Het boerkaverbod – argumenten pro en contra

Geldige en ongeldige argumenten i.v.m. het boerkaverbod

Veel argumenten pro of contra die in deze discussie gebruikt worden zijn niet ter zake en zaaien verwarring. Een poging tot rubrificering.

  1. Het dragen van een boerka is niet als verplichting in de Koran terug te vinden. Er is dus geen juridische grond om de dracht van een boerka toe te staan, want de exemptie i.v.m. vrijheid van godsdienst is niet van toepassing.
    • De godfather van deze argumentatie is zonder twijfel Etienne Vermeersch. Hij heeft zo ook aangetoond dat de hoofddoek-dracht niet op de Koran teruggaat. Fijn. De principiële niet-inmening van de staat in zaken van religieuze opvattingen (zij spreekt zich niet uit over theologische kwesties, wat is ketters, wat niet etc.) betekent echter dat gelovigen en religieuze groepen vrij zijn om dat zelf uit te maken, hoe irriationeel hun redenering ook klinkt (dit punt maken de ‘pastafarians’). De staat (politiek en gerecht) doet niet aan theologie.
    • conclusie: naast de kwestie 
  2. Het boerkaverbod bestrijdt de onderdrukking van de vrouw.
    • Etienne Vermeersch en Dirk Verhofstadt geven dit emancipatieargument veel gewicht. Echter: Dat zij hopen dat dit zich als neveneffect zal voordoen, dat mag, maar kan niet als argument voor de invoering gebruikt worden. Wie onrechtmatige vormen van dwang wil aanpakken – en dat moeten we -, moet de onderdrukkers opsporen en op grond van juridisch objectief vaststelbare overtredingen aanklagen, niet de slachtoffers. Gechargeerd: met een Verhofstadt/Vermeersch redenering kun je ook verkrachtingen proberen te bestrijden door een verbod op prikkelende kleding.
    • conclusie: naast de kwestie
  3. Niemand mag volledig geanonimiseerd de publieke ruimte te betreden. Argument: de openbare veiligheid is in het gedrang.
    • Als wij dit vinden – en daar lijkt wat voor te zeggen – dan kunnen we dit inderdaad verbieden met een eenvoudige democratische meerderheid. Zo werkt de wetgevende macht. Als de wettekst vervolgens niet ‘discrimineert’ (d.w.z. niet één bepaalde groep viseert, maar algemeen is), is het legitiem en beweegt zich zulk een wet perfect binnen het kader van de Grondwet. De wet verbiedt dan ‘alle kledij in publiek toegankelijke plaatsen die het gezicht volledig, dan wel grotendeels bedekt’.
    • conclusie: terzake
  4. De godsdienstvrijheid als grondrecht is de meest fundamentele vrijheid, waaruit de anderen zijn voortgekomen en verdient dus een absoluut respect. Over de definitie van wat wel, wat niet, mag niemand oordelen (z.b.: correct dus). Gaan we daaraan morrelen, zo is de redenering, dan stort ons hele systeem van grondrechten ineen.
    • Het Europees verdrag formuleert dit in elk geval niet zo. Daar is een tweede artikel, waarin inperking wordt toegestaan op grond van ‘openbare veiligheid, bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. Ook de Belgische grondwet stelt de godsdienstvrijheid niet boven de wet, maar eronder.
    • Ook historisch en inhoudelijk is deze claim twijfelachtig. De godsdienstvrijheid is niet de basis, maar één van de concretiseringen van van de algemene menselijke vrijheidsrechten, die in ‘de natuur van de mens’ worden geacht te zijn verankerd (en daarom ‘onvervreemdbaar’ zijn). De cruciale vraag is dus eigenlijk deze: Zijn er handelingen of meningen die toegelaten zouden moeten worden op grond van een persoonlijke (al dan niet groepsgebonden) religieuze overtuiging, die niet door de gewetensvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van organisatie worden gedekt? Verder zijn hellend vlak argumentaties vaak een teken van zwakte.
    • conclusie: naast de kwestie

Global Gender Gap & Religion

Mannen zouden overal hetzelfde zijn, lees ik. Dat zal wel, maar ze gedragen zich wel anders. En ook de verhoudingen tussen de sexen is wereldwijd nogal verschillend geregeld, om over de toegang tot de macht (over het eigen lichaam, de eigen ontwikkeling, de economie en de maatschappij) nog maar te zwijgen. Een blik op onderstaande kaart spreekt boekdelen. NB: grijs = No data.

Global Gender Gap Report 2016

Een aardig experiment is om deze kaart eens te leggen op de religieuze wereldkaart (welke religie is dominant in welk land).

Zou een samenleving, met haar geschiedenis, omgangsvormen, zeden en gebruiken, hierin ook niet mede gevormd worden door de dominante ‘levens-beschouwing’? Natuurlijk, en zeker in de zaken betreffende moraal. Religies of heilige boeken verbieden heeft weinig zin, maar wat minder naïviteit zou al een grote sprong voorwaarts zijn.

 

 

Montaigne – hoe ieder religie naar z’n hand zet

uit Montaigne, Essais, boek II, 12

.. Toen de wijsgeer Antisthenes werd ingewijd in de orfische mysteriën en de priester tegen hem zei dat wie zich aan deze eredienst wijdden na hun dood het eeuwige heil te wachten stond, reageerde hij: ‘Waarom sterf je dan zelf niet?’ Diogenes antwoordde (al dwaal ik hiermee wat van mijn onderwerp af), zoals we dat van hem gewend zijn, op een nog grovere wijze, toen een priester hem op eenzelfde manier probeerde over te halen om tot zijn orde toe te treden om het heil in de andere wereld deelachtig te worden: ‘Je wilt mij toch niet wijsmaken dat grote mannen als Agesilaüs en Epaminondas in het leven na de dood ongelukkig zullen worden, maar dat zo’n rund en nietsnut als jij wel gelukzalig wordt, omdat je priester bent?’ Als wij aan zulke grote beloften van eeuwige gelukzaligheid evenveel gezag zouden toekennen als aan een wijsgerige overweging, zouden wij niet zo bang voor de dood zijn als we nu zijn.

[b] Dan zou de stervende niet meer klagen dat hij overgaat
Tot ontbinding, maar verheugd zijn omhulsel achterlaten,
Zoals de slang zijn huid of als een oud hert zijn gewei.*

‘Ik wil ontbonden worden,’ zouden wij zeggen, ‘en samen met Christus zijn.’** De kracht van Plato’s dialoog over de onsterfelijkheid van de ziel bracht sommige van zijn leerlingen ertoe zichzelf te doden, om eerder te kunnen genieten van wat hij voor hen in het verschiet stelde.

Dit alles toont heel duidelijk aan dat wij het geloof op onze eigen manier in ons opnemen en het naar onze hand zetten, precies zoals dat bij andere godsdiensten gaat. Wij zijn geboren in een land waar dit nu eenmaal het geloof is; ofwel wij kijken hoe oud het al is of welke grote mannen ervoor opgekomen zijn, ofwel we zijn bang voor de straffen waarmee de ongelovigen worden bedreigd, ofwel wij jagen zijn beloften na. Zulke overwegingen behoren ons te sterken in onze overtuiging, maar mogen nooit op de eerste plaats komen: het zijn verbanden die de mens zelf legt. Een andere religie, andere voorvechters zouden ons met eendere beloften en dreigementen voor hetzelfde geld het tegengestelde kunnen laten geloven.
[b] Wij zijn even vanzelfsprekend christen als we Gascogner of Duitser zijn.

Apologie van Raymond Sebond, 1580, Essays II,12, vertaling: Hans van Pinxteren – [b] = toevoegingen van Montaigne zelf in de editie van Les Essais van 1595.


noten:
* Non iam se moriens dissolvi conquereretur/ Sed magis ire foras, vestemque relinquere, ut anguis,/ Gauderet, praelonga senex aut cornua cervus. (Lucretius, Over de natuur, iii, 613-615.)
** het ‘wij’ in deze zin is dat van de christenen in West-Europa, waartoe – cultureel, maar het punt dat hij maakt is dat het culturele wel eens het essentiële zou kunnen zijn – Montaigne ook behoort. In de eerste versie van deze Apologie loopt de tekst gewoon door, d.w.z. het citaat uit Lucretius is ingevoegd. De link tussen Lucretius en deze zin zit in het woord ‘dissolvi’. Montaigne verwijst hier namelijk naar het ‘cupio dissolvi’ motief dat in de christelijke traditie de discussie over zelfmoord steevast begeleidt. Dit motief is ontleend aan de verzuchting van Paulus in de Brief aan de Filippenzen 1, 21-24: “Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan [cupio dissolvi] en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.” Montaigne veronderstelt dit allemaal bekend, zodat hij zich niet genoodzaakt voelt de (Latijnse) bijbeltekst te citeren. De Franse parafrase kan volstaan. 

 

Wie bepaalt eigenlijk wie zich moslim mag noemen en wie niet ?

Oppassen met die religieuze marker!

Die terrorist in Nice, was dat nou een moslim of niet? Ja, zegt de Franse regering, maar de politie twijfelt. Zijn vrije seksuele moraal, zijn levensstijl… En de jongens die bij Rouen een priester keelden? De moslimgemeenschap weigerde ze een islamitische begrafenis te geven. Nochtans beriepen zij zich nadrukkelijk op Allah. Wie bepaalt eigenlijk wie zich moslim mag noemen?

[verschenen in het NRC, 15 augustus 2016]

Vragen we theologen om raad, dan hoor je over de vijf zuilen, Koran en Hadith. Maar daar verwijst IS ook naar, alleen komt er dan een ander verhaal uit. Binnen de islam zijn er ontelbare scholen en allemaal presenteren ze hun eigen construct als de ‘ware’ islam. Onderwijl kunnen sunnieten, shi’ieten en salafisten elkaars bloed wel drinken.

Kan, in plaats van de geleerde, de geleefde religie ons helpen? Nou, ook niet echt. Dat blijkt een amalgaam te zijn van gewoontes, tradities, rituelen en opvattingen die per tijd en plaats verschillen. Ze lijken ook meer met afkomst en cultuur te maken te hebben dan met godsdienst in engere zin. De religieuze kleur van veel feesten, eetgewoonten en rolpatronen komt pas aan het licht als ‘gelovigen’ migreren naar een andere cultuur. Plots schuurt het. ‘Niet wijken’ kan dan de reflex zijn, vasthouden! Bij verhuizing van godsdienst X naar cultuur Y bestaat dus het risico dat zo goed als alle do’s and don’ts van cultuur X religieuze voorschriften worden in cultuur Y.

Terug naar de terrorist: als er al sprake is van een religieuze drijfveer, dan kun je die niet zomaar losweken van andere beweegredenen. Religie is een identiteitslaag die doorgaans pas zichtbaar wordt als je ernaar vraagt. De meesten krijgen hun levensbeschouwing van huis uit mee. In de loop van het leven, mede bepaald door het verloop ervan, neem je dingen mee, voeg je iets toe, of laat je wat vallen. De geloofsleer blijft bij dit alles vaak impliciet. Waarom draag je die kleren, waarom vast je? Gewoon, altijd al zo gedaan, ik voel me er goed bij. Vraagt iemand toch door, dan verschuilt een doorsnee gelovige zich graag achter een dominee, imam of een andere expert. Die zal het wel weten. We zijn niet gewend dat we verantwoording moeten afleggen. Dat is niet zo vreemd.

Een overheid die meegaat in het discours dat de religieuze identiteit de kern is van je persoonlijkheid, werkt geestelijke gettovorming in de hand en speelt extremisten in de kaart.

Tot voor vijftig jaar leefden ook wij monocultureel en monoreligieus. De ander was ver weg, en inpasbaar. Nu is het anders. Voortdurend wordt er gevraagd of iemand katholiek, protestant, moslim, ietsist of niets is. Je stamelt wat, er komt nog een halve zin catechismus uit, maar die woorden dekken je levensbeschouwing niet meer. Geloofstaal zet je op het verkeerde been. ‘Ja, ik geloof in een Schepper. Nee, niet letterlijk natuurlijk. En Jezus, goeie kerel, maar zoon van God? Ach, laat maar.’ Om van het gezeur af te zijn laten we ons religieus ophokken: oké, ik ben protestant of katholiek, terwijl de werkelijkheid genuanceerd en complex is, tegenstrijdig zelfs. Zou dat bij moslims anders zijn?

De religieuze drijfveer is verweven met de rest van de persoon en niet zo helder omlijnd als religieuze instituties het voorstellen. Daarom is het ook zo lastig om de religieuze component te bepalen bij terreur. Ja, het islamitisch discours is present: de westerse wereld als vijand – boko haram. Maar dat discours ontleent zijn kracht daar niet aan. Het ent zich op frustratie, agressie, een persoonlijkheidsstoornis of een combinatie ervan.

Eerst zijn er de menselijke driften, vervolgens worden die gekaapt door het religieuze discours en worden ze drijfveren voor terreur.

Voordat we ‘de religie’ betrekken bij terreurbestrijding, geven we ons van deze complexe stand van zaken beter rekenschap. Simpele remedies zijn naast de kwestie bij zo’n ingewikkelde kwaal. Denken dat de promotie van de ‘juiste islam’ veel effect zal hebben, is bijzonder naïef. Toch denken veel overheden in deze zin. Investeer in imams en welzijnswerk, klinkt het alom. Los van de paternalistische ondertoon, wringt dit met de grondwettelijke scheiding van kerk en staat. En: wie gaat de lesboekjes schrijven? Diyanet of Gülen? Om maar iets te noemen. Erger nog: deze verhevigde aandacht voor religie kan averechts uitpakken. Het onderliggende signaal is immers dat je tegen alle ‘cultuurmoslims’ zegt: cultiveer je religie, beken kleur, neem godsdienst serieus.

Wat we over het hoofd zien, is dat vooral de fundamentalisten hierbij gebaat zijn. Zij zullen de aandacht van de overheid voor religie instrumentaliseren. Hun verhaal is bovendien veel strakker en zal zoekers aanspreken. Die weken ze met hun discours vervolgens gemakkelijk los uit de omringende cultuur. De samenleving is in hun strategie eerst godloos, dan goddeloos en uiteindelijk godvijandig. Scheid je daarvan af, betogen ze. Verhoud je enkel nog met echte broeders en zusters. En we zijn vertrokken.

Tijd dus voor een religieuze downplay. Een overheid die meegaat in het discours dat de religieuze identiteit de kern is van je persoonlijkheid, werkt geestelijke gettovorming in de hand en speelt extremisten in de kaart.

 

Wat is religie, wat is cultuur ?

Oppassen met die religieuze marker !

De STANDAARD (B)  / TROUW (NL)
AUGUSTUS 2016  |  Dick Wursten

Als het over botsende culturen gaat, moet je erg voorzichtig zijn om daar religie bij te betrekken, waarschuwt Dick Wursten. Want door migranten als ‘moslims’ aan te spreken, stuur je de constructie van hun nieuwe identiteit in een religieuze richting. Het is hoog tijd voor een algemene zindelijkheidstraining als het gaat over het gebruik van religieuze termen in het maatschappelijk debat.   

Religieuze markers zijn niet ongevaarlijk. Ze roepen veel emotie op en zaaien tweedracht. De geschiedenis toont dat aan. Het te pas en vooral te onpas gebruiken van religieuze markers speelt in de kaart van extremisten. Eens in voege kunnen ze heel gemakkelijk ‘gekaapt’ worden voor negatieve doeleinden. Denk bijvoorbeeld aan die grap uit Belfast, Noord-Ierland. De strijd tussen de ‘protestanten’ en ‘katholieken’ is nog volop aan de gang: bomaanslagen, Bloody Sunday… Een man wordt tegengehouden aan een wegversperring. ‘Protestant of katholiek?’ vraagt een nerveuze soldaat. ‘Ik ben atheïst’, antwoordt de man. ‘Een protestantse atheïst of een katholieke?’ buldert de soldaat.

Religiecriticus Christopher Hitchens vertelt deze anekdote in zijn boek God is not great. De bloedige oorlog in Noord-Ierland is voor hem een van de voorbeelden van de nefaste invloed die godsdienst heeft op het samenleven van mensen. De anekdote is pijnlijk en hilarisch tegelijk, zoals het humor betaamt. Ze brengt echter ook een nuance aan in het betoog van Hitchens omdat de pointe duidelijk maakt dat de religieuze marker (‘protestant of katholiek’) juist niet verwijst naar een religieuze praktijk of een diepdoorleefd geloof als bron van handelen. De religieuze term dient immers simpelweg om ‘de onzen’ van ‘de hunnen’ te onderscheiden. In Noord-Ierland kon je prima atheïst en marxist zijn (zoals veel IRA-leden trouwens waren) en toch te boek staan als een militante katholiek. Ook kon men met oranje vlaggen marcheren door katholieke straten (ja, zelfs straten kunnen een levensbeschouwelijke kleur krijgen) zonder ooit een bijbel te hebben aangeraakt, wat toch wel het absolute minimum is om ‘protestant’ in religieuze zin genoemd te kunnen worden. De religieuze marker diende in Noord-Ierland vooral om het kamp aan te duiden waar je bij hoorde. Het was een groepsetiket, een nom de guerre.

Protestantse of katholieke moslim?

Ik kwam de anekdote onlangs opnieuw tegen in een boek van de Franse socioloog en islamkenner Olivier Roy over de ingewikkelde relatie tussen religie en cultuur. Hij gebruikt het Noord-Ierse voorbeeld om duidelijk te maken hoe ongrijpbaar een religieuze marker eigenlijk is. In zijn versie is de atheïst trouwens een moslim geworden, een Bengalees die een nachtwinkeltje runt op de hoek van een protestantse en een katholieke straat. Op een donkere winteravond stormt een man met een bivakmuts zijn winkel binnen, zwaait met een pistool en roept: ‘Katholiek of protestant?’ ‘Ik ben moslim’, antwoordt de kruidenier. ‘Een katholieke of een protestantse moslim?’ schreeuwt de overvaller. Nu hebben we dus al katholieke atheïsten en protestantse moslims. Blijkbaar kan een religieuze marker gewoon veranderen in een culturele of etnische marker, op voorwaarde dat een bepaalde godsdienst geruime tijd dominant is in een (deel van de) samenleving. Om nog een paar voorbeelden te noemen. Polen zijn katholiek, Russen orthodox en Tibetanen boeddhist. Dat is natuurlijk niet zo. Ze zijn het zeker niet allemaal, en niet op dezelfde manier, er zullen heel veel ‘sociologische gelovigen’ tussen zitten.

Of dichterbij: na eeuwen van levensbeschouwelijke apartheid tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden spreken we gemakkelijk over ‘calvinistische Hollanders’ en ‘katholieke Vlamingen’. Toch weten we allemaal dat op deze combinatie veel uitzonderingen bestaan, dat de uitspraak enkel zin heeft als je de religieuze markers als culturele interpreteert. Het suggereert dat vrijzinnige humanisten in Vlaanderen in culturele zin gestempeld zijn door het katholieke verleden en dat de katholieken in Holland iets calvinistisch hebben.

In deze gevallen blijft het nog allemaal redelijk onschuldig, maar het Noord-Ierse voorbeeld maakt duidelijk dat het niet ongevaarlijk is als de religieuze marker te lang blijft hangen. Haatpredikers als dominee Ian Paisley konden in zo’n taalveld prima gedijen en olie op het vuur blijven gooien, ook toen het vuur al aan het doven was.

De Franse benadering

Het wordt tijd dat we ons hiervan meer rekenschap geven, met name als we over de maatschappelijke aspecten van godsdienst en levensbeschouwing spreken. Waar hebben we het bijvoorbeeld over als we spreken over de ‘moslims van Europa’? Hebben we het dan over de godsdienst van die groep, de islam, zoals de term suggereert? Meestal niet, want ‘moslims’ is veeleer een etnische marker dan een religieuze. We hadden een term nodig voor een groep die we niet zo goed konden plaatsen (zie ook ‘allochtonen’). Daarbij hebben we gegrepen naar de ‘grootste gemene deler’ van de groep en gekozen voor de godsdienst van de meerderheid in de gebieden waaruit ze afkomstig zijn: de islam.

Het woord ‘moslims’ is dus een etnische term. Wij delen dit etnische gebruik van een religieuze term met de Angelsaksische wereld. In officiële Franse publicaties weigert men bewust deze religieuze marker te gebruiken. Daar verwijst men naar dezelfde groep met open omschrijvingen zoals ‘mensen met een migratieachtergrond’. Niet dat men de religie wil negeren, juist niet, maar men wil de mensen daar niet van tevoren op vastpinnen. Of de islam relevant is voor deze mensen zal bij nadere kennismaking wel blijken.

Het voordeel van de Franse benadering, die door de terreuraanslagen trouwens enorm onder druk staat, is dat je de nieuwkomers niet meteen als een ‘gesloten blok’ ziet met religieuze connotatie, maar als mensen met heel diverse culturele achtergronden. Dat strookt in elk geval met de realiteit: ze spreken verschillende talen, ze kennen elkaar helemaal niet en qua levensbeschouwing liggen ze vaak met elkaar overhoop. Net als bij ons is religie maar één aspect van hun veelkleurige en complexe identiteit als mens; en als die al een rol speelt, dan is dat altijd vermengd met die andere aspecten, vaak onbewust en onberedeneerd.

Moslimdominees à la Paisley

Vanaf het moment dat we ‘ze’ moslims noemen, krijgt het religieuze aspect plots veel gewicht, wordt het autonoom en gaat het enorm op het zelfbeeld wegen. Dat is niet wenselijk. Religieuze groepen ontlenen in West-Europa voor een deel hun bestaansreden aan het feit dat ze zich onderscheiden van andere groepen. Een sterke nadruk op dat aspect van de identiteit is dus niet per se bevorderlijk voor het samenleven. Vooral bij de benadering van migranten is de impact van deze aanpak niet te onderschatten. Ze hebben veel zaken waaraan ze hun identiteit ontleenden moeten achterlaten en voelen zich onzeker over ‘wie ze hier nu eigenlijk zijn’. Ze moeten zichzelf heruitvinden. Door hen als ‘moslims’ aan te spreken, stuur je de constructie van hun nieuwe identiteit meteen al in een religieuze richting. En dat is niet ongevaarlijk. Temeer daar er hier inmiddels een hele batterij religieuze sprekers klaarstaat om hen te helpen dat gat in hun identiteit op te vullen. Voor je erg in hebt, kapen moslimdominees à la Paisley met hun politiek-religieuze constructie het discours en zijn we vertrokken voor een volgend potje religieus armworstelen in Europa.

Oppassen met die religieuze marker!

 Wie bepaalt eigenlijk wie zich moslim mag noemen en wie niet ?

Die terrorist in Nice, was dat nou een moslim of niet? Ja, zegt de Franse regering, maar de politie twijfelt. Zijn vrije seksuele moraal, zijn levensstijl… En de jongens die bij Rouen een priester keelden? De moslimgemeenschap weigerde ze een islamitische begrafenis te geven. Nochtans beriepen zij zich nadrukkelijk op Allah. Wie bepaalt eigenlijk wie zich moslim mag noemen?

[verschenen in het NRC, 15 augustus 2016]

Vragen we theologen om raad, dan hoor je over de vijf zuilen, Koran en Hadith. Maar daar verwijst IS ook naar, alleen komt er dan een ander verhaal uit. Binnen de islam zijn er ontelbare scholen en allemaal presenteren ze hun eigen construct als de ‘ware’ islam. Onderwijl kunnen sunnieten, shi’ieten en salafisten elkaars bloed wel drinken.

Kan, in plaats van de geleerde, de geleefde religie ons helpen? Nou, ook niet echt. Dat blijkt een amalgaam te zijn van gewoontes, tradities, rituelen en opvattingen die per tijd en plaats verschillen. Ze lijken ook meer met afkomst en cultuur te maken te hebben dan met godsdienst in engere zin. De religieuze kleur van veel feesten, eetgewoonten en rolpatronen komt pas aan het licht als ‘gelovigen’ migreren naar een andere cultuur. Plots schuurt het. ‘Niet wijken’ kan dan de reflex zijn, vasthouden! Bij verhuizing van godsdienst X naar cultuur Y bestaat dus het risico dat zo goed als alle do’s and don’ts van cultuur X religieuze voorschriften worden in cultuur Y.

Terug naar de terrorist: als er al sprake is van een religieuze drijfveer, dan kun je die niet zomaar losweken van andere beweegredenen. Religie is een identiteitslaag die doorgaans pas zichtbaar wordt als je ernaar vraagt. De meesten krijgen hun levensbeschouwing van huis uit mee. In de loop van het leven, mede bepaald door het verloop ervan, neem je dingen mee, voeg je iets toe, of laat je wat vallen. De geloofsleer blijft bij dit alles vaak impliciet. Waarom draag je die kleren, waarom vast je? Gewoon, altijd al zo gedaan, ik voel me er goed bij. Vraagt iemand toch door, dan verschuilt een doorsnee gelovige zich graag achter een dominee, imam of een andere expert. Die zal het wel weten. We zijn niet gewend dat we verantwoording moeten afleggen. Dat is niet zo vreemd.

Een overheid die meegaat in het discours dat de religieuze identiteit de kern is van je persoonlijkheid, werkt geestelijke gettovorming in de hand en speelt extremisten in de kaart.

Tot voor vijftig jaar leefden ook wij monocultureel en monoreligieus. De ander was ver weg, en inpasbaar. Nu is het anders. Voortdurend wordt er gevraagd of iemand katholiek, protestant, moslim, ietsist of niets is. Je stamelt wat, er komt nog een halve zin catechismus uit, maar die woorden dekken je levensbeschouwing niet meer. Geloofstaal zet je op het verkeerde been. ‘Ja, ik geloof in een Schepper. Nee, niet letterlijk natuurlijk. En Jezus, goeie kerel, maar zoon van God? Ach, laat maar.’ Om van het gezeur af te zijn laten we ons religieus ophokken: oké, ik ben protestant of katholiek, terwijl de werkelijkheid genuanceerd en complex is, tegenstrijdig zelfs. Zou dat bij moslims anders zijn?

De religieuze drijfveer is verweven met de rest van de persoon en niet zo helder omlijnd als religieuze instituties het voorstellen. Daarom is het ook zo lastig om de religieuze component te bepalen bij terreur. Ja, het islamitisch discours is present: de westerse wereld als vijand – boko haram. Maar dat discours ontleent zijn kracht daar niet aan. Het ent zich op frustratie, agressie, een persoonlijkheidsstoornis of een combinatie ervan.

Eerst zijn er de menselijke driften, vervolgens worden die gekaapt door het religieuze discours en worden ze drijfveren voor terreur.

Voordat we ‘de religie’ betrekken bij terreurbestrijding, geven we ons van deze complexe stand van zaken beter rekenschap. Simpele remedies zijn naast de kwestie bij zo’n ingewikkelde kwaal. Denken dat de promotie van de ‘juiste islam’ veel effect zal hebben, is bijzonder naïef. Toch denken veel overheden in deze zin. Investeer in imams en welzijnswerk, klinkt het alom. Los van de paternalistische ondertoon, wringt dit met de grondwettelijke scheiding van kerk en staat. En: wie gaat de lesboekjes schrijven? Diyanet of Gülen? Om maar iets te noemen. Erger nog: deze verhevigde aandacht voor religie kan averechts uitpakken. Het onderliggende signaal is immers dat je tegen alle ‘cultuurmoslims’ zegt: cultiveer je religie, beken kleur, neem godsdienst serieus.

Wat we over het hoofd zien, is dat vooral de fundamentalisten hierbij gebaat zijn. Zij zullen de aandacht van de overheid voor religie instrumentaliseren. Hun verhaal is bovendien veel strakker en zal zoekers aanspreken. Die weken ze met hun discours vervolgens gemakkelijk los uit de omringende cultuur. De samenleving is in hun strategie eerst godloos, dan goddeloos en uiteindelijk godvijandig. Scheid je daarvan af, betogen ze. Verhoud je enkel nog met echte broeders en zusters. En we zijn vertrokken.

Tijd dus voor een religieuze downplay. Een overheid die meegaat in het discours dat de religieuze identiteit de kern is van je persoonlijkheid, werkt geestelijke gettovorming in de hand en speelt extremisten in de kaart.