Hoe wel en hoe niet werken aan deradicalisering (David Kenning)

David Kenning pakt een vel papier en tekent met pijltjes vier manieren om de invloed van vijanden tegen te gaan:

  1. Directe confrontatie – You’re wrong, I’m right ! „Dat was de Amerikaanse methode in de tijd dat ik Jim Glassman ontmoette. Ze hadden een filmpje waarin je allemaal terroristische explosies zag, eindigend met de vraag: ‘Is dit wat je wilt?’ Het aantal nieuwe terroristen schóót omhoog.”
  2. Afleiding – je moet mij niet aanvallen, maar hem. „Heel effectief gedaan in de ‘Sunni Awakening’ in 2007, toen de internationale coalitie erin slaagde soennitische stamhoofden in Irak te overtuigen dat Al Qaeda een gevaarlijker vijand was.”
  3. Verschuiving – uitdragen dat je niet alleen een goede moslim kunt zijn in de strijd, maar ook door hulp te bieden.
  4. Dissolution – „mijn manier,” zegt Kenning: oplossing, ontbinding van emoties die extreme overtuigingen en handelingen aanwakkeren.

Drie fragmenten uit dit interview vindt u hier. Hieronder enkele – controversiële – opvattingen:

  • De oorzaak van extremistisch geweld is niet van belang voor de bestrijding ervan. Mensen krijgen een identiteit mee van ouders, vrienden, gemeenschap. En soms zit die identiteit niet lekker en gaan mensen opzoek naar een nieuwe. De propaganda van IS is toegesneden op dit dilemma. Hoor je nergens bij? Dan mag je bij ons horen. „In deze wereldwijde band of brothers krijgt de zelfmoordaanslagpleger een nieuwe identiteit.”
  • Je kunt geen invloed uitoefenen op de factoren die leiden tot extremisme. „We kunnen hem zijn vriendinnetje niet teruggeven, de pijn niet wegnemen van zijn vader die hem sloeg, zijn baas niet dwingen moslims aardig te vinden. We kunnen de spanningen die worden veroorzaakt door het westers buitenlands beleid niet wegnemen.”
  • Het is zinloos om zijn religieuze overtuigingen tegen te spreken – dat neemt hij toch niet van ons aan. „Tegen de tijd dat de overheid deze jongeman tegenkomt, hebben deze factoren hun werk al gedaan. Wij kunnen dus alleen nog maar wat met zijn geest. Die kunnen we weerbaar maken, open voor twijfel en voor andere ideeën.”
  • Het gekke van identiteit, zegt Kenning, is dat het bijna belangrijker is hoe de ander je aanspreekt dan hoe je naar jezelf kijkt. Hij zelf is opgegroeid in Noord-Ierland en dateert van vóór de gewelddadigheden losbarstten: „Wij voelden ons geen protestanten, maar de anderen gingen ons als protestanten zien.” Dit is volgens hem het voornaamste doel van Al Qaeda’s aanslagen van 11 september: verdelen, polariseren, radicaliseren.
  • De tegenhanger van ‘David Kenning’ is ‘Abu Ont-Kenning’.

Meer dus op deze pagina of het hele interview op nrc.nl (als het niet achter de betaalmuur zit)

De geest van Napoleon… en de vrijheid van godsdienst

“het volk zal z’n godsdienst hebben, maar ik houd de touwtjes in handen”, zei Napoleon, en sloot een concordaat met Rome (1801). De huidige wetgever redeneert nog steeds zo en gebruikt (misbruikt) de wet op de organisatie van de erkende erediensten als instrument om religie te ‘managen’. Echter: Religion is an unruly thing, en als je in zulke materie optreedt zoals de tovenaarsleerling uit het sprookje, maak je brokken. En dat zie ik inmiddels alom gebeuren. Mijns inziens is het dan ook hoog tijd om de geest van Napoleon uit te drijven: De organisatie van de godsdienstige impuls en de instellingen van het land (kerk èn staat) moeten echt van elkaar losgemaakt worden. Het zal beiden (staat èn kerk) ten goede komen. De staat is van het gezeur af, en religie wordt eindelijk ècht een vrije keuze.

De grondwet (eredienstfinanciering als alimentatie na een halfbakken scheiding van kerk en staat)

De financieringsplicht van de erkende erediensten (in het Frans: cultes) staat in de grondwet, zeker, maar de grondwet – met alle respect – is en blijft een historisch document. En het is niet noodzakelijk zo dat wat in 1831 een goed idee leek (namelijk de subsidiëring van de materiële en personele kosten van de rooms-katholieke eredienst), dat dat 186 jaar later nog steeds beantwoordt aan de maatschappelijke noden op het terrein van religie. Toen leek het – voortbouwend op het concordaat met Napoleon – een redelijke compensatie voor de annexatie van de kerkelijke goederen. Dit is vervolgens in de Belgische grondwet opgenomen (maar stond ook al in de grondwet on der Willem I, uitgewerkt in een een het latere Nederland beruchte Algemeen Reglement – 1816). Onderwijl is de rooms-katholieke kerk haar positie van bevoorrechte partner van de staat wel kwijtgeraakt en moet ze in België de aandacht delen met andere kandidaten. Kerk (beter: de geïnstitutionaliseerde religie) en staat (beter: het burgerlijk bestuur) zijn gescheiden. Zoals bij veel scheidingen was de alimentatieregeling – zo kun je de definitieve wet op de financiering van de erediensten eigenlijk best noemen – niet zonder slag of stoot tot stand gekomen en waren er later nog geregeld hevige conflicten. Vooral de diverse ‘schoolstrijden’ hakten er diep in. Toch werd het scheidingscontract nooit wezenlijk aangepast. Dat vond men niet nodig. De overheid bleef instaan voor de financiering van de kerk, zowel qua personeelskosten als betreffende het onderhoud en de inrichting van de gebouwen

Echter: bij de opstelling van het concordaat, en dus ook bij de alimentatieregeling later, had men slechts één georganiseerde religie in beeld: de rooms-katholieke kerk. De wet is ook op haar maat gemaakt. De bestuurlijke uitwerking past immers perfect bij een hiërarchisch georganiseerde priesterlijk-cultische religie, zoals de rooms-katholieke. Nadien meldden zich ook andere godsdiensten en eisten ‘gelijke behandeling’ voor hun eredienst en verkregen die ook. Neutraal is neutraal. Het gevolg is dat de Belgische staat in zaken van religie promiscue is geworden. Was dit eerst tot grote ergernis van de belangrijkste ex (de rooms-katholieke kerk), gaandeweg legde iedereen zich erbij neer en settelde zich. Het gevolg is dat de overheid nu moet instaan voor de alimentatie van zeven erkende erediensten èn de als eredienst verkleedde georganiseerde vrijzinnigheid. Men verdedigt het tegenwoordig met de redenering dat zo de overheid ‘wenselijke en onwenselijke’ vormen van eredienst kan onderscheiden en minoriteiten kan beschermen. Van wereldvreemdheid gesproken ! De realiteit is anders. Door het simpele feit dàt je religieuze instituten de kans geeft om zich uit te bouwen (dat is het effect en doel van de subsidie), je het behoren bij een religieuze groep als identiteitskenmerk versterkt. Dit heeft twee perverse neveneffecten:

  1. De religieuze identifyer verdeelt mensen in groepen, en installeert het wij-zij denken. Religie kan op persoonlijk vlak veel goed doen, maar sociaal bezien is het één van de meest scheidende, verdeeldheid zaaiende, principes, die wij kennen. Het zich identificeren als ‘moslim’, ‘christen’, ‘atheïst’ etc. Hoe nefast dit kan zijn voor een hyperdiverse samenleving leert ons… de geschiedenis. Onze eigen Europese, maar ook bijv. de Pakistaanse-Indische. 
  2. De feitelijke vrijheid van godsdienst neemt af, want de meeste religieuze instituten willen mensen aan zich te binden, al dan niet expliciet. Binnen een religieus instituut is er minder godsdienstvrijheid dan daarbuiten. Hoeveel vrij-denkende priesters zijn uit de kerk gezet.  Liberale moslims krijgen reële doodsbedreigingen.

Mensen die dus vrij willen denken en geloven, krijgen geen subsidie, mogen de door de overheid gesponsorde gebouwen niet gebruiken, hebben geen personeel ter ondersteuning… Op zich prima, maar dit is wel geïnstalleerde ongelijkheid. Idem voor groepen die niet aan de erkenningscriteria willen voldoen omdat die niet neutraal zijn. Kortom: Wie zal dus sterker worden? De officiële religie, die per definitie traditioneel is (dus ‘patriarchaal angehaucht‘, zeker als men zich beroept op oude teksten) en die mensen aan zich bindt via een systeem van ‘jij hoort wel bij ons’ en ‘jij niet’ (wij-zij denken). Hierdoor wordt veel wat on- of zelfs anti-modern (bijv. discriminatie van vrouwen, slaan van kinderen, besnijdenis, onverdoofd slachten) met overheidssteun in stand gehouden en versterkt.

Het effect van deze vorm van eredienstfinanciering is dat de invloed en macht van de religieuze systemen op individuele mensen wordt versterkt, m.a.w.: precies het tegenovergestelde van de intentie van de founding fathers van freedom of expression (and religion).

Ik vind het dan ook niet verwonderlijk dat sommigen vinden dat het tijd is voor een update van het systeem van de eredienstfinanciering. Die was gemotiveerd door staatsraison. Toen misschien verdedigbaar, nu ‘on-redelijk’ en contraproductief. De geest van Napoleon – “Het volk moet een religie hebben, en deze moet zijn in de handen der regering” – waart dus nog tezeer in het politieke halfrond. De wet op de erediensten staat de echte vrijheid van godsdienst (een mensen-recht, geen instituten-recht) eerder in de weg, dan dat ze die bevordert. En het is de samenleving die het gelag betaalt.

Hoe kan zo’n update er dan uitzien ?

Het heeft weinig zin om – zoals mw. Rutten (Open VLD) deed in april 2017, niet voor het eerst, noch voor het laatst – te pleiten voor een scheiding van kerk en staat in die zin dat mensen hun religieuze overtuigingen ‘thuis’ zouden moeten laten. Dat is een dom pleidooi en naast de kwestie. De scheiding van kerk en staat gaat over bestuurlijke bevoegdheid: De staat bestuurt het leven van de burgers zoals zij vindt dat zij dat doen moet (daarop bestaan verschillende visies) en de kerk organiseert zich zoals zij vindt dat ze dat doen moet (dat is de vrijheid van meningsuiting en van vereniging). Mensen hoeven hun religieuze overtuigingen niet thuis te laten als ze de voordeur uitgaan. Neen: burgers kunnen vanuit hun geloof aan politiek doen. Dat is niet meer of minder nobel dan vanuit een partijprogramma links of rechts. Prima. Laat iedereen het maar proberen om zijn visioenen en visies in de publieke ruimte binnen te brengen en met algemeen begrijpelijke argumenten anderen te overtuigen om daarin mee te gaan. Dat is burgerschap en burgerzin. Geen subsidie voor groep x of y, want dat is debat-vervalsing. De staat zal een kerk (zelforganisatie van een groep burgers) vervolgens ook enkel aanpakken als ze de wet overtreedt, net zoals ze bij elke andere vereniging doet. No problem, but that’s it, and that’s all. Voor zulke verenigingen hoeven ook geen andere subsidiekanalen te zijn dan die waarlangs ook andere verenigingen soms aan overheidsgeld kunnen geraken (sociaal/cultureel/educatief nut). Vanuit de huidige realiteit (waarin veel christelijke instituties nog verknoopt zijn met algemeen maatschappelijk werk) moet er dus transparantie komen met betrekking tot de dingen die vanuit de religieuze instellingen gedaan worden op het terrein van het algemeen nut, want dat blijft dus een zaak van publiek belang. De christelijke zuil heeft immers eeuwenlang een deel van de zaken gedaan die de staat nu als haar taak ziet, bijv. ziekenverpleging, onderwijs. Op dit punt zullen er dus duidelijke afspraken moeten gemaakt worden tussen enerzijds de georganiseerde religieuze instituten en para-religieuze instellingen (scholen en ziekenhuizen) en anderzijds de diverse burgerlijke overheden. Daarbij zal de burgerlijke overheid natuurlijk nog steeds geld spenderen aan allerlei zaken die ook met religie te maken, maar ze zal ze niet financieren inclusief het religieuze aspect (zoals nu het geval is), maar enkel omdat er handelingen van algemeen nut plaatsvinden (verpleging van zieken, sociale opvang, onderwijs). Dat ze de bouw en het onderhoud van religieuze gebouwen en religieus personeel niet betaalt, lijkt me een evidentie. En voor u denkt, dat heb je weer zo’n religie-basher: ik ben inspecteur godsdienstonderwijs, en stel mijn eigen beroep hiermee ook ter discussie. Alles kan beter, en in elk geval helderder.

Een neutrale overheid oordeelt nooit over intenties, maar wel over concrete handelingen. Die laatste financiert ze omwille van zichzelf, niet omwille van de intentie waarmee ze wordt uitgevoerd. Of iemand zieken verpleegt omdat God dat vraagt of omdat men geld wil verdienen, is hier niet van belang. Als het maar gebeurt volgens de regels der kunst.

Een groot aantal kerkgebouwen is monument, of stedebouwkundig een cruciaal onderdeel van landschap/buurt, en gezondheidszorg en onderwijs hoort tot de kerntaken van de overheid. Dus zal ze ook hospitalen en scholen uit de ‘katholieke (of andere) zuil’ blijven subsidiëren, maar niet ‘zonder meer’ en ook niet all-in. Het onderhoud van bepaalde kerkgebouwen zal dan via monumentenzorg en stedebouwkundig erfgoedbeheer verlopen. Maar nieuwe kerken bouwen, of moskeeën: prima, maar dat moet de religieuze gemeenschap dan wel zal betalen. Idem voor bestaande niet als monument of landschap erkende christelijke kerken. Religieuze componenten moeten religieuze gemeenschappen zelf organiseren en financieren. Het spijt me. Scheiden doet lijden. Het zal ook niet simpel zijn, maar een alimentatieregeling die nog geheel de geest ademt van ‘Napoleon’ verdient na 186 jaar inderdaad wel eens een update, sterker nog: het is tijd dat er een nieuwe geest gaat waaien.

Dick Wursten