heeft. Enerzijds is er een vrijheid om allerlei religieuze impulsen te uiten, vorm te geven (freedom of expression), anderzijds moet de overheid ook de handen thuis houden als het hulpverlening aan een religieuze stroming betreft (non-establishment). Ze kan het niet maken dat ze de ene religie wel en de andere niet ondersteunt. Ook dat is discriminatie. Hetzelfde geldt voor interne selectie binnen een religie. Het is alles of niets. Of de overheid neemt de opleiding van alle (erkende) erediensten voor haar rekening, of van geen een. [hier is m.i uiteindelijk maar één logisch consistent antwoord mogelijk: géén. Alle andere opties spreken impliciete waardeoordelen uit en discrimineren dus]

Inzetten op onderwijs

Natuurlijk begrijp ik dat de overheid gevaarlijke radicalisering van bepaald gedachtegoed wil tegengaan. Maar ze moet die bestrijden met haar eigen middelen. Zo kan ze bijvoorbeeld inzetten op goed onderwijs. Dat werkt altijd emanciperend en maakt jonge mensen weerbaar tegen elke vorm van sectarisch denken. Ze kan ook zonder zich met de opleiding van imams te bemoeien haatzaaiende imams en loslopende predikers die tot geweld oproepen ook nu al juridisch vervolgen. Godsdienstvrijheid is geen vrijbrief voor misdadigheid. Maar de overheid moet niet denken dat zij op dit terrein winst kan behalen door zich te mengen in de manier waarop een religie zichzelf organiseert. Als ze dat toch doet, schiet ze zich in eigen voet. Ze moeit zich als de tovenaarsleerling met een materie die ze klaarblijkelijk niet beheerst en speelt en passant – zonder dat ze er erg in heeft – de fundamentalistische stromingen binnen de religies in de kaart.

Dick Wursten  

P.S.: Doorgaand op deze analyse denk ik dat er uiteindelijk maar twee opties zijn op dit terrein: 1. contractual religious freedom. Dan kan de staat voorwaarden stellen aan die erediensten die ze subsidie verschaft. 2. De Amerikaans-Franse oplossing (Bill of rights), waarbij freedom of expression gekoppeld is aan een non-establishment clausule, waarin de geldkraan vanuit de overheid richting religieus geïnspireerde initiatieven principieel dichtgaat. Enkel handelingen (bijv. ziekenverpleging, onderwijs volgens het curriculum) die objectief meetbaar overeenstemmen met wat de staat wenselijk acht komen in aanmerking voor subsidie. Dus christelijke ziekenhuizen, christelijke scholen: no problem voor dat deel van hun handelingen, maar niet voor de religieuze omkadering. En bij betwisting: Het recht oordeelt nooit op grond van intenties maar op grond van daden/feiten (acts). Tamelijk radicaal voor België, maar volgens mij de enige gezonde oplossing op de lange termijn.