Inperking van de godsdienstvrijheid wereldwijd (2009-2015)

Soms zeggen ‘geplotte afbeeldingen’ meer dan woorden. Van de site waarop het Pew-research centrum zijn onderzoeksgegevens deelt, haalde ik het overzicht van de officiële inperkingen van de godsdienstvrijheid (horizontale as), afgezet tegen het vijandig gedrag dat de bevolking toont t.o.v. bepaalde religieuze groepen (verticale as). Dus

  • hoe verder naar rechts hoe meer regeltjes de godsdienstvrijheid inperken.
  • Hoe hoger hoe groter de problemen zijn die je in het gewone leven ondervinden kunt vanwege jouw religie.

Meer info op de website van Pew (artikel met toelichting op de onderste grafiek, die de situatie schetst in 2015. Ik heb 2009 eronder gezet. Wat bij vergelijking van beide grafieken opvalt is de steile carrière van Rusland (in negatieve zin) zowel qua regelgeving als qua social harassment. Ook in Nigeria is de reële leefsituatie blijkbaar in snel tempo verslechterd.

 

 

De situatie in 2015

 

 

De situatie in 2009:

 

Alles wat u over religie wilde weten, maar nog nooit hebt durven vragen….

Afgelopen jaren heb ik diverse malen over religie geschreven, en vooral over: hoe we daarmee zouden moeten omgaan in de context van de ‘Open Society’ (Popper). Niet simpel, en precies op dat punt worden m.i. vandaag grote fouten gemaakt, met name omdat men zo weinig nadenkt over wat religie nu eigenlijk is, en hoe het werkt (sociaal-psychologisch). Religie heeft een sterke impact op de persoonlijke en de groeps-identiteit, en daarom hebben fouten in de aanpak (persoonlijk, sociaal, juridisch) grote gevolgen voor de samenleving. Mijn idee was dat het een boek zou worden, maar de probeersels (essays) lieten zich niet ‘samen vatten’ in een verkoopbare vorm. Ik heb ze dus na een lichte bewerking online gezet, met een navigatiemenu erbij. Geen toeters en bellen. Vier hoofdstukken en een nabeschouwing. That’s it. [aldaar ook te downloaden als epub]

Deel 1: Religie, een genealogisch onderzoek

Deel 2: De identiteitscrisis van de christelijke religie

Deel 3: Vrijheid en godsdienst, een haat-liefde verhouding

Deel 4: Het imperialisme van de religieuze identiteitsmarker

Naast hoofdstuk 4 zal ook hoofdstuk 3 de bezoekers van deze weblog wellicht interesseren: een speurtocht naar de geboorte van de mensenrechten en de met name de manier waarop in de Bill of Rights (First Amendment) de godsdienstvrijheid wordt geproclameerd. Dat is namelijk anders dan je zou verwachten. Godsdienstvrijheid is daar nadrukkelijk geformuleerd als twee dingen tegelijk: free exercise en non-establishment. Dat laatste betekent een totaal verbod op overheidsbemoeienis met religieuze zaken. Eind 18de eeuw betekende dat heel concreet: dis-establishment. De officiële kerk moest haar voorrechten opgeven. Voortaan zou er geen enkele financiële of juridische steun meer zijn van overheidswege voor welke vorm van religious establishment dan ook. Dat was namelijk precies wat men in de Nieuwe Wereld spuugzat was. Dat de overheid zich voor het karretje liet spannen van een ‘established Church’, dan wel dat de overheid een religieus instituut gebruikte om andere burgers in het gareel te houden. Iedereen – zo vonden streng-gelovigen, deïsten en atheïsten samen- moest vrij zijn om zijn/haar religieuze impuls te volgen, vorm te geven. Zeker: maar geen enkele van deze vormen zou moeten rekenen op een duwtje in de rug van de overheid: Hands-off!

Multiple establishment (het Belgische systeem) is in de aanloop naar die formulering beproefd, maar werd door de burgers van de nieuwe staat als intrinsiek discriminatoir ervaren. Om meerdere ‘kerken’ (want daar ging het toen over, zo zie je al meteen hoe beperkt de blik van een mens is) tegelijk te steunen, zouden er criteria nodig zijn om te zeggen ‘wat wel en wat niet een kerk’ was. En elke vorm van definitie – zo realiseerde men zich al snel – was een inhoudelijk theologisch oordeel. Let wel: u bent in een overwegend protestants land, waar de ‘free Church’ floreerde en de organisatievorm zeer fluïde was en men heel wantrouwig keek naar ‘religieuze leiders’ die het wel eens zouden komen uitleggen. In dit geval: ‘is’ implies ‘ought’, en daar moest de overheid zich verre van houden. Anders werd het gegarandeerd weer hommeles. Enfin: lees het zelf maar en nog veel meer in mijn grote online voorleesboek over religie.

 

 

De rechten van de mens (kort)

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM)

korte versie

Mensenrechten zijn de basis van vrijheid, gerechtigheid en vrede.
Minachting voor de mensenrechten heeft geleid tot barbaarse handelingen.
Als mensen niet worden beschermd, is opstand tegen onderdrukking het laatste toevlucht.
Alle leden van de Verenigde Naties hebben zich aan deze verklaring gebonden.
Mensenrechten zijn een plicht van iedereen: regering, individu of maatschappelijk orgaan

  1. Iedereen wordt vrij en met gelijke rechten geboren.
  2. De mensenrechten gelden voor wie je maar bent, waar je ook bent.
  3. Je hebt recht op leven, vrijheid en veiligheid.
  4. Slavernij is verboden.
  5. Martelen is verboden.
  6. Je hebt het recht op erkenning voor de wet.
  7. De wet is voor iedereen gelijk.
  8. Als je onrecht is aangedaan, moet je rechtsbescherming krijgen.
  9. Je mag niet zomaar worden opgesloten, of het land uitgezet.
  10. Je hebt recht op een eerlijke en openbare rechtszaak met een onafhankelijke rechter.
  11. Je bent onschuldig tot het tegendeel is bewezen.
  12. Je hebt recht op privacy en op bescherming van je goede naam.
  13. Je mag je vrij verplaatsen in je eigen land. Je mag ieder land (ook je eigen) verlaten.
  14. Als je mensenrechten bedreigd worden, mag je in een ander land asiel vragen.
  15. Je hebt recht op een nationaliteit.
  16. Je mag trouwen met wie je wilt en een gezin stichten.
  17. Je hebt recht op bezit, dat mag niemand zomaar van je afnemen.
  18. Je mag je eigen godsdienst of overtuiging kiezen en daarnaar leven.
  19. Je mag uitkomen voor je mening en je mag overal informatie vandaan halen.
  20. Je mag een vereniging oprichten, niemand mag je dwingen ergens lid van te worden.
  21. Iedereen mag meedoen aan verkiezingen en zich verkiesbaar stellen.
  22. Je hebt recht op maatschappelijke zekerheid.
  23. Je hebt recht op werk naar keuze, met een eerlijk loon. Vakbonden zijn vrij.
  24. Je hebt recht op rust, vrije tijd en betaalde vakantie.
  25. Je hebt recht op voldoende inkomen, zo nodig moet de staat voor je zorgen.
  26. Je hebt recht op onderwijs.
  27. Je hebt recht om te genieten van kunst en cultuur. Cultuur moet worden beschermd.
  28. Alle regeringen moeten ervoor zorgen dat de mensenrechten worden nageleefd.
  29. De wetten en de democratie moeten de mensenrechten beschermen.
  30. Niets van het bovenstaande mag misbruikt worden om de mensenrechten teniet te doen.

Vrijheid van meningsuiting en eredienst (Belgische grondwet)

Gewoon ter info: De BELGISCHE GRONDWET over vrijheid van eredienst, meningsuiting, censuur.

Art. 19 – De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.
Art. 20 – Niemand kan worden gedwongen op enigerlei wijze deel te nemen aan handelingen en aan plechtigheden van een eredienst of de rustdagen ervan te onderhouden.
Art. 21 – De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid…
Art. 25 – De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers. Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.”

De vrijheid van meningsuiting kan, volgens de Grondwet, in beginsel niet aan preventieve maatregelen worden onderworpen. Dit verbod geldt ook voor meningen, die, na het uiten ervan, strafbaar zijn (bv. aanzetten tot racisme, vreemdelingenhaat of discriminatie). Met dit beginsel heeft men het echter niet zo nauw genomen de afgelopen jaren. Er is een tendens om de vrije meningsuiting af te wegen tegen (op welke gronden?) tegen de efficiënte bescherming van andere rechtsgoederen (bv. het recht op eerbiediging van het privéleven). Ook is het onderscheid tussen preventieve en repressieve maatregelen niet altijd even gemakkelijk. Mis­bruik van de vrijheid van meningsuiting wordt gesanctioneerd, als er sprake is van

  • Aanzetten tot racisme, vreemdelingenhaat, discriminatie
  • eerrovende, lasterlijke of beledigende uitingen.
  • ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen en goedkeuren van de tijdens de Tweede Wereldoorlog gepleegde genocide
  • uitingen die strijdig zijn met de goede zeden. Artikel 383) stelt immers dat iemand die liederen, vlugschriften of andere geschriften, al dan niet gedrukt, afbeeldingen of prenten die strijdig met de goede zeden, tentoonstelt, verkoopt, of verspreidt” eveneens vervolging riskeert. Tsja. Mohammedcartoons kunnen dus strafbaar worden als de meerderheid van de samenleving dat in strijd vindt met ‘de goede zeden’.

De logica en de objectiviteit van deze uitzonderingen ontgaat mij een beetje, moet ik zeggen.

Tenslotte: De vrijheid van meningsuiting is een juridische norm en kan dus leiden tot strafbaarheid of een rechtsvordering. Dat wil dus zeggen dat zelf in jouw morele universum strenger mag zijn dan de juridische norm. Oftewel: Je mag uitingen afkeuren die juridisch zijn toegelaten (en dus vallen binnen het kader van de vrijheid van meningsuiting). Dat is juist de essentie van de vrijheid van mening(suiting). Je kunt dus bepaald gedrag, een cartoon, een mening laakbaar vinden, maar dat wil niet zeggen dat het niet mag. Enkel dat jij het afkeurt. Je vindt het bijv. gewoon onbeschoft, of ‘not done’ om de profeet Mohammed af te beelden. Dus keur je het af, maar het is – vooralsnog – niet strafbaar, tenzij je het via art. 383 van de Strafwet probeert….

 

Het boerkaverbod – argumenten pro en contra

Geldige en ongeldige argumenten i.v.m. het boerkaverbod

Veel argumenten pro of contra die in deze discussie gebruikt worden zijn niet ter zake en zaaien verwarring. Een poging tot rubrificering.

  1. Het dragen van een boerka is niet als verplichting in de Koran terug te vinden. Er is dus geen juridische grond om de dracht van een boerka toe te staan, want de exemptie i.v.m. vrijheid van godsdienst is niet van toepassing.
    • De godfather van deze argumentatie is zonder twijfel Etienne Vermeersch. Hij heeft zo ook aangetoond dat de hoofddoek-dracht niet op de Koran teruggaat. Fijn. De principiële niet-inmening van de staat in zaken van religieuze opvattingen (zij spreekt zich niet uit over theologische kwesties, wat is ketters, wat niet etc.) betekent echter dat gelovigen en religieuze groepen vrij zijn om dat zelf uit te maken, hoe irriationeel hun redenering ook klinkt (dit punt maken de ‘pastafarians’). De staat (politiek en gerecht) doet niet aan theologie.
    • conclusie: naast de kwestie 
  2. Het boerkaverbod bestrijdt de onderdrukking van de vrouw.
    • Etienne Vermeersch en Dirk Verhofstadt geven dit emancipatieargument veel gewicht. Echter: Dat zij hopen dat dit zich als neveneffect zal voordoen, dat mag, maar kan niet als argument voor de invoering gebruikt worden. Wie onrechtmatige vormen van dwang wil aanpakken – en dat moeten we -, moet de onderdrukkers opsporen en op grond van juridisch objectief vaststelbare overtredingen aanklagen, niet de slachtoffers. Gechargeerd: met een Verhofstadt/Vermeersch redenering kun je ook verkrachtingen proberen te bestrijden door een verbod op prikkelende kleding.
    • conclusie: naast de kwestie
  3. Niemand mag volledig geanonimiseerd de publieke ruimte te betreden. Argument: de openbare veiligheid is in het gedrang.
    • Als wij dit vinden – en daar lijkt wat voor te zeggen – dan kunnen we dit inderdaad verbieden met een eenvoudige democratische meerderheid. Zo werkt de wetgevende macht. Als de wettekst vervolgens niet ‘discrimineert’ (d.w.z. niet één bepaalde groep viseert, maar algemeen is), is het legitiem en beweegt zich zulk een wet perfect binnen het kader van de Grondwet. De wet verbiedt dan ‘alle kledij in publiek toegankelijke plaatsen die het gezicht volledig, dan wel grotendeels bedekt’.
    • conclusie: terzake
  4. De godsdienstvrijheid als grondrecht is de meest fundamentele vrijheid, waaruit de anderen zijn voortgekomen en verdient dus een absoluut respect. Over de definitie van wat wel, wat niet, mag niemand oordelen (z.b.: correct dus). Gaan we daaraan morrelen, zo is de redenering, dan stort ons hele systeem van grondrechten ineen.
    • Het Europees verdrag formuleert dit in elk geval niet zo. Daar is een tweede artikel, waarin inperking wordt toegestaan op grond van ‘openbare veiligheid, bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. Ook de Belgische grondwet stelt de godsdienstvrijheid niet boven de wet, maar eronder.
    • Ook historisch en inhoudelijk is deze claim twijfelachtig. De godsdienstvrijheid is niet de basis, maar één van de concretiseringen van van de algemene menselijke vrijheidsrechten, die in ‘de natuur van de mens’ worden geacht te zijn verankerd (en daarom ‘onvervreemdbaar’ zijn). De cruciale vraag is dus eigenlijk deze: Zijn er handelingen of meningen die toegelaten zouden moeten worden op grond van een persoonlijke (al dan niet groepsgebonden) religieuze overtuiging, die niet door de gewetensvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van organisatie worden gedekt? Verder zijn hellend vlak argumentaties vaak een teken van zwakte.
    • conclusie: naast de kwestie

De geest van Napoleon… en de vrijheid van godsdienst

“het volk zal z’n godsdienst hebben, maar ik houd de touwtjes in handen”, zei Napoleon, en sloot een concordaat met Rome (1801). De huidige wetgever redeneert nog steeds zo en gebruikt (misbruikt) de wet op de organisatie van de erkende erediensten als instrument om religie te ‘managen’. Echter: Religion is an unruly thing, en als je in zulke materie optreedt zoals de tovenaarsleerling uit het sprookje, maak je brokken. En dat zie ik inmiddels alom gebeuren. Mijns inziens is het dan ook hoog tijd om de geest van Napoleon uit te drijven: De organisatie van de godsdienstige impuls en de instellingen van het land (kerk èn staat) moeten echt van elkaar losgemaakt worden. Het zal beiden (staat èn kerk) ten goede komen. De staat is van het gezeur af, en religie wordt eindelijk ècht een vrije keuze.

De grondwet (eredienstfinanciering als alimentatie na een halfbakken scheiding van kerk en staat)

De financieringsplicht van de erkende erediensten (in het Frans: cultes) staat in de grondwet, zeker, maar de grondwet – met alle respect – is en blijft een historisch document. En het is niet noodzakelijk zo dat wat in 1831 een goed idee leek (namelijk de subsidiëring van de materiële en personele kosten van de rooms-katholieke eredienst), dat dat 186 jaar later nog steeds beantwoordt aan de maatschappelijke noden op het terrein van religie. Toen leek het – voortbouwend op het concordaat met Napoleon – een redelijke compensatie voor de annexatie van de kerkelijke goederen. Dit is vervolgens in de Belgische grondwet opgenomen (maar stond ook al in de grondwet on der Willem I, uitgewerkt in een een het latere Nederland beruchte Algemeen Reglement – 1816). Onderwijl is de rooms-katholieke kerk haar positie van bevoorrechte partner van de staat wel kwijtgeraakt en moet ze in België de aandacht delen met andere kandidaten. Kerk (beter: de geïnstitutionaliseerde religie) en staat (beter: het burgerlijk bestuur) zijn gescheiden. Zoals bij veel scheidingen was de alimentatieregeling – zo kun je de definitieve wet op de financiering van de erediensten eigenlijk best noemen – niet zonder slag of stoot tot stand gekomen en waren er later nog geregeld hevige conflicten. Vooral de diverse ‘schoolstrijden’ hakten er diep in. Toch werd het scheidingscontract nooit wezenlijk aangepast. Dat vond men niet nodig. De overheid bleef instaan voor de financiering van de kerk, zowel qua personeelskosten als betreffende het onderhoud en de inrichting van de gebouwen

Echter: bij de opstelling van het concordaat, en dus ook bij de alimentatieregeling later, had men slechts één georganiseerde religie in beeld: de rooms-katholieke kerk. De wet is ook op haar maat gemaakt. De bestuurlijke uitwerking past immers perfect bij een hiërarchisch georganiseerde priesterlijk-cultische religie, zoals de rooms-katholieke. Nadien meldden zich ook andere godsdiensten en eisten ‘gelijke behandeling’ voor hun eredienst en verkregen die ook. Neutraal is neutraal. Het gevolg is dat de Belgische staat in zaken van religie promiscue is geworden. Was dit eerst tot grote ergernis van de belangrijkste ex (de rooms-katholieke kerk), gaandeweg legde iedereen zich erbij neer en settelde zich. Het gevolg is dat de overheid nu moet instaan voor de alimentatie van zeven erkende erediensten èn de als eredienst verkleedde georganiseerde vrijzinnigheid. Men verdedigt het tegenwoordig met de redenering dat zo de overheid ‘wenselijke en onwenselijke’ vormen van eredienst kan onderscheiden en minoriteiten kan beschermen. Van wereldvreemdheid gesproken ! De realiteit is anders. Door het simpele feit dàt je religieuze instituten de kans geeft om zich uit te bouwen (dat is het effect en doel van de subsidie), je het behoren bij een religieuze groep als identiteitskenmerk versterkt. Dit heeft twee perverse neveneffecten:

  1. De religieuze identifyer verdeelt mensen in groepen, en installeert het wij-zij denken. Religie kan op persoonlijk vlak veel goed doen, maar sociaal bezien is het één van de meest scheidende, verdeeldheid zaaiende, principes, die wij kennen. Het zich identificeren als ‘moslim’, ‘christen’, ‘atheïst’ etc. Hoe nefast dit kan zijn voor een hyperdiverse samenleving leert ons… de geschiedenis. Onze eigen Europese, maar ook bijv. de Pakistaanse-Indische. 
  2. De feitelijke vrijheid van godsdienst neemt af, want de meeste religieuze instituten willen mensen aan zich te binden, al dan niet expliciet. Binnen een religieus instituut is er minder godsdienstvrijheid dan daarbuiten. Hoeveel vrij-denkende priesters zijn uit de kerk gezet.  Liberale moslims krijgen reële doodsbedreigingen.

Mensen die dus vrij willen denken en geloven, krijgen geen subsidie, mogen de door de overheid gesponsorde gebouwen niet gebruiken, hebben geen personeel ter ondersteuning… Op zich prima, maar dit is wel geïnstalleerde ongelijkheid. Idem voor groepen die niet aan de erkenningscriteria willen voldoen omdat die niet neutraal zijn. Kortom: Wie zal dus sterker worden? De officiële religie, die per definitie traditioneel is (dus ‘patriarchaal angehaucht‘, zeker als men zich beroept op oude teksten) en die mensen aan zich bindt via een systeem van ‘jij hoort wel bij ons’ en ‘jij niet’ (wij-zij denken). Hierdoor wordt veel wat on- of zelfs anti-modern (bijv. discriminatie van vrouwen, slaan van kinderen, besnijdenis, onverdoofd slachten) met overheidssteun in stand gehouden en versterkt.

Het effect van deze vorm van eredienstfinanciering is dat de invloed en macht van de religieuze systemen op individuele mensen wordt versterkt, m.a.w.: precies het tegenovergestelde van de intentie van de founding fathers van freedom of expression (and religion).

Ik vind het dan ook niet verwonderlijk dat sommigen vinden dat het tijd is voor een update van het systeem van de eredienstfinanciering. Die was gemotiveerd door staatsraison. Toen misschien verdedigbaar, nu ‘on-redelijk’ en contraproductief. De geest van Napoleon – “Het volk moet een religie hebben, en deze moet zijn in de handen der regering” – waart dus nog tezeer in het politieke halfrond. De wet op de erediensten staat de echte vrijheid van godsdienst (een mensen-recht, geen instituten-recht) eerder in de weg, dan dat ze die bevordert. En het is de samenleving die het gelag betaalt.

Hoe kan zo’n update er dan uitzien ?

Het heeft weinig zin om – zoals mw. Rutten (Open VLD) deed in april 2017, niet voor het eerst, noch voor het laatst – te pleiten voor een scheiding van kerk en staat in die zin dat mensen hun religieuze overtuigingen ‘thuis’ zouden moeten laten. Dat is een dom pleidooi en naast de kwestie. De scheiding van kerk en staat gaat over bestuurlijke bevoegdheid: De staat bestuurt het leven van de burgers zoals zij vindt dat zij dat doen moet (daarop bestaan verschillende visies) en de kerk organiseert zich zoals zij vindt dat ze dat doen moet (dat is de vrijheid van meningsuiting en van vereniging). Mensen hoeven hun religieuze overtuigingen niet thuis te laten als ze de voordeur uitgaan. Neen: burgers kunnen vanuit hun geloof aan politiek doen. Dat is niet meer of minder nobel dan vanuit een partijprogramma links of rechts. Prima. Laat iedereen het maar proberen om zijn visioenen en visies in de publieke ruimte binnen te brengen en met algemeen begrijpelijke argumenten anderen te overtuigen om daarin mee te gaan. Dat is burgerschap en burgerzin. Geen subsidie voor groep x of y, want dat is debat-vervalsing. De staat zal een kerk (zelforganisatie van een groep burgers) vervolgens ook enkel aanpakken als ze de wet overtreedt, net zoals ze bij elke andere vereniging doet. No problem, but that’s it, and that’s all. Voor zulke verenigingen hoeven ook geen andere subsidiekanalen te zijn dan die waarlangs ook andere verenigingen soms aan overheidsgeld kunnen geraken (sociaal/cultureel/educatief nut). Vanuit de huidige realiteit (waarin veel christelijke instituties nog verknoopt zijn met algemeen maatschappelijk werk) moet er dus transparantie komen met betrekking tot de dingen die vanuit de religieuze instellingen gedaan worden op het terrein van het algemeen nut, want dat blijft dus een zaak van publiek belang. De christelijke zuil heeft immers eeuwenlang een deel van de zaken gedaan die de staat nu als haar taak ziet, bijv. ziekenverpleging, onderwijs. Op dit punt zullen er dus duidelijke afspraken moeten gemaakt worden tussen enerzijds de georganiseerde religieuze instituten en para-religieuze instellingen (scholen en ziekenhuizen) en anderzijds de diverse burgerlijke overheden. Daarbij zal de burgerlijke overheid natuurlijk nog steeds geld spenderen aan allerlei zaken die ook met religie te maken, maar ze zal ze niet financieren inclusief het religieuze aspect (zoals nu het geval is), maar enkel omdat er handelingen van algemeen nut plaatsvinden (verpleging van zieken, sociale opvang, onderwijs). Dat ze de bouw en het onderhoud van religieuze gebouwen en religieus personeel niet betaalt, lijkt me een evidentie. En voor u denkt, dat heb je weer zo’n religie-basher: ik ben inspecteur godsdienstonderwijs, en stel mijn eigen beroep hiermee ook ter discussie. Alles kan beter, en in elk geval helderder.

Een neutrale overheid oordeelt nooit over intenties, maar wel over concrete handelingen. Die laatste financiert ze omwille van zichzelf, niet omwille van de intentie waarmee ze wordt uitgevoerd. Of iemand zieken verpleegt omdat God dat vraagt of omdat men geld wil verdienen, is hier niet van belang. Als het maar gebeurt volgens de regels der kunst.

Een groot aantal kerkgebouwen is monument, of stedebouwkundig een cruciaal onderdeel van landschap/buurt, en gezondheidszorg en onderwijs hoort tot de kerntaken van de overheid. Dus zal ze ook hospitalen en scholen uit de ‘katholieke (of andere) zuil’ blijven subsidiëren, maar niet ‘zonder meer’ en ook niet all-in. Het onderhoud van bepaalde kerkgebouwen zal dan via monumentenzorg en stedebouwkundig erfgoedbeheer verlopen. Maar nieuwe kerken bouwen, of moskeeën: prima, maar dat moet de religieuze gemeenschap dan wel zal betalen. Idem voor bestaande niet als monument of landschap erkende christelijke kerken. Religieuze componenten moeten religieuze gemeenschappen zelf organiseren en financieren. Het spijt me. Scheiden doet lijden. Het zal ook niet simpel zijn, maar een alimentatieregeling die nog geheel de geest ademt van ‘Napoleon’ verdient na 186 jaar inderdaad wel eens een update, sterker nog: het is tijd dat er een nieuwe geest gaat waaien.

Dick Wursten

De geest van Napoleon en de eredienstfinanciering

“het volk zal z’n godsdienst hebben, maar ik houd de touwtjes in handen”, zei Napoleon, en sloot een concordaat met Rome (1801). De huidige wetgever redeneert nog steeds zo en gebruikt de wet op de erkende erediensten als instrument om religie te ‘managen’. In de praktijk blijkt ze even onmachtig als Napoleon. Religion is an unruly thing. Het getouwtrek de laatste dagen tussen de twee bevoegde – maar machteloze – ministers Geens en Homans is dan ook een farce.

En erger: terwijl zij elkaar vliegen afvangen over wel/niet erkennen van sommige moskees maken identitairen (zij die van hun religie de kern van hun identiteit maken) van het recht op godsdienstvrijheid misbruik om hun speelruimte (in de samenleving) en invloedssfeer (in eigen middens) te vergroten, zodat de echte vrijheid van godsdienst voor veel mensen weer een stukje kleiner is geworden. De vraag die beide ministers niet stellen, maar die eigenlijk hoogdringend is, luidt: Is het maatschappelijk eigenlijk wel wenselijk om religieuze instituten financieel te ondersteunen bij hun uitbouw, zoals de Belgische wetgeving voorziet ? Ik meen dat daar heel wat haken en ogen aanzitten en dat het hoog tijd wordt om de geest van Napoleon uit te drijven.

De organisatie van de godsdienstige impuls en de instellingen van het land (kerk èn staat) moeten echt van elkaar losgemaakt worden. Het zal beiden (staat èn kerk) ten goede komen. De staat is van het gezeur af, en religie wordt eindelijk ècht een vrije keuze.

U neemt dat niet zomaar van mij aan? Gelijk hebt u. Hieronder wat achtergrond bij de huidige praktijk en enkele van haar wonderlijke neveneffecten en een korte oefening om zich voor te stellen wat er gebeurt als ‘kerk en staat’ elkaar echt vrij zouden laten.

De grondwet (eredienstfinanciering als alimentatie na een halfbakken scheiding van kerk en staat)

De financieringsplicht van de erkende erediensten (in het Frans: cultes) staat in de grondwet, zeker, maar de grondwet – met alle respect – is en blijft een historisch document. En het is niet noodzakelijk zo dat wat in 1831 een goed idee leek (namelijk de subsidiëring van de materiële en personele kosten van de rooms-katholieke eredienst), dat dat 186 jaar later nog steeds beantwoordt aan de maatschappelijke noden op het terrein van religie. Toen leek het – voortbouwend op het concordaat met Napoleon – een redelijke compensatie voor de annexatie van de kerkelijke goederen. In de Belgische grondwet (maar ook al in de grondwet onder Willem I, uitgewerkt in een algemeen reglement in 1816) is de rooms-katholieke kerk haar positie van bevoorrechte partner van de staat kwijt en moet ze dus de aandacht delen met andere kandidaten. Voortaan waren kerk (beter: de geïnstitutionaliseerde religie) en staat (beter: het burgerlijk bestuur) gescheiden. Zoals bij veel scheidingen was de alimentatieregeling – zo kun je de definitieve wet op de financiering van de erediensten eigenlijk best noemen – niet zonder slag of stoot tot stand gekomen en waren er later nog geregeld hevige conflicten – vooral de diverse ‘schoolstrijden’ hakten er diep in. Toch werd het scheidingscontract nooit wezenlijk aangepast. Dat vond men niet nodig. De overheid bleef instaan voor de financiering van de kerk, zowel qua personeelskosten als betreffende het onderhoud en de inrichting van de gebouwen

Echter: bij de opstelling van deze alimentatieregeling had men slechts één georganiseerde religie in beeld: de rooms-katholieke kerk. De wet is ook op haar maat gemaakt (de bestuurlijke uitwerking past precies bij een hiërarchisch georganiseerde priesterlijk-cultische religie). Nadien meldden zich ook andere godsdiensten en eisten ‘gelijke behandeling’ voor hun eredienst en verkregen die ook. Neutraal is neutraal. Het gevolg is dat de Belgische staat in zaken van religie promiscue is geworden. Was dit eerst tot grote ergernis van de belangrijkste ex (de rooms-katholieke kerk), gaandeweg legde iedereen zich erbij neer en settelde zich. Het gevolg is dat de overheid nu moet instaan voor de alimentatie van zeven erkende erediensten. De erkenning vereist slechts dat men volgens een aantal formele regels, die afgeleid zijn van de de rooms-katholieke kerkorganisatie en dus bijv. slecht passen voor de protestantse godsdienst en al helemaal niet voor de islam, is georganiseerd. Ook de georganiseerde vrijzinnigheid heeft in een laat stadium (1993) de overheid verleid – via een soort travestie-act waarbij ze zich verkleedde als ‘eredienst’ – om mee te kunnen eten uit de ruif. Het Boeddhisme, een aantal Hindoe-groeperingen en de Syrisch-orthodoxe kerk hebben een aanvraag ingediend. Waarom die nog niet erkend zijn, is niet echt duidelijk. De erkenningscriteria zijn ook bijzonder vaag. De rechtsongelijkheid die hierdoor is ontstaan, is eigenlijk niet acceptabel. Ze grenst aan willekeur.

Heeft u zich bijvoorbeeld wel eens afgevraagd waarom er eigenlijk vier varianten van het christendom erkend zijn als aparte godsdienst (rooms-katholiek, orthodox, anglicaans, protestants) en maar één islamitische? Het antwoord: een historische toevalligheid (z.b.). Anglicaans is bijvoorbeeld enkel erkend, omdat de eerste Belgische koning in Oostende graag zijn Engelse familie entertainde. Hier heerst de willekeur dus in zo sterke mate, dat rechters zich eigenlijk geen raad meer weten als ze uitspraken ten gronde moeten doen over zaken die met de vrijheid van godsdienst hebben te maken (hoofddoek, vergiet, ritueel slachten, exemptieclaims etc.).

Onderwijl blijft de overheid braaf de onderhoudskosten betalen, de alimentatie. Waarom? Zo is dat afgesproken, het staat in de wet. En blijkbaar denken veel politici dat ze zo ook stiekem controle kunnen houden over het doen en laten van al die levensbeschouwelijke organisaties. Dat is wel tegen de geest van het mensenrecht op vrijheid van godsdienst, maar past volkomen in de originele motivatie van het concordaat van Napoleon: het volk mag z’n godsdienst hebben, maar wij (de staat) houden de controle. Nochtans lijkt me die redeneerwijze naïef. Denkt minister Geens nu echt dat hij door ‘brave moslims’ te helpen de invloed van ‘stoute moslims’ kan terugdringen? Puur Wishful thinking: Religieuze groepen doen en zeggen toch wat ze willen, met of zonder subsidie. Wat bij dit alles de minister (maar hij is de enige niet) over het hoofd ziet, is dat door het simpele feit dàt je religieuze instituten de kans geeft om zich uit te bouwen (dat is het effect en doel van de subsidie), je het behoren bij een religieuze groep als identiteitskenmerk versterkt. Dit heeft twee perverse neveneffecten:

  1. De religieuze identifyer verdeelt mensen in groepen, en installeert het wij-zij denken. Religie kan op persoonlijk vlak veel goed doen, maar sociaal bezien is het één van de meest scheidende, verdeeldheid zaaiende, principes, die wij kennen. Het zich identificeren als ‘moslim’, ‘christen’, ‘atheïst’ etc. Hoe nefast dit kan zijn voor een hyperdiverse samenleving leert ons… de geschiedenis. Onze eigen Europese, maar ook bijv. de Pakistaanse-Indische. 
  2. De feitelijke vrijheid van godsdienst neemt af, want de meeste religieuze instituten willen mensen aan zich te binden, al dan niet expliciet. Binnen een religieus instituut is er minder godsdienstvrijheid dan daarbuiten. Hoeveel vrij-denkende priesters zijn uit de kerk gezet.  Liberale moslims krijgen reële doodsbedreigingen.

Mensen die dus vrij willen denken en geloven, krijgen geen subsidie, mogen de door de overheid gesponsorde gebouwen niet gebruiken, hebben geen personeel ter ondersteuning… Op zich prima, maar dit is wel geïnstalleerde ongelijkheid. Idem voor groepen die niet aan de erkenningscriteria willen voldoen omdat die niet neutraal zijn. Kortom: Wie zal dus sterker worden? De officiële religie, die per definitie traditioneel is (dus ‘patriarchaal angehaucht‘, zeker als men zich beroept op oude teksten) en die mensen aan zich bindt via een systeem van ‘jij hoort wel bij ons’ en ‘jij niet’ (wij-zij denken). Hierdoor wordt veel wat on- of zelfs anti-modern (bijv. discriminatie van vrouwen, slaan van kinderen, besnijdenis, onverdoofd slachten) met overheidssteun in stand gehouden en versterkt.

Het effect van deze vorm van eredienstfinanciering is dat de invloed en macht van de religieuze systemen op individuele mensen wordt versterkt, m.a.w.: precies het tegenovergestelde van de intentie van de founding fathers van freedom of expression (and religion).

Ik vind het dan ook niet verwonderlijk dat sommigen vinden dat het tijd is voor een update van het systeem van de eredienstfinanciering. Die was gemotiveerd door staatsraison. Toen misschien verdedigbaar, nu ‘on-redelijk’ en contraproductief. De geest van Napoleon – “Het volk moet een religie hebben, en deze moet zijn in de handen der regering” – waart dus nog tezeer in het politieke halfrond. De wet op de erediensten staat de echte vrijheid van godsdienst (een mensen-recht, geen instituten-recht) eerder in de weg, dan dat ze die bevordert. En het is de samenleving die het gelag betaalt.

Hoe kan zo’n update er dan uitzien ?

Het heeft weinig zin om – zoals mw. Rutten (Open VLD) deed in april 2017, niet voor het eerst, noch voor het laatst – te pleiten voor een scheiding van kerk en staat in die zin dat mensen hun religieuze overtuigingen ‘thuis’ zouden moeten laten. Dat is een dom pleidooi en naast de kwestie. De scheiding van kerk en staat gaat over bestuurlijke bevoegdheid: De staat bestuurt het leven van de burgers zoals zij vindt dat zij dat doen moet (daarop bestaan verschillende visies) en de kerk organiseert zich zoals zij vindt dat ze dat doen moet (dat is de vrijheid van meningsuiting en van vereniging). Mensen hoeven hun religieuze overtuigingen niet thuis te laten als ze de voordeur uitgaan. Neen: burgers kunnen vanuit hun geloof aan politiek doen. Dat is niet meer of minder nobel dan vanuit een partijprogramma links of rechts. Prima. Laat iedereen het maar proberen om zijn visioenen en visies in de publieke ruimte binnen te brengen en met algemeen begrijpelijke argumenten anderen te overtuigen om daarin mee te gaan. Dat is burgerschap en burgerzin. Geen subsidie voor groep x of y, want dat is debat-vervalsing. De staat zal een kerk (zelforganisatie van een groep burgers) vervolgens ook enkel aanpakken als ze de wet overtreedt, net zoals ze bij elke andere vereniging doet. No problem, but that’s it, and that’s all. Voor zulke verenigingen hoeven ook geen andere subsidiekanalen te zijn dan die waarlangs ook andere verenigingen soms aan overheidsgeld kunnen geraken (sociaal/cultureel/educatief nut). Vanuit de huidige realiteit (waarin veel christelijke instituties nog verknoopt zijn met algemeen maatschappelijk werk) moet er dus transparantie komen met betrekking tot de dingen die vanuit de religieuze instellingen gedaan worden op het terrein van het algemeen nut, want dat blijft dus een zaak van publiek belang. De christelijke zuil heeft immers eeuwenlang een deel van de zaken gedaan die de staat nu als haar taak ziet, bijv. ziekenverpleging, onderwijs. Op dit punt zullen er dus duidelijke afspraken moeten gemaakt worden tussen enerzijds de georganiseerde religieuze instituten en para-religieuze instellingen (scholen en ziekenhuizen) en anderzijds de diverse burgerlijke overheden. Daarbij zal de burgerlijke overheid natuurlijk nog steeds geld spenderen aan allerlei zaken die ook met religie te maken, maar ze zal ze niet financieren inclusief het religieuze aspect (zoals nu het geval is), maar enkel omdat er handelingen van algemeen nut plaatsvinden (verpleging van zieken, sociale opvang, onderwijs). Dat ze de bouw en het onderhoud van religieuze gebouwen en religieus personeel niet betaalt, lijkt me een evidentie. En voor u denkt, dat heb je weer zo’n religie-basher: ik ben inspecteur godsdienstonderwijs, en stel mijn eigen beroep hiermee ook ter discussie. Alles kan beter, en in elk geval helderder.

Een neutrale overheid oordeelt nooit over intenties, maar wel over concrete handelingen. Die laatste financiert ze omwille van zichzelf, niet omwille van de intentie waarmee ze wordt uitgevoerd. Of iemand zieken verpleegt omdat God dat vraagt of omdat men geld wil verdienen, is hier niet van belang. Als het maar gebeurt volgens de regels der kunst.

Een groot aantal kerkgebouwen is monument, of stedebouwkundig een cruciaal onderdeel van landschap/buurt, en gezondheidszorg en onderwijs hoort tot de kerntaken van de overheid. Dus zal ze ook hospitalen en scholen uit de ‘katholieke (of andere) zuil’ blijven subsidiëren, maar niet ‘zonder meer’ en ook niet all-in. Het onderhoud van bepaalde kerkgebouwen zal dan via monumentenzorg en stedebouwkundig erfgoedbeheer verlopen. Maar nieuwe kerken bouwen, of moskeeën: prima, maar dat moet de religieuze gemeenschap dan wel zal betalen. Idem voor bestaande niet als monument of landschap erkende christelijke kerken. Religieuze componenten moeten religieuze gemeenschappen zelf organiseren en financieren. Het spijt me. Scheiden doet lijden. Het zal ook niet simpel zijn, maar een alimentatieregeling die nog geheel de geest ademt van ‘Napoleon’ verdient na 186 jaar inderdaad wel eens een update, sterker nog: het is tijd dat er een nieuwe geest gaat waaien.

Dick Wursten

Hoofddoek, vergiet en nikab

Religieuze gedragsvoorschriften verplichten de samenleving niet

De rechter heeft gelijk: aan religieuze klederdracht mogen best beperkingen worden gesteld.

Het dragen van bepaalde soorten kleding wordt al te gemakkelijk opgehangen aan de vrijheid om je godsdienst te beleven. We zijn in dit land gelukkig sowieso vrij om ons in het openbaar te kleden zoals we willen. Er ligt alleen een grens bij (geen) kleding die ernstige aanstoot geeft voor de eerbaarheid, uniformen waartoe je niet gerechtigd bent (politie, bijvoorbeeld) en maskers die herkenbaarheid onmogelijk maken (behalve op carnaval). Kleding waarvan de dragers zeggen dat ze die moeten dragen vanwege hun overtuiging, is dus meestal vrij. Maar genoemde grenzen gelden ook voor religieuze klederdracht.

Het is van belang dat een politieagent een geheel onpartijdige indruk maakt

De recente uitspraak van de rechter (de Centrale Raad van Beroep) in de zaak van een nikab-draagster tegen de gemeente Utrecht is daarom belangrijk. Mag de gemeente eisen dat een bijstandsgerechtigde voor het meemaken van een werktraining haar nikab, haar gezichtsbedekkende sluier, aflegt en volstaat met een hoofddoek? Ja, zegt de rechter, de nikab is een wezenlijke belemmering voor de arbeidsparticipatie. Een beroep op godsdienstvrijheid geldt in dit verband dus niet. Bij bepaalde functies geldt dat ook. Het is van belang is dat een politieagent, of een rechter, of soms een ambtenaar, een geheel onpartijdige indruk maakt. Het dragen van kenmerken bij je uniform of toga waarmee je uitkomt voor een overtuiging (religieus, politiek of anderszins) is dan ongewenst.

Godsdienstvrijheid is vooral de vrijheid om er een overtuiging op na te houden

Leuk idee van de politie in Amsterdam om agenten die moslima zijn in het belang van de verscheidenheid een hoofddoek te laten dragen, maar ik begrijp de beslissing van de korpsleiding die zegt dat het niet kan. Heeft kleding met godsdienstvrijheid te maken? Dat is slechts in mindere mate het geval. Godsdienstvrijheid is eerst en vooral de vrijheid om er een overtuiging op na te houden. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in de tijden van de inquisitie, en nu nog in sommige orthodox godsdienstige landen, wordt geëist dat je je ook innerlijk aanpast aan de leer. Godsdienstvrijheid in onze dagen is echter vooral het recht om je geloof openlijk te belijden, genootschappen te vormen en de overtuiging samen te vieren, met name in kerkgebouwen en moskeeën. Dat deel valt overigens in belangrijke mate samen met twee andere grondrechten: de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering.

De samenleving bepaalt geheel zelf hoe ver zij daarin wil gaan

Hier is een derde aspect aan de orde: in het geval dat een godsdienst voorschriften kent voor gedrag in het dagelijks leven. Bij christelijke overtuigingen staat het geloof centraal, de gedragsvoorschriften (vasten, zondagsrust, en zo) zijn van minder belang. Andere godsdiensten leggen een grotere nadruk op het gedrag (sabbatheiliging, vrouwenkleding, toelaatbaar voedsel). Maar het blijft ook daar uiteindelijk ondergeschikt aan de overtuiging die beschermd wordt. Vandaar dat volgers van dergelijke godsdiensten zich vaak binnen een andere samenleving toch kunnen handhaven, zeker als die andere samenleving op enige punten met hen rekening houdt (toestaan van koosjer en halal slachten bijvoorbeeld). Maar die samenleving bepaalt geheel zelf, op grond van het geldende recht en van de openbare orde, hoe ver zij daarin wil gaan. Eist de godsdienst mensenoffers, dan is het – een extreem voorbeeld, toegegeven – vanzelfsprekend dat dit niet wordt toegestaan. Kledingvoorschriften zijn geen probleem (nonnen en paters waren vroeger op straat ook opvallende verschijningen). Maar een non zou het toen niet in haar hoofd hebben gehaald om te eisen dat zij als onderwijzeres op een openbare school in vol ornaat les zou mogen geven. Op dat niveau zit ook de kwestie van het dragen van allesomhullende kleding. In een open samenleving als de onze is dat best, mits het gezicht herkenbaar is. Dat is niet zo bij de nikab. De nikab is trouwens meer een cultureel-etnische traditie dan iets dat met de kern van een godsdienst te maken heeft.* De overheid mag daaraan dan ook, zo nodig, beperkingen stellen, zonder de godsdienstvrijheid aan te tasten. De rechter heeft hier wijs geoordeeld.

Erik Jurgens

* [ingezonden brief 2 juni 2017:]

Jedi-isme

Australische atheïsten willen van Jedi-geloof af

GETTY IMAGES/AFP

Vul niet langer voor de grap in dat je in de Jedi-religie gelooft. Dat is een oproep die een groep atheïsten doet aan Australiërs die volgende week de vijfjaarlijkse volkstelling in gaan vullen. Steeds meer mensen vullen in het vakje geloof namelijk het Jediïsme in. De ‘religie’, gebaseerd op Star Wars, zou bij de nieuwe enquête best weleens een boost kunnen krijgen nadat vorig jaar een nieuw deel van de filmserie uitkwam. “Het begon in 2001 als grap, maar het bleek enorm populair”, legt onze correspondent Robert Portier uit. Meer dan 70.000 Australiërs gaven toen aan te geloven in The Force. Zij deden dat als reactie op de vraag welke religie je aanhangt. “De groep vond het niet relevant om dat te vragen en dus vulden ze dit in, als grap.” Maar daar is de Atheist Foundation of Australia niet zo blij mee. Zij proberen nu te voorkomen dat dit jaar weer tienduizenden mensen Jedi invullen. Daardoor lijkt het alsof Australië heel religieus is, terwijl de Jedi-stemmers eigenlijk niet gelovig zijn, zeggen zij. “Als je niet wilt dat oude religieuze mannen in jurken je vertegenwoordigen, moet je je niet aanmerken als Jedi”, zegt de actiegroep.

Afbeelding weergeven op Twitter

Zoveel mensen vulden in 2011 in volkstellingen in Jedi te zijn:

  • Australie: 65.000
  • Canada: 9.000
  • Tsjechië: 15.070
  • Engeland en Wales: 176.632

Maar de mensen die het invullen, zijn geen atheïsten, zegt Peter Thunderbolt, ook wel Jedi Master Roar. “Ik geloof dat de meeste mensen die het invullen het serieus bedoelen. Na drie volkstellingen zijn er nog steeds meer dan 60.000 mensen die zeggen dat ze Jedi zijn. Ik kan me niet voorstellen dat zij er nog een grap van maken lang nadat de grap is geëindigd.” Maar maakt het wat uit, behalve de statistieken? De volkstelling is best belangrijk in Australië, zegt Robert. “Op basis daarvan worden bijvoorbeeld subsidies verstrekt. Als dus het boeddhisme toeneemt, terwijl er minder katholieken komen, kan besloten worden minder subsidie te geven aan katholieke scholen.” Daarom probeert Thunderbolt zijn religie ook officieel erkend te krijgen. Jedi valt in de statistieken nog altijd onder de categorie ‘overig’ en heeft geen eigen optie in de volkstelling. “De wet in Australië maakt het op dit moment onmogelijk een nieuwe religie te creëren, maar we doen er alles aan om het toch voor elkaar te krijgen. Bovendien denk ik dat zeker 70.000 mensen opnieuw Jedi zullen invullen.”

Een grap maken van Jedi is volgens Thunderbolt dan ook een enorme belediging. “Waarom zou mijn religie niet net zo serieus kunnen worden genomen als een toverende timmerman uit Nazareth?”

 

Misplaatste solidariteit rond ritueel slachten

Christelijke leiders tegen verbod op onverdoofd slachten: Een voorbeeld van misplaatste solidariteit.

In een verklaring over ‘onverdoofd slachten’ (NL – FR) betuigen de ‘christelijke leiders van België’ (als protestant moet ik dan toch altijd een beetje lachen, maar dit terzijde) hun solidariteit met hun Joodse en islamitische collega’s door vraagtekens te plaatsen bij het wetsvoorstel van het Waals parlement om het onverdoofd slachten met ingang van 1 januari 2019 te verbieden.

De verklaring zegt dat er ‘belangrijke waarden in het geding’ zijn. Daar ben ik het mee eens. Al meer dan 30 jaar is er in ons land een wet op het ‘Dierenwelzijn’ waarin het onverdoofd slachten wordt verboden. Dat lijkt mij inderdaad een belangrijke waarde, die wel wat support kan gebruiken van de ‘religieuze leiders’. Het blijkt hier echter niet te gaan om deze belangrijke waarde, maar om de ‘vrijheid van godsdienst’. De religieuze leiders waren dus toch weer vooral bezorgd om zichzelf. Jammer. Maar okay, vrijheid is een belangrijke waarde, en vrijheid van godsdienstuitoefening ook. Alleen zie ik niet goed in wat dat met een verbod op onverdoofd slachten te maken heeft. Natuurlijk weet ik wel dat tot op heden er een uitzonderingsclausule op de wet bestaat, die mensen die onverdoofd slachten buiten vervolging stelt als zij zich beroepen op hun religie: ‘Mijn God/mijn geloof/ gebiedt mij dat te doen’. Door de mensen dit ‘excuus’ te ontnemen wordt er toch geen inbreuk gemaakt op de vrijheid van religie ? Mensen mogen nog steeds vinden dat ze hoogst persoonlijk een schaap de keel over moeten snijden – liefst in familieverband met de kinderen erbij – om het Offerfeest te vieren. Dat wil toch echter niet zeggen dat de staat daar dan meteen maar ruim baan voor moet maken?

Er zijn ook christenen die vinden dat abortusartsen strafrechterlijk vervolgd (en volgens sommigen zelfs: standrechtelijk geëxcuteerd) zouden moeten worden, of dat leraren biologie geen evolutieleer mogen onderwijzen. Toch geen haar op ons hoofd dat eraan denkt om deze mensen hun gang te laten gaan. Vrijheid van godsdienst betekent niet dat de staat alles maar moet toestaan wat men met beroep op ‘God’ (in welke gedaante dan ook) rechtvaardigt. Er zijn ook moslims en christenen (echt waar) die vinden dat polygynie (met meer dan één vrouw gehuwd zijn) de weg is die God de man niet alleen toestaat, maar zelfs wijst. En er waren (maar voorzover ik weet bestaan die niet meer) diep-religieuze mensen die vonden dat kinderen geofferd moesten worden, of dat er seksueel verkeer moest zijn met tempelprosituées voorafgaand aan de rituele offers. Stel u voor dat die religies nog zouden bestaan! Mag je die in naam van de godsdienstvrijheid dan ook geen strobreed in de weg leggen? De staat heeft dus, met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting, volledig het recht paal en perk te stellen aan allerhand menselijke handelingen, ook als die religieus gemotiveerd zijn. Godsdienstvrijheid is geen immunisering tegen overheidsbemoeienis, laat staan een vrijbrief om te doen en laten wat je wilt.

Waarom moet de voorzitter van de synodale raad van de protestantse kerk perse het pleit voeren voor de conservatieve wettische vleugel in religies die niet eens de zijne zijn?

Als de Vlaamse en Waalse overheid aan het onverdoofd slachten van dieren niet langer wenst mee te werken, dan is dat haar goed recht. Daarmee staat de ‘belangrijke waarde van de vrijheid van godsdienstuitoefening’ niet op het spel. De overheid geeft dan gewoon aan, dat er grenzen zijn, dat iedere burger voor de wet gelijk is, gelovig of ongelovig en dat wat haar betreft dierenwelzijn boven een religieus ritueel gaat. Zeggen dat het er in seculiere slachthuizen ook vreselijk aan toegaat, zoals de verklaring doet, is een flauwe afleidingsmanoeuvre. Dat is natuurlijk zo. En daar moet evengoed iets aan gebeuren. En dat probeert de wetgever ook. Maar, zo gaat de verklaring verder, de kritiek op onverdoofd slachten wordt zo gemakkelijk ‘een dekmantel voor een discours van misprijzen van de levenswijze en spijswetten van onze joodse en islamitische medeburgers’. Dat zal wel zijn, maar ook daarmee is de grond van de zaak zelf toch niet weerlegd. Abusus non tollit usum (‘Misbruik van iets diskrediteert een goed gebruik niet’) En dan nog: het merendeel van moslims eet al lang vlees uit Nieuw-Zeeland waarop het stempel ‘halal’ staat maar dat afkomstig is van dieren die verdoofd zijn vóór ze geslacht werden. Geen haan die ernaar kraait. Dus waar gaat het dan om? En ook onder de Joden zijn er velen die geen probleem hebben om de regels van de kashroet (kosher-eten) aan te passen, dan wel er vrij mee omgaan. Hun stem hoor je alleen niet. Ik weet wel dat de diep-gelovigen dan roepen dat dat geen èchte moslims/joden zijn, maar waarom zouden zij het alleenrecht op die religie hebben! God is wel in de hemel, maar godsdienst is mensenwerk en regels kunnen altijd ook anders geïnterpreteerd en toegepast worden. Dat is doorheen de geschiedenis constant gebeurd. Godzijdank. De enigen die dat niet kunnen, zijn de fundamentalisten.

Waarom, zo vraag ik mij dus af, moet de voorzitter van de synodale raad van de protestantse kerk perse het pleit voeren voor de conservatieve wettische vleugel in religies die niet eens de zijne zijn? Zou het niet veel zinvoller zijn als hij in zijn publieke optreden solidariteit zou betuigen met mensen die het nodig hebben en dan op grond van waarden die ook de onze zijn. In het Lutherjaar kan ik niet anders dan vermoeden dat de ‘evangelische vrijheid’ van de mens om in eer en geweten zijn eigen leven te leiden voor Gods aangezicht, meer aandacht verdient dan het vrijwaren van de speelruimte van gevestigde religieuze instituten.

Dick Wursten

  • Voor misverstanden en mythes (al dan niet bewust in stand gehouden) rond onverdoofd en ritueel slachten: zie de website van GAIA