Hoe ambtenaren religies groot kunnen maken… (het voorbeeld van Brits Indië)

The British Empire as ‘manufacturer of religions’

Het verborgen verband tussen administratieve classificatie en religieuze conflicten

[voor meer achtergrond, zie mijn online publicatie over religie, hoofdstuk 4: Religie als groepsaanduiding]

Dat de het vertrek van de Britten uit Brits Indië (dat het huidige India, Pakistan en Bangladesh omvatte) desastreuze gevolgen had heeft alles te maken met de wijze waarop de Britten in de eeuw voordien de religieuze identifyer hadden gebruikt om de samenleving te ordenen. Daar lijkt die ook prima geschikt voor, maar dat is ze niet. Helaas ontdek je dat pas als het te laat is. In zijn boek Holy Ignorance beschrijft de Franse socioloog Olivier Roy hoe de koloniale ambtenaren van the British Empire echte ‘manufacturers’ waren van neo-etnische groepen geordend volgens religieuze markers. Zij deden dat niet om principiële of verheven redenen, maar gewoon pragmatisch, administratief. Ze wilden gripp hebben op de bevolking en moesten die dus registreren. Dat gebeurde dan volgens religieuze toebehorigheid (hieronder leg ik uit waarom en hoe). Dat deze ordening in het gezicht van de bevolking zou exploderen eens de Britse legermacht vertrok, konden ze niet voorzien, maar was door sensibele geesten als Gandhi wel voorvoeld. Het conflict in Myanmar rond de Rohingya is m.i. op soortgelijke wijze analyseerbaar in haar fatale dynamiek (zich sluitende religieuze identiteiten die de politieke speelruimte innemen), maar gaat het kader van dit opstel te buiten.

Op het Indische schiereiland waren ooit 100-en staatjes… en een eindeloze variatie aan religieuze gebruiken

De Britse ambtenaren, laten we er geen doekjes om winden, moesten ervoor zorgen dat het geld uit deze kroonkolonie zo efficiënt mogelijk naar het moederland stroomde. Daarvoor moesten de ambtenaren de Indiërs classificeren. Niet makkelijk in een land dat bestaat uit tientallen, honderden staatjes (ja dat zijn we alweer vergeten: India bestaat niet. We zijn geobsedeerd door vereenvoudigingen, één-makende categorieën, zozeer zelfs dat we al heel snel geloven dat er altijd werkelijkheden aan beantwoorden). Die gebieden, regio’s, zijn onderling even divers als de Europese gebieden enkele honderden jaren geleden waren. Hier de kaart van hoe de hele ‘kroonkolonie’ van het British Empire eruit zag.

Om te kunnen rubriceren wie bij welke groep hoorde, moet men de werkelijkheid vereenvoudigen: De Britten stelde vast dat er her en der groepen waren die zich onderscheiden van de medebewoners doordat ze op een of andere manier door de islam waren beïnvloed. Ik zeg dat expres zo vaag, omdat die groepen onderling ook weer heel erg van elkaar verschilden, en heel vaak elkaar nauwelijks of zelfs helemaal niet als geloofsgenoten accepteerden. Er waren nog geen massamedia, en van de Taliban of het salafisme had nog niemand gehoord. De ‘umma’ was toch vooral virtueel. De actuele, reële, religieuze praktijken waren dus heel divers en heel vaak syncretistisch, dat wil zeggen sterk bepaald door de ‘Umwelt’ in een soms al eeuwenlang gezocht en constant bijgesteld evenwicht van deelname en onderscheiding. De ambtenaren wensten echter niet teveel hokjes te voorzien. Dus was het ‘moslim’ of ‘hindoe’. Dat die laatste categorie voorkomt in even veel kleuren als de regenboog en zelfs nauwelijks een zinvolle religieuze marker is, veeleer een etnische term is (‘die van India met hun vreemde zeden en gewoonten, waarvan ik niet zoveel begrijp’), kon de pret niet drukken. Men kon nu beginnen classificeren en het systeem op orde brengen. De basis van elke regering die macht wil uitoefenen.

De grootst gemene deler (die eigenlijk dus heel zwak was als identiteitsvormer, persoonlijk en als groep) werd zo naar voren gehaald. Vanaf dat moment werden de inwoners van Brits India netjes aangeduid als ‘moslim’ of ‘hindoe’, beiden overigens types religie waar de brave Engelsman zich verder zo weinig mogelijk mee bemoeide, want hij was ‘christen’.

Ter illustratie drie kaarten uit 1909

Eerst de indeling per dominante religie in percenten. Ik begin bij de minoriteiten: Boeddhisten, Sikhs en Jains. U ziet rechts Birma (Myanmar)


Dan nu de Hindoes (met percentages)


De moslims (de grenzen van Oost en West-Pakistan = Bangladesh, kun je al bijna invullen. Ook ziet u dat het kustgebied van Birma ook toen al islamitisch was – Rohingya)

Percentage moslims 1909

En tenslotte de kaart van 1947 per meerderheids-religie. Vergelijk de kaarten en u ziet de etnische zuivering die gaat plaatsvinden op grond van religieuze affiliatie voor u.

Zo ziet het eruit als je de dominante religies als etnische marker gebruikt.

 

De sociale divisiveness (van institutionele religie, die altijd werkt met ‘het zich onderscheiden van’, groepsvorming, incrowd-outcrowd) en de gulzigheid van de religieuze identifyer (die alle andere identiteitskenmerken tot ‘secundair’ verklaart, genre ‘dat is maar cultuur…‘) heeft vervolgens z’n werk gedaan. De religieuze component werd steeds doorslaggevender, dominant, de groepsvorming sterker, de pluraliteit nam af. Toen de ijzeren vuist van de kolonisator verzwakte, was de tweedeling van de samenleving volgens de eenvoudige ‘religieuze marker’ een feit. Een zwakke identiteitscomponent (moslim, of niet-moslim) was een sterke geworden. Ze kleefde de mensen nu aan. Religieuze leiders en hun ‘spokesmen’ hadden er wel voor gezorgd dat hun visie op wat ‘islam’ dan wel of niet was, duidelijk werd geëxpliciteerd. Via opvoeding en scholing werd de religieuze identifyer meer en meer inherent en verarmde het kleurenpalet. Het werd monochroom. De moslims van Bengalen bijvoorbeeld, die veelal hindoenamen hadden en ‘God’ niet aanspraken met Allah maar met een Bengalees equivalent, begonnen hun kinderen ook Ahmed en Youssouf te noemen, en God aan te roepen als ‘Allah’. Taal is ook zo’n culturele identifyer trouwens, die gemakkelijk door de religieuze kan worden opgeslorpt, dan wel eraan onderworpen. Jammer, want een gedeelde taal verbindt…

De Britse standaardisering van de religieuze marker werd in het begin van de twintigste eeuw gekoppeld aan de oprichting van kieskringen (volgens religieuze affiliatie), waardoor de godsdienst ook een (partij-)politieke zaak werd.

Voeg aan deze Britse categorisering volgens religieuze affiliatie toe dat er binnen de islam een reformbeweging op gang was gekomen, die ook naar standaardisering streefde en probeerde de religieuze identiteit nauwkeuriger te omschrijven (fundamentalistische tendens, ook een modern verschijnsel trouwens). Zij deed dit om zich beter te kunnen organiseren en te profileren in de laat-koloniale wereld en heeft het proces van maatschappij-ordening langs lijnen van religieuze toebehorigheid versterkt, om niet te zeggen ‘gekaapt’. IJverige moslims vonden dat het hoog tijd was om die halfslachtige en syncretistische moslims (men was ‘moslim’ zoals veel Vlamingen katholiek waren en zijn) eens tot ‘echte moslims’ te maken, terug hun religieuze roots te leren kennen. Zo formuleert men het dan, historisch misleidend, want waarheen men zegt terug te keren heeft nooit bestaan.

De ‘zwakke culturele moslim-marker’ die dus heel goed mengde met andere locale culturele (al dan niet gedeeltelijk religieuze) markers, moest vervangen worden door een pure, zuiver religieuze marker. Voelt u het geweld dat in dit soort taal zit, het oordeel dat uitgesproken wordt over de godsdienstigheid van de ander, de druk die op de ‘cultuurmoslims’ (pejoratieve term, net als cultuurchristenen) wordt uitgeoefend. De religieuze marker is gulzig, ze slokt op, ze neemt af, ze heeft een totaliserende tendens. Samen met de Britse administratie als ‘manufacturer’ van de religieuze categorie als politiek element, werpt dit een schril licht op de wijze waarop deze Britse kolonie – ondanks intens verzet van mensen als Gandhi – in twee staten is uiteengevallen, gesegregeerd langs religieuze lijnen: de ‘Scheiding’ van 1947 (India en Pakistan-Bangladesh). Het menselijk lijden en de politieke ontwrichting die hiervan een gevolg is (een half miljoen doden, en tien tot twaalf miljoen ‘discplaced persons’). Het sociale weefsel was volledig gescheurd en de gevolgen laten zich tot op vandaag voelen, niet in het minst in Pakistan.

Effect op de identiteitsconstructie

Dit voorbeeld (dat helaas met vele te vermeerderen is) moge dienen als waarschuwing. Religieuze markers gebruiken als sociale categorieën is niet ongevaarlijk. En dat we het zo klakkeloos doen, is eigenlijk onvergeeflijk gezien de geschiedenis. Dus, als we merken dat dit taalgebruik niet alleen onze perceptie van de werkelijkheid begint te bepalen, maar ook zelf werkelijkheid begint te creëren, dan wordt het tijd voor een pas op de plaats. En ik heb het gevoel dat dat moment nabij is. We zien overal ‘moslims’ en de woordvoerders die ons hun aanwezigheid in de wereld en in onze samenleving komen uitleggen zijn bijna altijd theologen (religieuze professionals). Als er ergens spanningen zijn met jongeren in concentratiewijken, worden religieuze leiders opgeroepen om het vuur te blussen. Waar zijn de sociologen, waar zijn de antropologen? En dan bedoel ik niet de mensen die de religieuze component wegverklaren door alle gedrag te herleiden tot socio-economische of socio-psychologische factoren, maar degenen die de religieuze component meenemen in hun analyse van algemeen menselijk gedrag. Geven we in dezen enkel de religieuzen het woord, dan zijn we bezig de ‘islam’ als identitymarker te versterken en moeten we niet raar staan te kijken dat van de weeromstuit voor veel mensen die godsdienstige component ook echt belangrijk gaat worden. Paradoxaal gezegd: Als je religieuze leiders erbij roept om een maatschappelijke brandhaard te blussen, werp je met het water ook olie op het vuur omdat je de religieuze identifyer vrij spel geeft.

Wat is religie, wat is cultuur ?

Oppassen met die religieuze marker !

De STANDAARD (B)  / TROUW (NL)
AUGUSTUS 2016  |  Dick Wursten

Als het over botsende culturen gaat, moet je erg voorzichtig zijn om daar religie bij te betrekken, waarschuwt Dick Wursten. Want door migranten als ‘moslims’ aan te spreken, stuur je de constructie van hun nieuwe identiteit in een religieuze richting. Het is hoog tijd voor een algemene zindelijkheidstraining als het gaat over het gebruik van religieuze termen in het maatschappelijk debat.   

Religieuze markers zijn niet ongevaarlijk. Ze roepen veel emotie op en zaaien tweedracht. De geschiedenis toont dat aan. Het te pas en vooral te onpas gebruiken van religieuze markers speelt in de kaart van extremisten. Eens in voege kunnen ze heel gemakkelijk ‘gekaapt’ worden voor negatieve doeleinden. Denk bijvoorbeeld aan die grap uit Belfast, Noord-Ierland. De strijd tussen de ‘protestanten’ en ‘katholieken’ is nog volop aan de gang: bomaanslagen, Bloody Sunday… Een man wordt tegengehouden aan een wegversperring. ‘Protestant of katholiek?’ vraagt een nerveuze soldaat. ‘Ik ben atheïst’, antwoordt de man. ‘Een protestantse atheïst of een katholieke?’ buldert de soldaat.

Religiecriticus Christopher Hitchens vertelt deze anekdote in zijn boek God is not great. De bloedige oorlog in Noord-Ierland is voor hem een van de voorbeelden van de nefaste invloed die godsdienst heeft op het samenleven van mensen. De anekdote is pijnlijk en hilarisch tegelijk, zoals het humor betaamt. Ze brengt echter ook een nuance aan in het betoog van Hitchens omdat de pointe duidelijk maakt dat de religieuze marker (‘protestant of katholiek’) juist niet verwijst naar een religieuze praktijk of een diepdoorleefd geloof als bron van handelen. De religieuze term dient immers simpelweg om ‘de onzen’ van ‘de hunnen’ te onderscheiden. In Noord-Ierland kon je prima atheïst en marxist zijn (zoals veel IRA-leden trouwens waren) en toch te boek staan als een militante katholiek. Ook kon men met oranje vlaggen marcheren door katholieke straten (ja, zelfs straten kunnen een levensbeschouwelijke kleur krijgen) zonder ooit een bijbel te hebben aangeraakt, wat toch wel het absolute minimum is om ‘protestant’ in religieuze zin genoemd te kunnen worden. De religieuze marker diende in Noord-Ierland vooral om het kamp aan te duiden waar je bij hoorde. Het was een groepsetiket, een nom de guerre.

Protestantse of katholieke moslim?

Ik kwam de anekdote onlangs opnieuw tegen in een boek van de Franse socioloog en islamkenner Olivier Roy over de ingewikkelde relatie tussen religie en cultuur. Hij gebruikt het Noord-Ierse voorbeeld om duidelijk te maken hoe ongrijpbaar een religieuze marker eigenlijk is. In zijn versie is de atheïst trouwens een moslim geworden, een Bengalees die een nachtwinkeltje runt op de hoek van een protestantse en een katholieke straat. Op een donkere winteravond stormt een man met een bivakmuts zijn winkel binnen, zwaait met een pistool en roept: ‘Katholiek of protestant?’ ‘Ik ben moslim’, antwoordt de kruidenier. ‘Een katholieke of een protestantse moslim?’ schreeuwt de overvaller. Nu hebben we dus al katholieke atheïsten en protestantse moslims. Blijkbaar kan een religieuze marker gewoon veranderen in een culturele of etnische marker, op voorwaarde dat een bepaalde godsdienst geruime tijd dominant is in een (deel van de) samenleving. Om nog een paar voorbeelden te noemen. Polen zijn katholiek, Russen orthodox en Tibetanen boeddhist. Dat is natuurlijk niet zo. Ze zijn het zeker niet allemaal, en niet op dezelfde manier, er zullen heel veel ‘sociologische gelovigen’ tussen zitten.

Of dichterbij: na eeuwen van levensbeschouwelijke apartheid tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden spreken we gemakkelijk over ‘calvinistische Hollanders’ en ‘katholieke Vlamingen’. Toch weten we allemaal dat op deze combinatie veel uitzonderingen bestaan, dat de uitspraak enkel zin heeft als je de religieuze markers als culturele interpreteert. Het suggereert dat vrijzinnige humanisten in Vlaanderen in culturele zin gestempeld zijn door het katholieke verleden en dat de katholieken in Holland iets calvinistisch hebben.

In deze gevallen blijft het nog allemaal redelijk onschuldig, maar het Noord-Ierse voorbeeld maakt duidelijk dat het niet ongevaarlijk is als de religieuze marker te lang blijft hangen. Haatpredikers als dominee Ian Paisley konden in zo’n taalveld prima gedijen en olie op het vuur blijven gooien, ook toen het vuur al aan het doven was.

De Franse benadering

Het wordt tijd dat we ons hiervan meer rekenschap geven, met name als we over de maatschappelijke aspecten van godsdienst en levensbeschouwing spreken. Waar hebben we het bijvoorbeeld over als we spreken over de ‘moslims van Europa’? Hebben we het dan over de godsdienst van die groep, de islam, zoals de term suggereert? Meestal niet, want ‘moslims’ is veeleer een etnische marker dan een religieuze. We hadden een term nodig voor een groep die we niet zo goed konden plaatsen (zie ook ‘allochtonen’). Daarbij hebben we gegrepen naar de ‘grootste gemene deler’ van de groep en gekozen voor de godsdienst van de meerderheid in de gebieden waaruit ze afkomstig zijn: de islam.

Het woord ‘moslims’ is dus een etnische term. Wij delen dit etnische gebruik van een religieuze term met de Angelsaksische wereld. In officiële Franse publicaties weigert men bewust deze religieuze marker te gebruiken. Daar verwijst men naar dezelfde groep met open omschrijvingen zoals ‘mensen met een migratieachtergrond’. Niet dat men de religie wil negeren, juist niet, maar men wil de mensen daar niet van tevoren op vastpinnen. Of de islam relevant is voor deze mensen zal bij nadere kennismaking wel blijken.

Het voordeel van de Franse benadering, die door de terreuraanslagen trouwens enorm onder druk staat, is dat je de nieuwkomers niet meteen als een ‘gesloten blok’ ziet met religieuze connotatie, maar als mensen met heel diverse culturele achtergronden. Dat strookt in elk geval met de realiteit: ze spreken verschillende talen, ze kennen elkaar helemaal niet en qua levensbeschouwing liggen ze vaak met elkaar overhoop. Net als bij ons is religie maar één aspect van hun veelkleurige en complexe identiteit als mens; en als die al een rol speelt, dan is dat altijd vermengd met die andere aspecten, vaak onbewust en onberedeneerd.

Moslimdominees à la Paisley

Vanaf het moment dat we ‘ze’ moslims noemen, krijgt het religieuze aspect plots veel gewicht, wordt het autonoom en gaat het enorm op het zelfbeeld wegen. Dat is niet wenselijk. Religieuze groepen ontlenen in West-Europa voor een deel hun bestaansreden aan het feit dat ze zich onderscheiden van andere groepen. Een sterke nadruk op dat aspect van de identiteit is dus niet per se bevorderlijk voor het samenleven. Vooral bij de benadering van migranten is de impact van deze aanpak niet te onderschatten. Ze hebben veel zaken waaraan ze hun identiteit ontleenden moeten achterlaten en voelen zich onzeker over ‘wie ze hier nu eigenlijk zijn’. Ze moeten zichzelf heruitvinden. Door hen als ‘moslims’ aan te spreken, stuur je de constructie van hun nieuwe identiteit meteen al in een religieuze richting. En dat is niet ongevaarlijk. Temeer daar er hier inmiddels een hele batterij religieuze sprekers klaarstaat om hen te helpen dat gat in hun identiteit op te vullen. Voor je erg in hebt, kapen moslimdominees à la Paisley met hun politiek-religieuze constructie het discours en zijn we vertrokken voor een volgend potje religieus armworstelen in Europa.