Daar zijn de hoofddoeken weer…

De hoofddoek (hoe dan ook gedragen) werkt het groepsdenken in de hand (wij-zij) en verandert #metoo in #eigenschuld.

Twee basale feiten:

1. Wat zeggen de heilige boeken erover?
Antwoord: daar zijn de rechtsgeleerden het niet over eens (hoofd, haar, boezem, alles), maar hoe men er ook over denkt: er moet iets bedekt worden [voor geïnteresseerden: hier een overzicht van exegetische discussie]. Dus meteen over naar de volgende vraag.

2. Waarom moet er eigenlijk bij vrouwen iets bedekt worden?
Antwoord: dat zegt de koran heel precies. Het kledingvoorschrift beoogt twee zaken: a. zedigheid van de vrouw en b. ‘onze vrouwen’ onderscheiden van de anderen.

Dit laatste wordt expliciet zo door Mohammed verwoord in soera 33:59 O Profeet, zeg tot je echtgenotes en je dochters en tot de vrouwen van de gelovigen dat zij hun overkleed (‘djilbab’) over zich heen laten hangen. Zodoende is het gemakkelijker om hen te herkennen en worden zij niet lastiggevallenHet gaat hier over het overkleed, maar hetzelfde geldt ook voor de hoofddoek: je kunt zo gemakkelijk onderscheiden tussen ‘goede’ en ‘slechte’ vrouwen. In het latijn is het woord voor ‘onderscheid maken’: discriminatio. De onzen, de goeden, kun je aan hun kleding herkennen. De anderen zijn te mijden. En – niet onbelangrijk – als een vrouw lastiggevallen wordt, dan is het haar schuld, want had ze zich maar correct moeten kleden. Blaming the victim.

Samengevat: de hoofddoek (hoe dan ook gedragen) werkt het groepsdenken in de hand (wij-zij) en verandert #metoo in #eigenschuld.

ERGO: Als je de hoofddoek op school wilt toelaten – waar ik een voorstander van ben, al was het alleen maar om het geheel uit de juridische sfeer te halen – deze twee impliciete boodschappen (moreel oordeel over vrouwen op grond van hun kleding en de versterking van segregatie op religieuze gronden) moeten natuurlijk wel van het nodige tegengewicht worden voorzien. Hoe je dat misschien zou kunnen doen, heb ik in een kort opstel op mijn gewone website beschreven.

En, bijna vergeten, als je de hoofddoek toestaat om religieuze redenen moet je tegelijk alle kledingvoorschriften ter discussie stellen, anders bevoorrecht je religieuze mensen boven a-religieuze. What’s good for the goose is good for the gander… Daar komen de hoodies, de tatoeages, statement-T-shirts, kruisen, tulbanden en petjes. Het wordt bont in de klas.

hoofddoek en hadith: basic facts

In een vorige post heb ik de basisgegevens uit de koran verzameld. Hier nog enkele die vaak geciteerd worden uit de mondelinge overlevering (hadiths), die ook normatief is, maar niet binnen elke islamitische traditie. Zoals altijd: een religie is geen monolithisch blok, maar een levend organisme, dat zich altijd transformeert. Ook voor de islam geldt dat. Dat ontkennen is aan de fundamentalisten de overwinning gunnen zonder zelfs maar het ideologische gevecht te zijn aangegaan. Slap.

De kledingvoorschriften in de hadith

Ter herinnering: de argumentatie aangaande het gezag van de overleveringen (hadith) gaat zo: De praktisering van het kledingvoorschrift door de vrouwen rondom Mohammed is voorbeeldig, normatief voor alle latere generaties. Het gaat hier om Mohammeds vrouwen en de vrouwen van Mohammeds metgezellen, de Sahaba vrouwen. Ook kan Mohammed meer gezegd hebben dan in de koran staat. Welnu, ook dat is normatief, als het bekend is en opgenomen in de Hadith. (beter: in één van de hadiths (verzamelingen). Maar pas op: de betrouwbaarheid en dus het gezag van de hadiths verschilt.Welnu, er zijn enorm veel verhalen die voortborduren op deze verzen uit de koran. Een aantal maakt duidelijk dat de boezembedekking die daar geëist werd, stante pede door de vrouwen die getuige waren van de recitering van deze soera, genaaid werd met stof uit hun rok. Eenzelfde overlevering over de vrouwen die het via hun man te horen kregen (zie onder). Verder blijken twee zaken vooral van belang:

  1. wat mag onbedekt blijven ?
  2. Er moet ook op de lichaamsvormen gelet worden (sexy kleding).

Hier zijn m.n. enkele verhalen over fijne of dunne kledingstof veelzeggend. Een bloemlezing:

  • Toen het vers [soera 24,31] werd geopenbaard keerden de mannen terug naar huis en lazen dit vers voor aan hun echtgenoten, dochters, zussen en verdere familie. Zo hebben die vrouwen, al gelovend in Allah en zijn heilige boek, van hun rokken een khimar gemaakt. De volgende ochtend stonden de vrouwen met hun khimar om, achter de Profeet Mohammed voor het ochtendgebed (Bukhari, Tefsiru Soerah 24:12; Abu Davud, Libas:29).
  • Aisha waarschuwde vrouwen die zich niet bedekten zoals het hoorde. Op een dag werd er een pas getrouwd meisje, met een khimar uit dunne stof, naar haar gebracht. Aisha zei dit: ‘Een vrouw die in de soerah An-Noer gelooft, bedekt zich niet op deze manier” (Al-Kurtubi, 14:157).
  • [Mohammed vermaant in een andere legende Aisha’s zus op ditzelfde punt]: Op een dag verscheen Hazrath Asma, de dochter van Abu Bakr, met kleding uit dunne stof vervaardigd, voor de profeet. De profeet wendde zijn ogen af en zei: “Esma! Het is duidelijk dat wanneer een vrouw de puberteit bereikt, het passend is dat ze van haar lichaam enkel nog deze en die lichaamsdelen laat zien”. Toen de Profeet dit zei, wees hij naar zijn handpalmen en gezicht (Abu Davud, Libas, 31). Hier is de hoofddoek dus wel verondersteld.
    • NB: Deze hadith wordt door veel moslimgeleerden als ‘zwak’ bestempeld, dus mag niet als argument dienen. De hoofdreden die men geeft is dat dit verhaal zich afspeelt in Mekka, dat is dus voordat de twee soera’s werden geopenbaard.
  • En nog overlevering (klaarblijkelijke voortbordurend op de vorige), een legende uit ‘Het leven van de vrome vrouwen’. [Volgens bepaalde strekkingen binnen de islam zijn ook die normatief (voorbeeldig, soenna) voor de later-levenden] : Munzir bin Zubair had de reeds genoemde Hazrath Asma een heel mooie jurk gestuurd, gemaakt van fijne kostbare stoffen. Asma die blind was, voelde aan de jurk en zei: “Breng die terug naar hem!”. Munzir voelde zich beledigd en vroeg om uitleg: “Deze stof is niet transparant, waarom keur je die af? ”Asma antwoorddde: “Ookal is het niet transparant, het laat wel de vormen van het lichaam zien omdat het dun is”. (Hayatus Sahaabiyaat, v.3, pg. 169)

hoofddoek en koran: basic facts

De koran over de kleding van vrouwen

Als het over de kleding voor vrouwen gaat zijn er twee plaatsen in de koran, die daarover handelen. Beide stammen uit de periode na de Hidjra (horen dus bij de ‘latere openbaringen’). De eerste staat in soera An-Noer (‘Het Licht’), hoofdstuk 24, verzen 30-31:

Soera 24: 30 Zeg (O Mohammed) tot de gelovige mannen dat zij hun ogen neerslaan en hun kuisheid bewaken (= hun begeerten in toom houden,  volgens anderen: hun geslachtsdelen bedekt houden), dat is reiner voor hen. Voorwaar, Allah is alwetend over wat zij bedrijven. 31. En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij hun ogen neerslaan en hun kuisheid bewaken en hun sieraad niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is. En laten zij een bedekking (‘khimar’) over hun boezem dragen en hun sieraad niet openlijk tonen, behalve aan hun echtgenoten, of hun vaders etc.. [lijst van mannelijke familie]. En zij moeten niet met hun voeten stampen zodat men weet wat zij voor verborgen sieraad hebben.

Wat wordt hier over de kleding gezegd? De man wordt eerst vermaand om niet op een onbetamelijke wijze naar een vrouw te kijken (hij moet zijn ogen neerslaan) en hij moet zich netjes te kleden. Daarna wordt de vrouw aangesproken om zich evenzo te gedragen ten opzichte van de man en zich netjes te kleden. Dan volgen voor vrouwen nog een aantal concretiseringen. Drie elementen worden genoemd qua kleding en één met betrekking tot bepaalde bewegingen:
1. Ze moeten hun ‘sieraad niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is’ ;
2. ze moeten een ‘khimar’ over hun boezem dragen ; en:
3. Ze mogen hun sieraad niet openlijk tonen behalve binnenshuis in de familiekring (= duidelijk gedefinieerde groep van het mannelijk geslacht).
4. Ze moeten niet met hun voeten stampen omdat anders het verborgen sieraad zichtbaar wordt.

Over de interpretatie van deze teksten, straks meer. Eerst de andere korantekst.

In de tweede tekst worden de vrouwen van Mohammed aangesproken (Voor hen gelden blijkbaar strengere regels dan voor de anderen: zij moeten bijv. binnen blijven) maar de geboden voor die vrouwen wat het onderdeel ‘kleding’ betreft worden ook van toepassing verklaard op de ‘vrouwen van de gelovigen’.

Soera 33:59 O Profeet, zeg tot jouw echtgenotes en jouw dochters en de vrouwen van de gelovigen dat zij hun overkleed (‘djilbab’) over zich heen laten hangen. Zodoende is het gemakkelijker om hen te herkennen en worden zij niet lastiggevallen. 

Dus: Aan de kleding kent men de moslimvrouw. Maar welke kleding precies ?

Zoals elke tekst hebben deze uitspraken een historische context gehad (die we niet precies kennen, maar kunnen proberen te reconstrueren). Dus is er enige toelichting nodig om tot een interpretatie te komen: een poging om te begrijpen wat hier wel en niet bedoeld werd. En daarna moet er nog de toepassing komen, de applicatie op vandaag, dat is een kwestie van hermeneutiek, omdat we in een andere historische context leven dan Mohammed.

Puntsgewijs:

  1. Eerst is er geen kledingvoorschrift van kracht. Argument: In de periode van de eerste openbaringen in Mekka is er geen enkele soera overgeleverd die iets zegt over de kleding.
  2. Na de vlucht uit Mekka (Hidjra) wordt kleding blijkbaar een issue. Mohammed huwt zelf meerdere vrouwen. Naast eerbaarheid in het algemeen, wordt uit 33:59 duidelijk dat het kledingvoorschrift op z’n minst ook dient om de vrouwelijke volgelingen van de profeet op straat te onderscheiden van andere vrouwen en – omineuze toevoeging – om te voorkomen dat ze lastig gevallen worden op straat. De weg naar de culpabilisering van het slachtoffer, blaming the victim wordt hier wijd open gezet.
  3. Gaat het hier eigenlijk wel over de hoofddoek, kun je je afvragen ? Enige bedekking van het hoofd is algemeen-oosters. In 24:31 is nadrukkelijk sprake van een opdracht om de boezem te bedekken, niet het hoofd. De arabische term voor deze bedekking is ‘khimar’. Dat woord is vandaag de technische term voor een boezembedekkende hoofddoek. Dan lijkt het duidelijk: Mohammed vraagt om een ‘khimar’, een boezembedekkende hoofddoek. Toch is het niet zo simpel als het lijkt. Het arabische woord ‘khimar’ in de zevende eeuw had een veel algemenere betekenis (‘bedekkend weefsel’, ‘sluier’). Hier staan we voor wat exegeten het gevaar van filologische inlegkunde noemen, waarbij een bepaalde uitleg van een oude tekst heeft geleid tot een betekenisverschuiving van een woord uit die tekst in de richting van die uitleg. Als je deze oproep leest terwijl je ‘khimar’ neutraal laat (een bedekking) dan lees je een oproep om de boezem te bedekken en gaat het hier om een décolleté-verbod. Bijkomend argument voor deze uitleg is dat andere vers, soera 33:59, waar helemaal niet naar de hoofdbedekking wordt verwezen, enkel naar de manier waarop de kleding valt. Binnen de koran strand je hier en wordt het welles-nietes, vanwege de filologische aporie rond de betekenis van het woord ‘khimar’. De latere overleveringen (hadith) tenderen duidelijk richting hoofddoek, maar zelfs daar kun je twijfelen [zie onder].
  4. Wat wordt eigenlijk bedoeld met ‘hun sieraad’ en wat dus met de zin dat zij hun sieraad niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is.’  Met ‘sieraad’ wordt waarschijnlijk hun lichaam (hun schoonheid) bedoeld. De duiding ‘behalve wat daarvan zichtbaar is’ wordt pas in de latere overlevering (hadith) ingevuld, namelijk ‘gelaat en handen’. Dan hebben we echter wel de koran [en dus de ‘directe openbaring van Allah’] verlaten en zijn in de wereld van de legendes terechtgekomen waarvan het gezag door moslims zelf heel verschillend wordt ingeschat.
  5. Tenslotte: Waarop duidt die toevoeging: ‘dat vrouwen niet mogen stampen met de voeten omdat ze daarmee hun verborgen sieraad zouden verraden’ ? Het gangbare antwoord is dat dit een verbod op dansen is, omdat bij zulke bewegingen de lichaamsvormen van de vrouw indirect zichtbaar worden.

Ware de koran de enige bron èn norm, dan zou hiermee alles gezegd zijn. Echter dat is in de moslimwereld niet het geval. Naast de koran is ook de overlevering (hadith) normatief, en niet te vergeten het ‘voorbeeld van Mohammed en zijn gezellen’. Daar vinden we veel meer kledingvoorschriften, maar niet allemaal eensluidend. Ik heb enkele op een aparte pagina opgelijst.

Het boerkaverbod – argumenten pro en contra

Geldige en ongeldige argumenten i.v.m. het boerkaverbod

Veel argumenten pro of contra die in deze discussie gebruikt worden zijn niet ter zake en zaaien verwarring. Een poging tot rubrificering.

  1. Het dragen van een boerka is niet als verplichting in de Koran terug te vinden. Er is dus geen juridische grond om de dracht van een boerka toe te staan, want de exemptie i.v.m. vrijheid van godsdienst is niet van toepassing.
    • De godfather van deze argumentatie is zonder twijfel Etienne Vermeersch. Hij heeft zo ook aangetoond dat de hoofddoek-dracht niet op de Koran teruggaat. Fijn. De principiële niet-inmening van de staat in zaken van religieuze opvattingen (zij spreekt zich niet uit over theologische kwesties, wat is ketters, wat niet etc.) betekent echter dat gelovigen en religieuze groepen vrij zijn om dat zelf uit te maken, hoe irriationeel hun redenering ook klinkt (dit punt maken de ‘pastafarians’). De staat (politiek en gerecht) doet niet aan theologie.
    • conclusie: naast de kwestie 
  2. Het boerkaverbod bestrijdt de onderdrukking van de vrouw.
    • Etienne Vermeersch en Dirk Verhofstadt geven dit emancipatieargument veel gewicht. Echter: Dat zij hopen dat dit zich als neveneffect zal voordoen, dat mag, maar kan niet als argument voor de invoering gebruikt worden. Wie onrechtmatige vormen van dwang wil aanpakken – en dat moeten we -, moet de onderdrukkers opsporen en op grond van juridisch objectief vaststelbare overtredingen aanklagen, niet de slachtoffers. Gechargeerd: met een Verhofstadt/Vermeersch redenering kun je ook verkrachtingen proberen te bestrijden door een verbod op prikkelende kleding.
    • conclusie: naast de kwestie
  3. Niemand mag volledig geanonimiseerd de publieke ruimte te betreden. Argument: de openbare veiligheid is in het gedrang.
    • Als wij dit vinden – en daar lijkt wat voor te zeggen – dan kunnen we dit inderdaad verbieden met een eenvoudige democratische meerderheid. Zo werkt de wetgevende macht. Als de wettekst vervolgens niet ‘discrimineert’ (d.w.z. niet één bepaalde groep viseert, maar algemeen is), is het legitiem en beweegt zich zulk een wet perfect binnen het kader van de Grondwet. De wet verbiedt dan ‘alle kledij in publiek toegankelijke plaatsen die het gezicht volledig, dan wel grotendeels bedekt’.
    • conclusie: terzake
  4. De godsdienstvrijheid als grondrecht is de meest fundamentele vrijheid, waaruit de anderen zijn voortgekomen en verdient dus een absoluut respect. Over de definitie van wat wel, wat niet, mag niemand oordelen (z.b.: correct dus). Gaan we daaraan morrelen, zo is de redenering, dan stort ons hele systeem van grondrechten ineen.
    • Het Europees verdrag formuleert dit in elk geval niet zo. Daar is een tweede artikel, waarin inperking wordt toegestaan op grond van ‘openbare veiligheid, bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. Ook de Belgische grondwet stelt de godsdienstvrijheid niet boven de wet, maar eronder.
    • Ook historisch en inhoudelijk is deze claim twijfelachtig. De godsdienstvrijheid is niet de basis, maar één van de concretiseringen van van de algemene menselijke vrijheidsrechten, die in ‘de natuur van de mens’ worden geacht te zijn verankerd (en daarom ‘onvervreemdbaar’ zijn). De cruciale vraag is dus eigenlijk deze: Zijn er handelingen of meningen die toegelaten zouden moeten worden op grond van een persoonlijke (al dan niet groepsgebonden) religieuze overtuiging, die niet door de gewetensvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van organisatie worden gedekt? Verder zijn hellend vlak argumentaties vaak een teken van zwakte.
    • conclusie: naast de kwestie

De hoofddoek en de non (Sarah Izat)

In het antwoord op de vraag waarom ze per se de hoofddoek wil dragen, gebruikt mevrouw Izat een treffende vergelijking. Ze draagt een hoofddoek ‘net zoals nonnen dat doen’, dat wil zeggen: om ‘haar liefde voor God concreet te maken’. Kijk, dat begrijp ik. Er zijn inderdaad mensen die God liefhebben boven alles, niets meer verwachten van het gewone leven, de aardse banden verbreken en intreden in een klooster. Als ze dan toch nog wel eens in de seculiere wereld verschijnen, dragen ze hun habijt. Dat is een religieus uniform. Dat roept: ‘Ik ben geen gewoon mens, ik ben niet van deze wereld, ik ben van Christus.’ Als mevrouw Izat het dragen van de hoofddoek zo beleeft, dan neem ik aan dat ze begrijpt dat de samenleving van haar vraagt om duidelijk te maken voor welke wereld ze kiest: die van seculiere burgers of die van het klooster. Je kunt maar één uniform tegelijk dragen.

Dick Wursten

Reactie op: “Een politieagent met een hoofddoek is wat zij wil zijn” (interview Sarah Izat, De VOLKSKRANT 9/11/2017)


Challenge voor liedjesschrijvers onder de bezoekers: Schrijf een tekst op bijgaande melodie (een ‘contrafact’ of ‘parodie’, een woord dat in de oude muziekwereld geen negatieve connotatie heeft) met als refreinzin natuurlijk: de hoofddoek en de non… (of variaties hierop). De ballade van de nozem en de non dateert uit 1965 en is van Cornelis Vreeswijk, de enige Hollandse zanger die iets van George Brassens heeft.

Niemand ter aarde weet hoe het eigenlijk begon:
het droevige verhaal van de nozem en de non
van de nozem en de non

Ei, in het voorjaar ontmoetten ze elkaar
ze keken elkaar aan en toen was de liefde daar
ja toen was de liefde daar

Sterk is de liefde (hartstocht) tijdelijk althans
De non vergat haar plichten en haar rozenkrans
ze vergat haar rozenkrans

‘t Is wel te begrijpen, ‘t gebeurt toch elke dag
de nozem was verloren toen hij in haar ogen zag
toen hij in haar ogen zag

Ze wandelden in ‘t park in de prille lentezon
en honderdduizend kussen kreeg de nozem van de non
kreeg de nozem van de non

Een zekere juffrouw Janssen gluurde door de ruit
ze wist niet wat ze zag en haar ogen puilden uit
ja haar ogen puilden uit

Een zekere heer Pieterman zat op zijn balkon
hij stond stomverbaasd van de reacties van de non
de reacties van de non

Leve de liefde’ zei heer Pieterman galant
maar juffrouw Janssen belde naar de krant
ja die belde naar de krant

Daar dachten allen dat ze het maar verzon
dus belde ze de kapelaan en verklikte ze de non
toen verklikte ze de non

‘Kijk,’ zei de kapelaan, ‘da’s nou echt weer duivelswerk
zo gauw ik er niet bij ben dan beduvelt hij de kerk
dan beduvelt hij de kerk’

‘In zulke dingen,’ zei hij, ‘ben ik hard als beton
Ik stuur de politie op het dak van de non
Van de nozem en de non’

Dankzij juffrouw Janssen en de kapelaan
maakte de politie er een einde aan
ja, er kwam een einde aan

De non en de nozem gingen op de bon
Een schop kreeg de nozem; de zenuwen de non
ja de zenuwen de non

Want ze liepen namelijk zomaar in het gras
en de politie zei dat dat verboden was
dat het gras verboden was

Niet om het een of ander, maar omdat het niet kon
eindigde de liefde van de nozem en de non
van de nozem en de non

Volgens Aristoteles weegt een zoen niet zwaar
volgens de kapelaan is dat nou echt niet waar
volgens mij is ‘t nogal raar

 

Het hoofddoekverbod op school

Wat zit er achter het hoofddoekenverbod (GO!, 2009)?

Een al wat ouder stuk, geschreven toen het hoofddoekverbod in voege trad in het GO! (1 september 2009). Strekking: Een minderheidsvisie (de strikte islam) die halfslachtigheid niet accepteert oefent sociale druk uit op de grote meerderheid die ‘eigenlijk geen mening heeft’, of die het ‘om het even is’. Het verbod op de hoofddoek beoogde laatstgenoemde groep te beschermen tegen die sociale religieuze druk (peer-group).  


Als voormalig leerkracht van zowel het atheneum Antwerpen als Hoboken, ben ik actief betrokken geweest bij de actief pluralistische aanpak op die school. Dat nu juist daar – ook – het hoofddoekenverbod werd ingevoerd, is veelzeggend in menigerlei opzicht.

Wie twee jaar geleden op de speelplaats van het koninklijk atheneum rondliep werd zonder meer getroffen door de gezellige drukte die daar heerste. Je zag wel veel meisjes met hoofddoeken, maar dat went snel en al met al was het toch nog een bont gezelschap. Veel vriendschappen trokken zich ook niets aan van herkomst en levensbeschouwing. Je zag zoals overal slierten meisjes van verschillende komaf gearmd over de speelplaats trekken. Wat echter ook opviel, was dat er een kleine groep meisjes was die tamelijk uniform gekleed waren en die wel altijd enkel bij elkaar te vinden waren. Zij hadden ook eigenlijk geen hoofddoek om (op) het hoofd, maar waren gekleed in een gewaad waarin de hoofdbedekking was geïntegreerd. Ter hoogte van de oren werd het bovenste gedeelte vaak nog met plooien en spelden gecompleteerd zodat er toch zeker niets van het oor, of een lok van het haar zou komen piepen.

Het was maar een subgroep, een minderheid, maar het was er wel een die zich roerde. Bij de dialogen die we met de leerkrachten levensbeschouwing opzetten, deden deze dames hun mond open. Prachtig, mondige meiden onder die hoofddoek. Maar wat ze zeiden was minder prachtig: meningen werden verkondigd als absolute waarheden: onbetwijfelbaar geloof. Er werd niet eens geargumenteeerd, er werd enkel geponeerd. Wie het niet aannam werd afgewezen, ja niet enkel zijn mening, neen ook als mens werd hij/zij afgewezen. Je zag het, je voelde het. En zoals altijd: de andere zeiden niets, of niet veel, de jongens vonden het prachtig en deden er vaak nog een brutaal schepje bovenop (“homo’s? die moet je afknallen”). Niet echt bevorderlijk voor de dialoog en het pedagogisch project van de school. Maar je probeerde het bij te sturen, en als zij zich roerden, waren er toch ook altijd nog wel die zich verweerden of die het opnamen voor de geviseerden, maar leuk was het niet.

Ook niet, toen voor het schooljaar 2008-2009 werd beslist dat enkel een losse hoofddoek mocht worden gedragen. Waarschijnlijk uit dezelfde hoek kreeg de leerkracht Islam anonieme oekazes in zijn postvak met fatwa’s van het internet omtrent hoever de bedekking volgens de ware leer minstens moest gaan. En in de loop van het jaar bleek steeds vaker dat meisjes die aan het begin van het schooljaar nog losjes met deze zaken omgingen strakker werden. Desgevraagd, vernam ik via-via twee soorten verhalen. Bij sommigen was het een bewuste keuze, ik zal maar zeggen: een omarming van een fundamentelere vorm van Islam onder invloed van ‘evangelisatie’ (vergeef me de term) van klasgenoten en daarbuiten; bij anderen was het een bezwijken onder de druk om van het gezeur af te zijn en gewoon mee te mogen doen. Zo was het vorig schooljaar in Antwerpen en Hoboken. Zover was het gekomen omdat deze twee scholen, beide van het GO!, beide gelegen in kansarme buurten van de stad, geweigerd hadden om van de hoofddoek een punt te maken. Zij hadden de deuren gewoon opengelaten. Voor iedereen, zo zoals die is. Enkel omdat bijna alle andere scholen er – in stilte – wel een punt van hadden gemaakt, waren de moslima’s die er ook een punt van maakten (maar dan inde ander zin) vanzelf op een van deze scholen terecht gekomen. Het was een concentratieschool geworden.

Wat moet je doen als je school een concentratieschool is gworden en alle extra middelen om kansarmoede weg te werken (GOK-uren, OKAN-klassen, bijlessen) deze tendens niet hebben geneutraliseerd, waardoor tijdens interlevensbeschouwelijke dialogen en ontmoetingen de strenge islam al snel het gesprek domineert ? De directie heeft voor een radicale aanpak gekozen: een noodmaatregel, een verbod. Afin, hoe het is verlopen hoef ik hier niet beschrijven; het is voldoende in de media geweest. Het optreden van imam Nordin Taouil (wie vertegenwoordigt hij eigenlijk? Waarom kreeg hij zoveel spreekruimte?) was onvergeeflijk. Zijn negatieve houding, reeds voor de zomer, heeft wat een locale uitzonderinsmaatregel was doen escaleren in een nefaste ideologische discussie.

En wat vind ik nu, zo vraagt men mij als inspecteur protestants-evangelische godsdienst van het totaalverbod van de raad van het GO! ?

Welnu, ik vind het een goede zaak dat men de verantwoordelijkheid voor de ontstane spanningen uit de handen van de directies heeft genomen. Het was hun boven het hoofd gegroeid. Zij wilden enkel van de vicieuze cirkel van een concentratieschool af. Voor hen was het vooral een pragmatische maatregel. De reactie erop heeft er een ideologische discussie van gemaakt. Jammer. Het ligt allemaal zo gevoelig en ‘de hoofddoek’ bestaat niet. Het is zo’n ingewikkeld ding en het kan tegenovergestelde betekenissen hebben, afhankelijk van de context. Een en hetzelfde hoofddoekje kan een vrouw onderdrukken en bevriijden. Oprechte getuigenissen van beide bestaan. Voor de overgrote meerderheid van de islamitische meisjes is het echter ‘gewoon een kledingstuk’ dat je – natuurlijk – aandoet, want anders ben je niet netjes gekleed. Deze groep is de vergeten groep en misschien ook wel het grootste slachtoffer. Zij moeten nu plots een keuze maken op voorwaarden die de hunne helemaal niet zijn. Zij willen gewoon leven, naar school gaan en met de vriendinnnen kletsen. De groep die het meeste baat heeft bij de escalering is helaas de fanatieke groep, de zwart-wit denkers. Zij triomferen omdat nu iedereen zich moet uitspreken, een keuze moet maken, voor of tegen. Een ijverige (fanatieke) minderheid kan het gedrag van een passieve meerderheid blijkbaar aansturen een maakt van de hoofddoek het symbool van de ‘echte moslim’. De intentie van het GO! was anders. Hoe paradoxaal het ook moge klinken : de bedoeling van het hoofddoekverbod was niet om de dialoog te beëindigen, maar om die te vrijwaren van monopolisering. Voorwaarde voor dialoog is echter dat er meerdere meningen zijn èn mogen zijn, opdat de nuance tenminste nog een kans krijgt. Daarvoor moeten namelijk alle stemmen aan bod komen. Ik vrees dat vooral de weifelende en zoekende stem en de stem van hem/haar die het ‘allemaal worst zal wezen’ in het gelijkhebberijgeweld gesmoord zal worden.

Dr. Dick Wursten (Inspecteur protestants-evangelische godsdienst).

De boerkini ziet eruit als een badpak, maar is het niet.

De boerkini is een symbool

symbool 1. een teken dat een bepaald idee, concept of object representeert. vb. duif = vrede.

De boerkini is een badpak met symbolisch karakter. Dat heeft niets met de zwemfunctie te maken, maar alles met het achterliggende idee/concept dat het representeert, letterlijk: present stelt. In dit geval een mensvisie, m.n. dat mannen seksuele roofdieren zijn en dat niet de man daaraan iets moeten doen (zich leren beheersen bijv.), maar dat het aan de vrouw is om zich daarom uit het openbare leven terug te trekken. Als zij dan toch daaraan wil participeren dan moet dat dat met veel omzichtigheid gebeuren. En als het misgaat, dan is het haar schuld. Daar gaat het in de maatschappelijk discussie over – of daarover zou het moeten gaan. In die zin is ‘de boerkini’ een terecht een symbool-dossier. Het gaat erom dat de dracht van dat badpak verkondigt dat de omgang tussen mannen en vrouwen dient georganiseerd te worden op grond van basic distrust en dat de vrouwen de last die dat oplevert moeten dragen. Ik vind dat geen fijn bericht.

toevoeging: Non-Boerkini

De courante vergelijking met nonnetjes die ‘gesluierd’ zijn en ook geen gewoon zwempak aantrekken, is bijzonder interessant. Ze relativeert de discussie echter niet, maar zet die op scherp. Nonnen dragen immers geen ‘gewone’ kleren maar volgen echt een religieuze dresscode. Zij hebben zich namelijk van de wereld afgekeerd en leven enkel nog voor God (zij zijn ‘bruiden van Christus’). Nikab-draagster heb ik hetzelfde horen zeggen (ik draag deze kleding ‘voor Allah’. Hoe hij mij ziet is voor mij het allerbelangrijkst). Nonnen zijn daarom ingetreden in een klooster (van ‘claustrum’: afgesloten plek). Daarbinnen kun je echt vroom en veilig leven. Daarbuiten (in de seculiere wereld dus, letterlijk: het saeculum) loert het kwaad om de hoek, heerst de vorst der duisternis. Als ze de veilige plek dan toch verlaten, moet hun kleding hen beschermen tegen die gevaren. Ze moeten ook zo weinig mogelijk echt contact leggen, want voor je het weet…

Dit dualisme geldt in de islam ook, maar dan voor alle vrouwen… Zij moeten kloosterlijk leven, zonder klooster. En onderwijl mogen – vreemde paradox – de mannen gewoon hun gang gaan. Zij zijn ook altijd seculier gekleed.

Habijt en boerkini/hoofddoek/nikab hebben dus inderdaad een soortgelijke boodschap: ‘Wereld daarbuiten, ik wijs u af… ‘. Een moslimvrouw-volgens-deze-opvatting-die-vrij-gangbaar-is (maar volgens mij is ieder mens vrij om z’n religie ook anders te definiëren... zie deze pagina, en deze) woont de facto dus in een klooster’ (=huis/familie) en wordt geacht de buitenwereld (en m.n. de mannen) te mijden. Problematisch lijkt me als je een seculiere samenleving wilt die de naam samen-leving waardig is en waar de non-discriminatie op grond van sexe in de grondwet is ingeschreven.

 

Hoofddoek, vergiet en nikab

Religieuze gedragsvoorschriften verplichten de samenleving niet

De rechter heeft gelijk: aan religieuze klederdracht mogen best beperkingen worden gesteld.

Het dragen van bepaalde soorten kleding wordt al te gemakkelijk opgehangen aan de vrijheid om je godsdienst te beleven. We zijn in dit land gelukkig sowieso vrij om ons in het openbaar te kleden zoals we willen. Er ligt alleen een grens bij (geen) kleding die ernstige aanstoot geeft voor de eerbaarheid, uniformen waartoe je niet gerechtigd bent (politie, bijvoorbeeld) en maskers die herkenbaarheid onmogelijk maken (behalve op carnaval). Kleding waarvan de dragers zeggen dat ze die moeten dragen vanwege hun overtuiging, is dus meestal vrij. Maar genoemde grenzen gelden ook voor religieuze klederdracht.

Het is van belang dat een politieagent een geheel onpartijdige indruk maakt

De recente uitspraak van de rechter (de Centrale Raad van Beroep) in de zaak van een nikab-draagster tegen de gemeente Utrecht is daarom belangrijk. Mag de gemeente eisen dat een bijstandsgerechtigde voor het meemaken van een werktraining haar nikab, haar gezichtsbedekkende sluier, aflegt en volstaat met een hoofddoek? Ja, zegt de rechter, de nikab is een wezenlijke belemmering voor de arbeidsparticipatie. Een beroep op godsdienstvrijheid geldt in dit verband dus niet. Bij bepaalde functies geldt dat ook. Het is van belang is dat een politieagent, of een rechter, of soms een ambtenaar, een geheel onpartijdige indruk maakt. Het dragen van kenmerken bij je uniform of toga waarmee je uitkomt voor een overtuiging (religieus, politiek of anderszins) is dan ongewenst.

Godsdienstvrijheid is vooral de vrijheid om er een overtuiging op na te houden

Leuk idee van de politie in Amsterdam om agenten die moslima zijn in het belang van de verscheidenheid een hoofddoek te laten dragen, maar ik begrijp de beslissing van de korpsleiding die zegt dat het niet kan. Heeft kleding met godsdienstvrijheid te maken? Dat is slechts in mindere mate het geval. Godsdienstvrijheid is eerst en vooral de vrijheid om er een overtuiging op na te houden. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in de tijden van de inquisitie, en nu nog in sommige orthodox godsdienstige landen, wordt geëist dat je je ook innerlijk aanpast aan de leer. Godsdienstvrijheid in onze dagen is echter vooral het recht om je geloof openlijk te belijden, genootschappen te vormen en de overtuiging samen te vieren, met name in kerkgebouwen en moskeeën. Dat deel valt overigens in belangrijke mate samen met twee andere grondrechten: de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering.

De samenleving bepaalt geheel zelf hoe ver zij daarin wil gaan

Hier is een derde aspect aan de orde: in het geval dat een godsdienst voorschriften kent voor gedrag in het dagelijks leven. Bij christelijke overtuigingen staat het geloof centraal, de gedragsvoorschriften (vasten, zondagsrust, en zo) zijn van minder belang. Andere godsdiensten leggen een grotere nadruk op het gedrag (sabbatheiliging, vrouwenkleding, toelaatbaar voedsel). Maar het blijft ook daar uiteindelijk ondergeschikt aan de overtuiging die beschermd wordt. Vandaar dat volgers van dergelijke godsdiensten zich vaak binnen een andere samenleving toch kunnen handhaven, zeker als die andere samenleving op enige punten met hen rekening houdt (toestaan van koosjer en halal slachten bijvoorbeeld). Maar die samenleving bepaalt geheel zelf, op grond van het geldende recht en van de openbare orde, hoe ver zij daarin wil gaan. Eist de godsdienst mensenoffers, dan is het – een extreem voorbeeld, toegegeven – vanzelfsprekend dat dit niet wordt toegestaan. Kledingvoorschriften zijn geen probleem (nonnen en paters waren vroeger op straat ook opvallende verschijningen). Maar een non zou het toen niet in haar hoofd hebben gehaald om te eisen dat zij als onderwijzeres op een openbare school in vol ornaat les zou mogen geven. Op dat niveau zit ook de kwestie van het dragen van allesomhullende kleding. In een open samenleving als de onze is dat best, mits het gezicht herkenbaar is. Dat is niet zo bij de nikab. De nikab is trouwens meer een cultureel-etnische traditie dan iets dat met de kern van een godsdienst te maken heeft.* De overheid mag daaraan dan ook, zo nodig, beperkingen stellen, zonder de godsdienstvrijheid aan te tasten. De rechter heeft hier wijs geoordeeld.

Erik Jurgens

* [ingezonden brief 2 juni 2017:]

Pastafarisme


Mienke de Wilde (aan het woord in de NPO-reportage die inmiddels is verwijderd. Dus enkel een screenshot) is ‘gelovig lid van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster’. ‘Pastafarisme’ klinkt ernstiger vind ik, maar goed.

Dit is een levensovertuiging die sinds kort ook in Nederland formeel-administratief als kerkgenootschap is erkend. Sommige pastafarians, zoals de volgelingen heten, dragen een vergiet als hoofddeksel en willen dat niet afzetten. Ze willen ook met dit hoofddeksel op de pasfoto voor rijbewijs en paspoort. Want: “Als er voor joden een uitzondering wordt gemaakt en zij met keppel op de foto mogen, en moslims met hoofddoek op de foto mogen, waarom pastafarians dan niet met vergiet?” Dat hun opvatting ‘niet serieus’ zou zijn in tegenstelling tot de andere, vinden zij dan weer niet serieus. De religie is nog jong (2005), zeker, maar dat waren die anderen ooit ook. En wat de een ‘belachelijk’ vindt, vindt de ander juist ‘essentieel’. Wie kan hier oordelen, sterker: wie màg hier oordelen, als godsdienst en geloof echt vrij is.

Eén nadeel: het pastafarisme is ontstaan als een bewuste parodie op het christelijk fundamentalisme (Evangelicals in Kansas (USA) hadden het met beroep op de vrijheid van godsdienst voor elkaar gekregen, dat zij op school het creationisme konden onderwijzen. Dat vroeg om een reactie. Het werd een eye-opening parodie.) Dit is natuurlijk wel een zwak punt, als je serieus genomen wil worden als èchte gelovige, maar soit.

Tijdens een van de fases van het ‘Hoger Beroep’ ben ik door haar gevraagd om als getuige-deskundige op te treden en mijn mening te geven of Pastafari’s gelijkberechtigd zouden moeten worden met andere religieuze mensen betreffende kledingvoorschriften. Hieronder mijn schriftelijke getuigenis:

Edelachtbare heer, vrouwe,

Ik, D. Wursten, ben voor afschaffing van het aparte grondrecht voor de vrijheid van religie, omdat de begrippen ‘religie’ en ‘godsdienst’ uit de aard der zaak onbepaalbaar zijn en dus juridisch onhanteerbaar. Er zijn geen objectieve criteria zijn die kunnen bepalen wat wel of niet tot ‘religie’ behoort. Iedere uitspraak daarover is ook een inhoudelijke uitspraak over religie of godsdienst en bevat dus een waarde-oordeel.

Godsdienst is een menselijke activiteit en blijft dat, ook als men zelf gelooft dat God boven-menselijk is. Religieuze overtuigingen, inclusief de mijne, zijn menselijke meningen. En dat blijven ze, ookal geloven veel gelovigen zelf – natuurlijk  – dat ze meer zijn dan dat. Zij onderscheiden zich van andere menselijke meningen hierin dat ze een vorm van redelijkheid claimen die principieel niet te volgen is voor iemand die ‘buiten staat’. Enkel vanuit het binnenperspectief zijn theologische redeneringen logisch en consistent. Dit kenmerkt vooral die religies die zich op een of andere openbaring beroepen, die vastgelegd is in heilige boeken of verwoord door geïnspireerde personen.

Juist dat maakt de begrippen ‘religie’ en ‘godsdienst’ inhoudelijk ongrijpbaar, ondefinieerbaar. Elke invulling van het begrip zelf is immers al een stellingname.

Mijns inziens is een aparte bescherming van de burgers die er religieuze opvattingen op na houden ook niet nodig, omdat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, ook de uiting en vormgeving van religieuze opvattingen voldoende dekt.

Omdat de overheid op dit moment echter wel uitzonderingsregels hanteert voor gedrag of opvattingen van burgers die zich beroepen op het recht op godsdienstvrijheid, kan de overheid mijns inziens niet anders doen dan op dit punt een quasi totale interpretatieve terughoudendheid hanteren. Òf alle ‘religieuze’ uitingen vallen eronder, òf geen enkele. Alleen zo respecteert zij het recht op vrijheid van religie. Als de overheid echter stelt dat een bepaalde ‘religie’ niet voor religie kan doorgaan omdat ze bijv. ongeloofwaardig zou zijn, of niet oud genoeg, of niet ernstig genoeg, of niet consistent genoeg, of wat dan ook, dan neemt zij een inhoudelijk standpunt in en heeft ze haar interpretatieve terughoudendheid laten varen. Als immers de gelovige in kwestie blijft volhouden dat hij of zij vanwege zijn geloof niet anders kan dan zich zo gedragen, hoe absurd het de rechter ook voorkomt, dan kan de overheid niet anders dan deze verklaring aanvaarden, a.h.w. op erewoord.

Elk oordeel in dezen is een inhoudelijk oordeel, ook het oordeel dat iets niet als religie kwalificeert.

Tenslotte: Ik ben geen fan van het Pastafarisme, maar wanneer de overheid dan toch meent dat zij zich moet uitspreken over of een geloofsopvatting van een gelovige wel of niet te geloofwaardig is en hoe de daarmee samenhangende religieuze regels geïnterpreteerd moeten worden, dan vind ik dat vanwege het gelijkheidsbeginsel ook de mensen die op erewoord verklaren dat zij deze religie aanhangen, gelijk behandeld moeten worden met aanhangers van de meer courante religies (die ook ooit als exotisch en provocerend zijn weggezet). Als ze hier toch gaat onderscheiden, begeeft zij zich op glad ijs.

Beter nog ware het mijns inziens om hier helemaal geen oordeel meer te willen vellen, omdat het niet nodig is. Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging biedt immers voldoende bescherming voor eender welke groep mensen die iets anders wil zeggen, doen, of beleven.

Hoogachtend,

[HANDTEKENING]

Dr. D. Wursten