Vrijheid van godsdienst (historisch)

Vrijheid van godsdienst

Om de zoveel tijd duikt de vraag op – met name in de media – of het begrip ‘freedom of religion’ eigenlijk nog wel hanteerbaar is gezien de enorme diversiteit aan verschijnselen die zich meldt onder de noemer ‘religie’. Pastafarians en Jedi-isten drijven de rechters geregeld in het nauw. En wie wikipedia raadpleegt op het trefwoord ‘religies’ ziet een lijst verschijnen die heel lang is en dan nog geen enkele volledigheid nastreeft. Tevens doet de indeling tamelijk willekeurig aan. Erkende religies? Wereldreligies? Overige? Waarom de een wel, de ander niet. Vooral ook omdat de wereld eigenlijk één groot dorp is en je enkel je beeldscherm hoeft in te schakelen om zelfs de meest exotische varianten live te kunnen aanschouwen. Wat zijn de criteria? Wat is religie eigenlijk?

Uitgebreider en met bronvermelding, vindt u dit in mijn essay  over Religie en Vrijheid
https://www.religie.one/hoofdstuk-3-vrijheid-en-godsdienst-een-haat-liefde-verhouding/

Het begin (de Bill of Rights, 1791)

Toen het vrijheidsrecht werd ingevoerd (Bill of Rights van de VS) , was de situatie heel anders. Dat moet je je wel realiseren als je het huidige gebruik van dat recht wilt beoordelen. De formuleerders van de vrijheidsrechten konden de globalisering van de wereld niet voorzien. Zij hadden ook hùn situatie op het oog, in de VS. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog met Engeland, kwam men voor de vraag te staan hoe men de zaken van religie zou regelen. Men kwam van een ‘Established Religion’ (Britse model), men was het land waar de ‘dissenters’ naartoe gevlucht waren om aan die druk te ontkomen. Hoe kun de religieuze diversiteit of vrijheid nu zo regelen dat de één de ander niet verdrukt, vervolgt? Wat er op het spel stond was wel duidelijk, maar hoe dat te regelen, was iets anders, juist omdat men over God en godsdienst hevig van mening verschilde. Men deelde echter wel min of meer een visie op ‘wat godsdienst eigenlijk was’.  Ter opfrissing: De religieuze impuls werd geacht een ‘natuurgegeven’ (inherent aan het mens-zijn)  te zijn en de uiting ervan was dus een ‘natuurrecht’, onvervreemdbaar en in theorie wereldwijd geldig voor alle mensen.

Vrijheid als een Hands-off beleid.

 De strekking van het artikel over de vrijheidsrechten in de Bill of Rights is tamelijk straightforward: de staat zou zich met de uitoefening en vormgeving van religie niet moeien. Punt aan de lijn. Dat had ze tot voordien wel gedaan, m.n. door één kerk te privilegiëren en financieel te ondersteunen en andere niet. Dat had tot veel ellende geleid en m.n. tot een gevoel van religieuze onvrijheid. Dat zou in die nieuwe Statenbond definitief verleden tijd zijn. In zaken van religie zou de overheid niets steunen en niemand iets verhinderen. Ook bepaalde de overheid niet ‘wat’ wel en niet wenselijk was voor de samenleving. Hands-off dat was de bedoeling. Schoenmaker, blijf bij uw leest, en religie hoorde daar voor de staat niet bij. De overheid zou doen wat zij moest doen: het samenleven van vrije burgers regelen, primaire goederen verzekeren (zoals veiligheid, onderwijs) en erover waken dat niemands rechten geschonden zouden worden, dit laatste samen met de rechterlijke macht. Daar had ze de handen al vol aan, maar daartoe was ze dan ook gemachtigd door de burgers en ter financiering daarvan mocht ze belasting heffen. Niet voor religieuze zaken dus. De combinatie Freedom of Religion en Non-Establishment is hiervan de korte samenvatting: Hands-off. Tegen alle religieuze organisaties (kerken en een incidentele synagoge in het begin) zei de staat: Jullie zoeken het zelf maar uit. Reken niet op ons voor geld of logistieke steun. De meeste burgers waren gewonnen voor deze regeling omdat ze middels dit grondrecht verlost waren van enkele vervelende zaken, bijv. dat hun belastinggeld zou dienen ter financiering van een kerkgenootschap dat het hunne niet was (en/of dat ze verderfelijk achtten). In de voormalige Britse kolonies was dat de Anglicaanse kerk (Episcopalians) of een presbyteriaanse kerk geweest, afhankelijk van het charter van de kolonie. Verder zou de ene kerk niet meer via politiek gelobby de andere kerk dwars kunnen zitten, bijv. door bepaalde ‘sectes’ (want zo noemde de officiële kerk, the ‘established church,  steevast de niet gewenste rivalen) te laten verbieden of het anderszins via overheidsregulering moeilijk te maken hun religie vorm te geven. Ondanks dit grondrecht is regelrechte vervolging overigens nog wel degelijk voorgekomen. Wetten zijn ook maar van papier. De Mormonen zijn in de 19de eeuw het land uitgedreven (Utah lag toen buiten de Verenigde Staten). Ook worden nog steeds processen rond Jehovah-getuigen gevoerd. Door onwelgevallige religieuze groepen ‘secte’ te noemen, ben je niet van het probleem af. Vrijheid van godsdienst betekent dat je een – in de ogen van de weldenkende machthebbers – verwerpelijke variant mag aanhangen en vorm geven binnen de grenzen van de wet natuurlijk. Daar ging het precies over. Baptisten en Quakers waren volgens de weldenkende machthebbers als ‘secten’ vervolgd. Hands-off betekent ook accepteren dat onwelgevallige religieuze groepen de handen vrij hebben.

VS: Freedom of Religion & Non-Establishment

Wij focussen vandaag, en zeker in Europa vooral op de freedom of religion en vinden de non-establishment clausule minder belangrijk. Volgens velen kunnen die beide principes ook prima van elkaar worden losgemaakt, zonder dat de vrijheid van godsdienst daardoor in het gedrang komt. Men meent dan dat een systeem van goed gereglementeerde overheidssteun verzoenbaar is met de vrijheid van godsdienst. Dat echter bij de formulering van de Bill of Rights deze als twee zijden van een en dezelfde zaak beleefd werden, hol en bol, geeft toch wel te denken. Is het één wel zonder het ander verkrijgbaar? Mijns inziens liggen hier grote vragen voor Europa. In de VS had men voor de Bill of Rights die gedachtenoefening ook al gemaakt en vormen van multiple establishment (de facto het meest courante Europese model) in het leven geroepen of in de aanloop naar de grondwet op papier proberen uit te werken. Men heeft die verworpen juist omdat men vaststelde dat het niet werkte en tot spanningen leidde. Een overheid die zich op enige wijze bemoeit met religie, raakt hoe dan ook verstrikt in de interne discussies en zal de facto de religievrijheid beperken, of in een bepaalde richting sturen. Velen, o.a. George Washington, zagen dat eerst niet zo. Het klinkt ook onschuldig en zelfs sympathiek, maar toen de discussies begonnen over hoe men criteria zou moeten vastleggen waaraan religieuze groepen moesten voldoen wilden ze in aanmerking komen voor overheidssteun, veranderden velen van mening. Het bleef een even groot getouwtrek en gehakketak als in de tijd van de ‘established church’, alleen werden de kaarten anders gedeeld. En – zo stelde Washington vast – de samenleving als samenleving ging er op achteruit want het theologisch debat was bepaald niet vrijblijvend. Aan de uitkomst zouden immers politieke en financiële voordelen verbonden zijn. Kerkelijke en politieke macht werden zo toch weer gemengd, leidend tot meer of minder subtiele vormen van overheersing van de ene over de andere groep. En een onontwijkbare vraag: hoe moest de overheid in vredesnaam vastleggen welke religie wel en welke niet ‘salonfähig’ (maatschappelijk geschikt) zou zijn.

Zelfs formele regels discrimineren

Elke ‘voorkeur’ in religionis houdt ook een ‘afkeuring’ in en is dus de facto inhoudelijke bemoeienis. In de ogen van de Founding Fathers dus een schending van de vrijheid van godsdienst, al was het alleen maar de door de overheid gebruikte administratieve vorm om de steun aan de verschillende religies te kanaliseren. In België is binnen de religieus neutrale grondwet gekozen voor de optie van multiple establishment. De uitoefening van de religie (‘culte’, ‘eredienst’ zijn de juridische termen) wordt ondersteund op voorwaarde dat men zich als zodanig laat erkennen. Hoewel het systeem is opgezet voor een kerk (de rooms-katholieke kerk) is het uitgelopen op een systeem van multiple establishment. De inherente problemen die dit met zich meebrengt zijn in België goed zichtbaar. De organisatie van de erkenning en de wijze van financiering is op maat van de rooms-katholieke kerk. Dat is onvermijdelijk – zij was de dominante kerk. Religie is iets cultureels en de verworteling van die religie in Vlaamse bodem is diep en maakte deze godsdienst vanzelfsprekend tot  ‘model’, de mal waar anderen – later – ook in zouden moeten passen. Precies zo als het protestantse model in de VS de andere religies in die mal (accent op persoonlijk geloof, keuze, zelfstandige gemeenschappen, platte organisatie) heeft gedrongen, niet zo simpel voor de rooms-katholieke kerk dus. In de ogen van de Engelse rooms-katholieke schrijver G.K. Chesterton gedroegen de Amerikaanse katholieken zich als protestanten. Het is gewoon niet voorstelbaar dat het anders zou zijn gegaan. Wetten worden geschreven door mensen in concrete situaties.

Europa: De erfenis van Napoleon

In België was de rooms-katholieke kerk quasi de enige speler toen het systeem in het Koninkrijk België op poten werd gezet. De erfenis van Napoleon lag nog op tafel en verder was er een eredienstbestuur onder koning Willem I (1815-1830), waarin multiple establishment de norm was, met een strakke aansturing vanuit de regering. De eredienstfinanciering is op maat van een hiërarchische eenheidskerk (bisschoppelijke structuur) ontwikkeld en dit is natuurlijk zichtbaar in de uitkomst. Omdat de religieuze kernidentiteit van de roomse kerk nauw verbonden is met het bestaan van een aparte klasse, de priesterkaste, is de financiering van ‘eredienstbedienaren’ structureel onderdeel van de wetgeving op de erediensten. Verder moeten er gebouwen zijn en ander ‘materiaal’ om de liturgie de vereiste vorm te kunnen geven (financiering van kerkgebouwen en liturgisch mobilair). Alleen zo kan het volk (de leken) van deze goederen genieten. Andere religies moeten zich in deze mal persen willen ze van dezelfde voordelen profiteren en dat is helemaal niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Hoewel historisch gezien niet meer dan normaal, is het namelijk de vraag of hier geen structurele discriminatie plaatsvindt. Veel mensen die tot het protestantisme gerekend worden, vinden precies de hierboven opgesomde zaken allemaal niet belangrijk voor hun religie, om van Joden en moslims nog maar te zwijgen. En dan laat ik de aanhangers van niet erkende godsdiensten (klein of groot: Mormonen, Kimbangisten, hindoeïsten, boeddhisten, Rastafari’s, Raëlianen) er nog maar buiten. Erg neutraal kun je zo’n overheidsbeleid niet noemen. En of zo de vrijheid van godsdienst van alle burgers gelijkelijk wordt gewaarborgd, ook dat kun je betwijfelen. Door de religieuze instituten te ondersteunen, versterk je de instellings-religie. En het is helemaal niet gezegd dat religieuze instituten het recht op de vrije uitbouw van de religieuze impuls het best regelen. Het feit dat er nogal wat mensen ‘dwang’ gevoeld hebben in de kerk, is toch een teken aan de wand. Maar dit voorlopig nog geheel terzijde.

België is overigens niet het enige land dat een vorm van multiple establishment (sponsoring van ‘erediensten’ die door de staat ‘erkend’ zijn) heeft ingevoerd. Eigenlijk heeft elk Europees land op Frankrijk na (sinds 1905 – laïcité) en Nederland (sinds 1983 – afkoop van de laatste materiële verplichtingen van de staat) zijn eigen variant van een systeem van multiple establishment op poten gezet. (Kirchensteuer in Duitsland, belastingkeuze in Italië bijv.). Ik vraag me af of hier niet een van de wortels ligt van de problemen die wij in Europa hebben om een met de vrijheid van godsdienst om te gaan. Naast de logische onmogelijkheid om objectief te definiëren wat in religionis wel en niet in aanmerking komt voor ondersteuning, speelt hier ook het besef dat overheidsbemoeienis met religieuze zaken klaarblijkelijk altijd leidt tot twist over ‘wat wel, wat niet’ en dat zo de sociale divisiveness die in de religieuze optie sluimert, versterkt wordt hoewel men vaak omgekeerde bedoelingen heeft. Het tegenovergestelde van ‘goed’ is niet ‘fout’, maar ‘goed bedoeld’. Het netto-resultaat van multiple establishment is m.i. in elk geval dat religie minder vrij is dan ze zou zijn bij een hands-off beleid. Staving volgt.

De ‘Wall of Separation’: idée fixe, fata morgana?

In de Verenigde Staten is het mogelijk om van een scheiding van kerk en staat te spreken, in die zin dat zij zich op institutioneel niveau niet met elkaar bemoeien. In de tijd van Tocqueville ging dit zover dat zelfs een combinatie van kerkelijk en een burgerlijk ambt out of the question was (later heeft ook Amerika hier water bij de wijn gedaan en is men ook juridisch gaan knabbelen aan de institutionele scheiding). Dit was heel anders dan in Europa waar tot ver in de twintigste eeuw de kerken heel korte lijnen hadden naar de ‘zetels van de macht’ en de wetgeving mede bepaalden. In Amerika domineert de metafoor van de ‘Wall of Separation’ vaak het debat echter op zo’n manier dat men wel eens vergeet dat ook daar de scheiding tussen kerk en staat niet absoluut is. Hoe zou dat ook kunnen? De levensvisie die men in de kerk (of waar dan ook) aanleert, bepaalt altijd mede de politieke keuzes die men maakt, bewust en onbewust. De scheiding is in de VS dan ook beperkt tot een ‘niet-bemoeienis’ met elkaars instellingen. Men accepteert die zo zoals ze zijn. Dat verbiedt vervolgens geen van beiden, kerk noch staat, om zich te bemoeien met het gedrag van de burgers, met het samenleven, met de omgang tussen de seksen, met de opvoeding en het onderwijs. Daar mag ook stevig getouwtrek plaatsvinden. Alleen zal de gelovige stem nooit meer waarde hebben dan elke andere willekeurige stem. Het zal moeten gaan via overtuiging. In een parlementaire democratie hebben burgers het recht om hun ideeën, los van waar ze die vandaan halen, binnen te brengen in het maatschappelijk en politiek debat en zodoende de wetgeving te beïnvloeden. Dat dit zo actief gebeurde in de VS, was hetgeen dat Tocqueville juist bewonderde. Een participatieve democratie. Het specifiek godsdienstige deel van de menselijke opvattingen beïnvloedt dus niet via door de staat geïnstalleerde kanalen de besluitvorming, maar doet dat indirect, d.w.z. door de opvoeding van de mens tot vrije mondige burgers die gestimuleerd worden mee te denken en hun zegje te doen over hoe het gezamenlijk leven het best geregeld wordt. Zoals Tocqueville fijntjes laat zien heeft die fameuze ‘Wall of Separation’ in de VS er dus helemaal niet toe geleid dat de religie uit de samenleving is gebannen, zoals sommige vrijdenkers in Europa wilden. Integendeel zelfs. De hele samenleving (en ook haar wetgeving) was ervan doordesemd. Amerika was het land van de WASPs: White Anglo Saxon Protestants. Die protestantse religie, hoe ook gearticuleerd, was onderdeel van de brede Amerikaanse cultuur. De ‘tweede tafel van de wet’, de ‘natuurwet’ en het ‘geweten van ieder mens’ (de toen meest gangbare term om de subjectieve kant van de vrijheidsrechten aan te duiden) zaten – zo geloofde men – op hetzelfde spoor. Pas achteraf en/of als buitenstaander is duidelijk hoe particularistisch (protestants-christelijk) dat algemeen moreel-ethische aanvoelen eigenlijk was. Qua opvoeding, rolpatronen, verhouding man-vrouw, heer-slaaf, eigendom en rassenkwesties: ook in de VS dacht men in dominante christelijke patronen die cultuurgoed waren geworden. De eerste test in de VS voor de realiteit van de godsdienstvrijheid als onvervreemdbaar mensenrecht, was het moment dat er een grote instroom op gang kwam van rooms-katholieke settlers uit Ierland, die al meteen moesten vaststellen dat de wetten op papier niet automatisch ook rechten in de praktijk betekenden. Conflicten op staatsscholen waar men ‘natuurlijk’ elke ochtend een stukje uit de King James Bible voorlas (‘Die bijbelvertaling is toch de beste vertaling die er is, wat zitten die katholieken toch te zeuren!’ was de reactie) leidden ertoe dat men een eigen netwerk en mini-zuil begon uit te bouwen. En inderdaad het werkte. Zelfs de meest rabiate papenvreters konden dit niet tegenhouden, hoewel ze het geprobeerd hebben. De grondwet bleek effectief het recht te vrijwaren, maar je moest je er wel zèlf voor inspannen om dat recht ook vorm te gegeven. De rooms-katholieken, hoewel centraal aangestuurd vanuit Rome, zijn erin geslaagd zich religieus te settelen in de Nieuwe wereld en hun kerk vorm te geven binnen de ‘wetten van het volk’. De vrijheid van godsdiensten de het hands-off beleid van de overheid samen gaf hen een kans en ze hebben die gegrepen, ookal heeft het tot J.F. Kennedy geduurd voor de president iets anders kon zijn dan protestant.

Multiple establishment (Europa)

De verdere ontwikkeling van deze vorm van godsdienstvrijheid, verankerd in de wetgeving, heeft geschiedenis geschreven, ook in Europa, zij het – zoals al gemeld – met dit ene opvallende verschil dat de vrijheidsclausule wel terug te vinden is in moderne (post-Napoleontische) Europese wetgevingen en zeker in de diverse formuleringen van de rechten van de mens na WO II, maar dat de non-establishment clausule hier niet echt is aangeslagen. Wie de situatie in Europa in ogenschouw neemt zal snel vaststellen dat hier een heel scala aan vormen van staatssteun is ontwikkeld, verschillend per land, en meestal prima te verklaren vanuit de historische achtergrond. Godsdienst is een cultureel gegeven dat in een lange traditie wordt doorgegeven, dus dat de wetgeving zich daarop ent is niet zo vreemd, zij moet de realiteit regelen, niet de idealen formuleren. Bijna overal is men van mening geweest (en is dat vaak nog) dat multiple establishment, wettelijk geregelde overheidssteun aan meerdere religieuze instituten, de vrijheid van godsdienst niet zou schaden. Ik betwijfel dat. Het voorbeeld van België, dat ik hierboven schetste, liet al zien dat zelfs zoiets onschuldigs als het uitzetten van een wettelijk kader waarbinnen men religieuze uitingen wil ondersteunen, al  invloed heeft op de vrijheid van een mens om z’n religie vorm te geven. Zo gauw je religie gaat formuleren als categorie (denkvorm) die een stuk menselijke realiteit wil capteren, moet je dus oppassen dat je de vrijheid van godsdienst geen geweld aandoet. Zeggen dat je dat niet doet, is niet voldoende. The proof of the pudding is in the eating. Nu moeten we van rechters en juristen die de godsdienstvrijheid willen regelen geen omvattende wetenschappelijke definitie van wat religie is, verwachten. Hoe zouden rechters kunnen slagen waar godsdienstwetenschappers falen? Het is echter wel de taak van de rechterlijke macht om er op toe te zien, dat àls er een vorm van steun is aan religieuze instellingen dat dit dan niet leidt tot discriminatie of wegdrukken van andere vormen van religie of religiositeit. Een open religiebegrip hanteren en daarbij een grote ‘margin of appreciation’ toe te staan, is de manier waarop men probeert dat te doen. Of dat voldoende is, betwijfel ik. Het punt verdient in elk geval meer aandacht dan het krijgt. Wie enig gevoel heeft voor de gulzigheid van de religieuze identifier, stelt namelijk ook al snel vast dat dit niet alleen leidt tot een verschraling van de ‘sources of the self’, maar ook tot een monochroom worden van het religieuze aspect van de persoonlijke en groepsidentiteit. De religieuze identifier die zich het best kan profileren duwt de andere articulaties van religie, ook binnen de eigen religieuze stroming, naar de achtergrond. Ook hier is er een subtiele interactie waarneembaar tussen de manier waarop de maatschappelijk perceptie van ‘religie’ zich meldt en de wijze waarop religieuze instituties daarop inspelen. Volgens mij zijn veel van de maatschappelijke spanningen rond de plaats van religie in de publieke ruimte, te herleiden tot een niet-bewustzijn (en dus ook niet-rekenschap geven) van het kwikzilverige karakter van het menselijk fenomeen dat wij religie noemen. Hier komt nog bij dat ‘governed religion’ (de term voor het ‘juridische construct’ waarmee politici en rechters opereren) gevangen zit tussen ‘expert religion’ (het ‘theologisch en godsdienstwetenschappelijk construct’ waarmee wetenschappers allerhande de politici en wetgevers bijstaan) en ‘lived religion’ (de activiteit van mensen die interageren met een religieuze autoriteiten, teksten, rituelen en hun medemensen en proberen hun plaats in de wereld te bepalen, al dan niet onder te brengen in één van de bovengenoemde constructen). De enorme spanningen die dit oplevert wordt bijzonder duidelijk als we onze blik richten op de wijze waarop de religievrijheid als mensenrecht functioneert.

De geest van Napoleon… en de vrijheid van godsdienst

“het volk zal z’n godsdienst hebben, maar ik houd de touwtjes in handen”, zei Napoleon, en sloot een concordaat met Rome (1801). De huidige wetgever redeneert nog steeds zo en gebruikt (misbruikt) de wet op de organisatie van de erkende erediensten als instrument om religie te ‘managen’. Echter: Religion is an unruly thing, en als je in zulke materie optreedt zoals de tovenaarsleerling uit het sprookje, maak je brokken. En dat zie ik inmiddels alom gebeuren. Mijns inziens is het dan ook hoog tijd om de geest van Napoleon uit te drijven: De organisatie van de godsdienstige impuls en de instellingen van het land (kerk èn staat) moeten echt van elkaar losgemaakt worden. Het zal beiden (staat èn kerk) ten goede komen. De staat is van het gezeur af, en religie wordt eindelijk ècht een vrije keuze.

De grondwet (eredienstfinanciering als alimentatie na een halfbakken scheiding van kerk en staat)

De financieringsplicht van de erkende erediensten (in het Frans: cultes) staat in de grondwet, zeker, maar de grondwet – met alle respect – is en blijft een historisch document. En het is niet noodzakelijk zo dat wat in 1831 een goed idee leek (namelijk de subsidiëring van de materiële en personele kosten van de rooms-katholieke eredienst), dat dat 186 jaar later nog steeds beantwoordt aan de maatschappelijke noden op het terrein van religie. Toen leek het – voortbouwend op het concordaat met Napoleon – een redelijke compensatie voor de annexatie van de kerkelijke goederen. Dit is vervolgens in de Belgische grondwet opgenomen (maar stond ook al in de grondwet on der Willem I, uitgewerkt in een een het latere Nederland beruchte Algemeen Reglement – 1816). Onderwijl is de rooms-katholieke kerk haar positie van bevoorrechte partner van de staat wel kwijtgeraakt en moet ze in België de aandacht delen met andere kandidaten. Kerk (beter: de geïnstitutionaliseerde religie) en staat (beter: het burgerlijk bestuur) zijn gescheiden. Zoals bij veel scheidingen was de alimentatieregeling – zo kun je de definitieve wet op de financiering van de erediensten eigenlijk best noemen – niet zonder slag of stoot tot stand gekomen en waren er later nog geregeld hevige conflicten. Vooral de diverse ‘schoolstrijden’ hakten er diep in. Toch werd het scheidingscontract nooit wezenlijk aangepast. Dat vond men niet nodig. De overheid bleef instaan voor de financiering van de kerk, zowel qua personeelskosten als betreffende het onderhoud en de inrichting van de gebouwen

Echter: bij de opstelling van het concordaat, en dus ook bij de alimentatieregeling later, had men slechts één georganiseerde religie in beeld: de rooms-katholieke kerk. De wet is ook op haar maat gemaakt. De bestuurlijke uitwerking past immers perfect bij een hiërarchisch georganiseerde priesterlijk-cultische religie, zoals de rooms-katholieke. Nadien meldden zich ook andere godsdiensten en eisten ‘gelijke behandeling’ voor hun eredienst en verkregen die ook. Neutraal is neutraal. Het gevolg is dat de Belgische staat in zaken van religie promiscue is geworden. Was dit eerst tot grote ergernis van de belangrijkste ex (de rooms-katholieke kerk), gaandeweg legde iedereen zich erbij neer en settelde zich. Het gevolg is dat de overheid nu moet instaan voor de alimentatie van zeven erkende erediensten èn de als eredienst verkleedde georganiseerde vrijzinnigheid. Men verdedigt het tegenwoordig met de redenering dat zo de overheid ‘wenselijke en onwenselijke’ vormen van eredienst kan onderscheiden en minoriteiten kan beschermen. Van wereldvreemdheid gesproken ! De realiteit is anders. Door het simpele feit dàt je religieuze instituten de kans geeft om zich uit te bouwen (dat is het effect en doel van de subsidie), je het behoren bij een religieuze groep als identiteitskenmerk versterkt. Dit heeft twee perverse neveneffecten:

  1. De religieuze identifyer verdeelt mensen in groepen, en installeert het wij-zij denken. Religie kan op persoonlijk vlak veel goed doen, maar sociaal bezien is het één van de meest scheidende, verdeeldheid zaaiende, principes, die wij kennen. Het zich identificeren als ‘moslim’, ‘christen’, ‘atheïst’ etc. Hoe nefast dit kan zijn voor een hyperdiverse samenleving leert ons… de geschiedenis. Onze eigen Europese, maar ook bijv. de Pakistaanse-Indische. 
  2. De feitelijke vrijheid van godsdienst neemt af, want de meeste religieuze instituten willen mensen aan zich te binden, al dan niet expliciet. Binnen een religieus instituut is er minder godsdienstvrijheid dan daarbuiten. Hoeveel vrij-denkende priesters zijn uit de kerk gezet.  Liberale moslims krijgen reële doodsbedreigingen.

Mensen die dus vrij willen denken en geloven, krijgen geen subsidie, mogen de door de overheid gesponsorde gebouwen niet gebruiken, hebben geen personeel ter ondersteuning… Op zich prima, maar dit is wel geïnstalleerde ongelijkheid. Idem voor groepen die niet aan de erkenningscriteria willen voldoen omdat die niet neutraal zijn. Kortom: Wie zal dus sterker worden? De officiële religie, die per definitie traditioneel is (dus ‘patriarchaal angehaucht‘, zeker als men zich beroept op oude teksten) en die mensen aan zich bindt via een systeem van ‘jij hoort wel bij ons’ en ‘jij niet’ (wij-zij denken). Hierdoor wordt veel wat on- of zelfs anti-modern (bijv. discriminatie van vrouwen, slaan van kinderen, besnijdenis, onverdoofd slachten) met overheidssteun in stand gehouden en versterkt.

Het effect van deze vorm van eredienstfinanciering is dat de invloed en macht van de religieuze systemen op individuele mensen wordt versterkt, m.a.w.: precies het tegenovergestelde van de intentie van de founding fathers van freedom of expression (and religion).

Ik vind het dan ook niet verwonderlijk dat sommigen vinden dat het tijd is voor een update van het systeem van de eredienstfinanciering. Die was gemotiveerd door staatsraison. Toen misschien verdedigbaar, nu ‘on-redelijk’ en contraproductief. De geest van Napoleon – “Het volk moet een religie hebben, en deze moet zijn in de handen der regering” – waart dus nog tezeer in het politieke halfrond. De wet op de erediensten staat de echte vrijheid van godsdienst (een mensen-recht, geen instituten-recht) eerder in de weg, dan dat ze die bevordert. En het is de samenleving die het gelag betaalt.

Hoe kan zo’n update er dan uitzien ?

Het heeft weinig zin om – zoals mw. Rutten (Open VLD) deed in april 2017, niet voor het eerst, noch voor het laatst – te pleiten voor een scheiding van kerk en staat in die zin dat mensen hun religieuze overtuigingen ‘thuis’ zouden moeten laten. Dat is een dom pleidooi en naast de kwestie. De scheiding van kerk en staat gaat over bestuurlijke bevoegdheid: De staat bestuurt het leven van de burgers zoals zij vindt dat zij dat doen moet (daarop bestaan verschillende visies) en de kerk organiseert zich zoals zij vindt dat ze dat doen moet (dat is de vrijheid van meningsuiting en van vereniging). Mensen hoeven hun religieuze overtuigingen niet thuis te laten als ze de voordeur uitgaan. Neen: burgers kunnen vanuit hun geloof aan politiek doen. Dat is niet meer of minder nobel dan vanuit een partijprogramma links of rechts. Prima. Laat iedereen het maar proberen om zijn visioenen en visies in de publieke ruimte binnen te brengen en met algemeen begrijpelijke argumenten anderen te overtuigen om daarin mee te gaan. Dat is burgerschap en burgerzin. Geen subsidie voor groep x of y, want dat is debat-vervalsing. De staat zal een kerk (zelforganisatie van een groep burgers) vervolgens ook enkel aanpakken als ze de wet overtreedt, net zoals ze bij elke andere vereniging doet. No problem, but that’s it, and that’s all. Voor zulke verenigingen hoeven ook geen andere subsidiekanalen te zijn dan die waarlangs ook andere verenigingen soms aan overheidsgeld kunnen geraken (sociaal/cultureel/educatief nut). Vanuit de huidige realiteit (waarin veel christelijke instituties nog verknoopt zijn met algemeen maatschappelijk werk) moet er dus transparantie komen met betrekking tot de dingen die vanuit de religieuze instellingen gedaan worden op het terrein van het algemeen nut, want dat blijft dus een zaak van publiek belang. De christelijke zuil heeft immers eeuwenlang een deel van de zaken gedaan die de staat nu als haar taak ziet, bijv. ziekenverpleging, onderwijs. Op dit punt zullen er dus duidelijke afspraken moeten gemaakt worden tussen enerzijds de georganiseerde religieuze instituten en para-religieuze instellingen (scholen en ziekenhuizen) en anderzijds de diverse burgerlijke overheden. Daarbij zal de burgerlijke overheid natuurlijk nog steeds geld spenderen aan allerlei zaken die ook met religie te maken, maar ze zal ze niet financieren inclusief het religieuze aspect (zoals nu het geval is), maar enkel omdat er handelingen van algemeen nut plaatsvinden (verpleging van zieken, sociale opvang, onderwijs). Dat ze de bouw en het onderhoud van religieuze gebouwen en religieus personeel niet betaalt, lijkt me een evidentie. En voor u denkt, dat heb je weer zo’n religie-basher: ik ben inspecteur godsdienstonderwijs, en stel mijn eigen beroep hiermee ook ter discussie. Alles kan beter, en in elk geval helderder.

Een neutrale overheid oordeelt nooit over intenties, maar wel over concrete handelingen. Die laatste financiert ze omwille van zichzelf, niet omwille van de intentie waarmee ze wordt uitgevoerd. Of iemand zieken verpleegt omdat God dat vraagt of omdat men geld wil verdienen, is hier niet van belang. Als het maar gebeurt volgens de regels der kunst.

Een groot aantal kerkgebouwen is monument, of stedebouwkundig een cruciaal onderdeel van landschap/buurt, en gezondheidszorg en onderwijs hoort tot de kerntaken van de overheid. Dus zal ze ook hospitalen en scholen uit de ‘katholieke (of andere) zuil’ blijven subsidiëren, maar niet ‘zonder meer’ en ook niet all-in. Het onderhoud van bepaalde kerkgebouwen zal dan via monumentenzorg en stedebouwkundig erfgoedbeheer verlopen. Maar nieuwe kerken bouwen, of moskeeën: prima, maar dat moet de religieuze gemeenschap dan wel zal betalen. Idem voor bestaande niet als monument of landschap erkende christelijke kerken. Religieuze componenten moeten religieuze gemeenschappen zelf organiseren en financieren. Het spijt me. Scheiden doet lijden. Het zal ook niet simpel zijn, maar een alimentatieregeling die nog geheel de geest ademt van ‘Napoleon’ verdient na 186 jaar inderdaad wel eens een update, sterker nog: het is tijd dat er een nieuwe geest gaat waaien.

Dick Wursten

De geest van Napoleon en de eredienstfinanciering

“het volk zal z’n godsdienst hebben, maar ik houd de touwtjes in handen”, zei Napoleon, en sloot een concordaat met Rome (1801). De huidige wetgever redeneert nog steeds zo en gebruikt de wet op de erkende erediensten als instrument om religie te ‘managen’. In de praktijk blijkt ze even onmachtig als Napoleon. Religion is an unruly thing. Het getouwtrek de laatste dagen tussen de twee bevoegde – maar machteloze – ministers Geens en Homans is dan ook een farce.

En erger: terwijl zij elkaar vliegen afvangen over wel/niet erkennen van sommige moskees maken identitairen (zij die van hun religie de kern van hun identiteit maken) van het recht op godsdienstvrijheid misbruik om hun speelruimte (in de samenleving) en invloedssfeer (in eigen middens) te vergroten, zodat de echte vrijheid van godsdienst voor veel mensen weer een stukje kleiner is geworden. De vraag die beide ministers niet stellen, maar die eigenlijk hoogdringend is, luidt: Is het maatschappelijk eigenlijk wel wenselijk om religieuze instituten financieel te ondersteunen bij hun uitbouw, zoals de Belgische wetgeving voorziet ? Ik meen dat daar heel wat haken en ogen aanzitten en dat het hoog tijd wordt om de geest van Napoleon uit te drijven.

De organisatie van de godsdienstige impuls en de instellingen van het land (kerk èn staat) moeten echt van elkaar losgemaakt worden. Het zal beiden (staat èn kerk) ten goede komen. De staat is van het gezeur af, en religie wordt eindelijk ècht een vrije keuze.

U neemt dat niet zomaar van mij aan? Gelijk hebt u. Hieronder wat achtergrond bij de huidige praktijk en enkele van haar wonderlijke neveneffecten en een korte oefening om zich voor te stellen wat er gebeurt als ‘kerk en staat’ elkaar echt vrij zouden laten.

De grondwet (eredienstfinanciering als alimentatie na een halfbakken scheiding van kerk en staat)

De financieringsplicht van de erkende erediensten (in het Frans: cultes) staat in de grondwet, zeker, maar de grondwet – met alle respect – is en blijft een historisch document. En het is niet noodzakelijk zo dat wat in 1831 een goed idee leek (namelijk de subsidiëring van de materiële en personele kosten van de rooms-katholieke eredienst), dat dat 186 jaar later nog steeds beantwoordt aan de maatschappelijke noden op het terrein van religie. Toen leek het – voortbouwend op het concordaat met Napoleon – een redelijke compensatie voor de annexatie van de kerkelijke goederen. In de Belgische grondwet (maar ook al in de grondwet onder Willem I, uitgewerkt in een algemeen reglement in 1816) is de rooms-katholieke kerk haar positie van bevoorrechte partner van de staat kwijt en moet ze dus de aandacht delen met andere kandidaten. Voortaan waren kerk (beter: de geïnstitutionaliseerde religie) en staat (beter: het burgerlijk bestuur) gescheiden. Zoals bij veel scheidingen was de alimentatieregeling – zo kun je de definitieve wet op de financiering van de erediensten eigenlijk best noemen – niet zonder slag of stoot tot stand gekomen en waren er later nog geregeld hevige conflicten – vooral de diverse ‘schoolstrijden’ hakten er diep in. Toch werd het scheidingscontract nooit wezenlijk aangepast. Dat vond men niet nodig. De overheid bleef instaan voor de financiering van de kerk, zowel qua personeelskosten als betreffende het onderhoud en de inrichting van de gebouwen

Echter: bij de opstelling van deze alimentatieregeling had men slechts één georganiseerde religie in beeld: de rooms-katholieke kerk. De wet is ook op haar maat gemaakt (de bestuurlijke uitwerking past precies bij een hiërarchisch georganiseerde priesterlijk-cultische religie). Nadien meldden zich ook andere godsdiensten en eisten ‘gelijke behandeling’ voor hun eredienst en verkregen die ook. Neutraal is neutraal. Het gevolg is dat de Belgische staat in zaken van religie promiscue is geworden. Was dit eerst tot grote ergernis van de belangrijkste ex (de rooms-katholieke kerk), gaandeweg legde iedereen zich erbij neer en settelde zich. Het gevolg is dat de overheid nu moet instaan voor de alimentatie van zeven erkende erediensten. De erkenning vereist slechts dat men volgens een aantal formele regels, die afgeleid zijn van de de rooms-katholieke kerkorganisatie en dus bijv. slecht passen voor de protestantse godsdienst en al helemaal niet voor de islam, is georganiseerd. Ook de georganiseerde vrijzinnigheid heeft in een laat stadium (1993) de overheid verleid – via een soort travestie-act waarbij ze zich verkleedde als ‘eredienst’ – om mee te kunnen eten uit de ruif. Het Boeddhisme, een aantal Hindoe-groeperingen en de Syrisch-orthodoxe kerk hebben een aanvraag ingediend. Waarom die nog niet erkend zijn, is niet echt duidelijk. De erkenningscriteria zijn ook bijzonder vaag. De rechtsongelijkheid die hierdoor is ontstaan, is eigenlijk niet acceptabel. Ze grenst aan willekeur.

Heeft u zich bijvoorbeeld wel eens afgevraagd waarom er eigenlijk vier varianten van het christendom erkend zijn als aparte godsdienst (rooms-katholiek, orthodox, anglicaans, protestants) en maar één islamitische? Het antwoord: een historische toevalligheid (z.b.). Anglicaans is bijvoorbeeld enkel erkend, omdat de eerste Belgische koning in Oostende graag zijn Engelse familie entertainde. Hier heerst de willekeur dus in zo sterke mate, dat rechters zich eigenlijk geen raad meer weten als ze uitspraken ten gronde moeten doen over zaken die met de vrijheid van godsdienst hebben te maken (hoofddoek, vergiet, ritueel slachten, exemptieclaims etc.).

Onderwijl blijft de overheid braaf de onderhoudskosten betalen, de alimentatie. Waarom? Zo is dat afgesproken, het staat in de wet. En blijkbaar denken veel politici dat ze zo ook stiekem controle kunnen houden over het doen en laten van al die levensbeschouwelijke organisaties. Dat is wel tegen de geest van het mensenrecht op vrijheid van godsdienst, maar past volkomen in de originele motivatie van het concordaat van Napoleon: het volk mag z’n godsdienst hebben, maar wij (de staat) houden de controle. Nochtans lijkt me die redeneerwijze naïef. Denkt minister Geens nu echt dat hij door ‘brave moslims’ te helpen de invloed van ‘stoute moslims’ kan terugdringen? Puur Wishful thinking: Religieuze groepen doen en zeggen toch wat ze willen, met of zonder subsidie. Wat bij dit alles de minister (maar hij is de enige niet) over het hoofd ziet, is dat door het simpele feit dàt je religieuze instituten de kans geeft om zich uit te bouwen (dat is het effect en doel van de subsidie), je het behoren bij een religieuze groep als identiteitskenmerk versterkt. Dit heeft twee perverse neveneffecten:

  1. De religieuze identifyer verdeelt mensen in groepen, en installeert het wij-zij denken. Religie kan op persoonlijk vlak veel goed doen, maar sociaal bezien is het één van de meest scheidende, verdeeldheid zaaiende, principes, die wij kennen. Het zich identificeren als ‘moslim’, ‘christen’, ‘atheïst’ etc. Hoe nefast dit kan zijn voor een hyperdiverse samenleving leert ons… de geschiedenis. Onze eigen Europese, maar ook bijv. de Pakistaanse-Indische. 
  2. De feitelijke vrijheid van godsdienst neemt af, want de meeste religieuze instituten willen mensen aan zich te binden, al dan niet expliciet. Binnen een religieus instituut is er minder godsdienstvrijheid dan daarbuiten. Hoeveel vrij-denkende priesters zijn uit de kerk gezet.  Liberale moslims krijgen reële doodsbedreigingen.

Mensen die dus vrij willen denken en geloven, krijgen geen subsidie, mogen de door de overheid gesponsorde gebouwen niet gebruiken, hebben geen personeel ter ondersteuning… Op zich prima, maar dit is wel geïnstalleerde ongelijkheid. Idem voor groepen die niet aan de erkenningscriteria willen voldoen omdat die niet neutraal zijn. Kortom: Wie zal dus sterker worden? De officiële religie, die per definitie traditioneel is (dus ‘patriarchaal angehaucht‘, zeker als men zich beroept op oude teksten) en die mensen aan zich bindt via een systeem van ‘jij hoort wel bij ons’ en ‘jij niet’ (wij-zij denken). Hierdoor wordt veel wat on- of zelfs anti-modern (bijv. discriminatie van vrouwen, slaan van kinderen, besnijdenis, onverdoofd slachten) met overheidssteun in stand gehouden en versterkt.

Het effect van deze vorm van eredienstfinanciering is dat de invloed en macht van de religieuze systemen op individuele mensen wordt versterkt, m.a.w.: precies het tegenovergestelde van de intentie van de founding fathers van freedom of expression (and religion).

Ik vind het dan ook niet verwonderlijk dat sommigen vinden dat het tijd is voor een update van het systeem van de eredienstfinanciering. Die was gemotiveerd door staatsraison. Toen misschien verdedigbaar, nu ‘on-redelijk’ en contraproductief. De geest van Napoleon – “Het volk moet een religie hebben, en deze moet zijn in de handen der regering” – waart dus nog tezeer in het politieke halfrond. De wet op de erediensten staat de echte vrijheid van godsdienst (een mensen-recht, geen instituten-recht) eerder in de weg, dan dat ze die bevordert. En het is de samenleving die het gelag betaalt.

Hoe kan zo’n update er dan uitzien ?

Het heeft weinig zin om – zoals mw. Rutten (Open VLD) deed in april 2017, niet voor het eerst, noch voor het laatst – te pleiten voor een scheiding van kerk en staat in die zin dat mensen hun religieuze overtuigingen ‘thuis’ zouden moeten laten. Dat is een dom pleidooi en naast de kwestie. De scheiding van kerk en staat gaat over bestuurlijke bevoegdheid: De staat bestuurt het leven van de burgers zoals zij vindt dat zij dat doen moet (daarop bestaan verschillende visies) en de kerk organiseert zich zoals zij vindt dat ze dat doen moet (dat is de vrijheid van meningsuiting en van vereniging). Mensen hoeven hun religieuze overtuigingen niet thuis te laten als ze de voordeur uitgaan. Neen: burgers kunnen vanuit hun geloof aan politiek doen. Dat is niet meer of minder nobel dan vanuit een partijprogramma links of rechts. Prima. Laat iedereen het maar proberen om zijn visioenen en visies in de publieke ruimte binnen te brengen en met algemeen begrijpelijke argumenten anderen te overtuigen om daarin mee te gaan. Dat is burgerschap en burgerzin. Geen subsidie voor groep x of y, want dat is debat-vervalsing. De staat zal een kerk (zelforganisatie van een groep burgers) vervolgens ook enkel aanpakken als ze de wet overtreedt, net zoals ze bij elke andere vereniging doet. No problem, but that’s it, and that’s all. Voor zulke verenigingen hoeven ook geen andere subsidiekanalen te zijn dan die waarlangs ook andere verenigingen soms aan overheidsgeld kunnen geraken (sociaal/cultureel/educatief nut). Vanuit de huidige realiteit (waarin veel christelijke instituties nog verknoopt zijn met algemeen maatschappelijk werk) moet er dus transparantie komen met betrekking tot de dingen die vanuit de religieuze instellingen gedaan worden op het terrein van het algemeen nut, want dat blijft dus een zaak van publiek belang. De christelijke zuil heeft immers eeuwenlang een deel van de zaken gedaan die de staat nu als haar taak ziet, bijv. ziekenverpleging, onderwijs. Op dit punt zullen er dus duidelijke afspraken moeten gemaakt worden tussen enerzijds de georganiseerde religieuze instituten en para-religieuze instellingen (scholen en ziekenhuizen) en anderzijds de diverse burgerlijke overheden. Daarbij zal de burgerlijke overheid natuurlijk nog steeds geld spenderen aan allerlei zaken die ook met religie te maken, maar ze zal ze niet financieren inclusief het religieuze aspect (zoals nu het geval is), maar enkel omdat er handelingen van algemeen nut plaatsvinden (verpleging van zieken, sociale opvang, onderwijs). Dat ze de bouw en het onderhoud van religieuze gebouwen en religieus personeel niet betaalt, lijkt me een evidentie. En voor u denkt, dat heb je weer zo’n religie-basher: ik ben inspecteur godsdienstonderwijs, en stel mijn eigen beroep hiermee ook ter discussie. Alles kan beter, en in elk geval helderder.

Een neutrale overheid oordeelt nooit over intenties, maar wel over concrete handelingen. Die laatste financiert ze omwille van zichzelf, niet omwille van de intentie waarmee ze wordt uitgevoerd. Of iemand zieken verpleegt omdat God dat vraagt of omdat men geld wil verdienen, is hier niet van belang. Als het maar gebeurt volgens de regels der kunst.

Een groot aantal kerkgebouwen is monument, of stedebouwkundig een cruciaal onderdeel van landschap/buurt, en gezondheidszorg en onderwijs hoort tot de kerntaken van de overheid. Dus zal ze ook hospitalen en scholen uit de ‘katholieke (of andere) zuil’ blijven subsidiëren, maar niet ‘zonder meer’ en ook niet all-in. Het onderhoud van bepaalde kerkgebouwen zal dan via monumentenzorg en stedebouwkundig erfgoedbeheer verlopen. Maar nieuwe kerken bouwen, of moskeeën: prima, maar dat moet de religieuze gemeenschap dan wel zal betalen. Idem voor bestaande niet als monument of landschap erkende christelijke kerken. Religieuze componenten moeten religieuze gemeenschappen zelf organiseren en financieren. Het spijt me. Scheiden doet lijden. Het zal ook niet simpel zijn, maar een alimentatieregeling die nog geheel de geest ademt van ‘Napoleon’ verdient na 186 jaar inderdaad wel eens een update, sterker nog: het is tijd dat er een nieuwe geest gaat waaien.

Dick Wursten

Is de eredienstfinanciering verouderd ?

Alles welbeschouwd vraagt Open VLD – bij monde van mw. Rutten (april 2017) – als ze pleit voor de afschaffing van de subsidiëring van erkende erediensten, om een herziening van de alimentatieregeling die de rooms-katholieke kerk heeft afgedwongen, toen zij haar statuut als bevoorrechte partner van de Belgische staat moest opgeven. Dit gebeurde bij de oprichting van het koninkrijk België, gebaseerd op een religieus neutrale grondwet. De jure zijn in België kerk (beter: de geïnstitutionaliseerde religie) en staat (beter: het burgerlijk bestuur) gescheiden, maar de facto staat de overheid dus nog steeds in voor de financiering van de kerk, zowel qua personeelskosten als betreffende het onderhoud en de inrichting van de gebouwen. Zoals bij veel scheidingen was ook deze alimentatieregeling niet zonder slag of stoot tot stand gekomen en waren er later nog geregeld hevige conflicten – vooral de diverse ‘schoolstrijden’ hakten er diep in. Toch werd het scheidingscontract nooit wezenlijk aangepast. Dat vond men niet nodig.

Ook de georganiseerde vrijzinnigheid heeft in een laat stadium (1993) de overheid verleid – via een soort travestie-act waarbij ze zich verkleedde als ‘eredienst’ – om mee te kunnen eten uit de ruif.

Bij de opstelling van deze alimentatieregeling had men slechts één georganiseerde religie in beeld: de rooms-katholieke kerk. Nadien meldden zich ook andere erediensten aan en eisten ‘gelijke behandeling’ met de rooms-katholieke kerk en verkregen die ook. Neutraal is neutraal. Het gevolg is dat de Belgische staat in zaken van religie promiscue is geworden. Was dit eerst tot grote ergernis van de belangrijkste ex (de rooms-katholieke kerk), gaandeweg legde iedereen zich erbij neer en settelde zich. Het gevolg is dat de overheid nu moet instaan voor de alimentatie van 7 erkende (dat is: volgens een aantal formele regels georganiseerde) erediensten. Ook de georganiseerde vrijzinnigheid heeft in een laat stadium (1993) de overheid verleid – via een soort travestie-act waarbij ze zich verkleedde als ‘eredienst’ – om mee te kunnen eten uit de ruif. Het Boeddhisme, een aantal Hindoe-groeperingen en de Syrisch-orthodoxe kerk hebben een aanvraag ingediend. Waarom die nog niet erkend zijn is niet echt duidelijk. De erkenningscriteria zijn bijzonder vaag.

Wel eens afgevraagd waarom er eigenlijk 4 varianten van het christendom (rk, orthod, angli, prot) zijn erkend  en maar 1  islamitische?

Onderwijl blijft de overheid braaf de onderhoudskosten betalen, de alimentatie. Waarom? Zo is dat afgesproken. Het staat in de wet. En blijkbaar zijn veel politici van mening, dat ze zo ook nog een beetje controle kunnen houden over het doen en laten van al die levensbeschouwelijke organisaties. Dat lijkt me wishful thinking: Religieuze instituten doen en zeggen toch wat ze willen. Dat is hun grondwettelijk recht, met of zonder subsidie. Natuurlijk binnen de grenzen van de rechtstaat, maar dat spreekt net zo hard voor zich als dat het inhoudelijk weinig zegt.

Tijd voor een update

Ik vind het niet verwonderlijk dat sommigen vinden dat het tijd is voor een update van het systeem. Je hoeft daarom nog niet net zoals mw. Rutten (Open VLD) te pleiten voor een volledige scheiding van kerk en staat. Dat kan ook niet, want mensen laten hun religieuze overtuigingen niet thuis als ze de voordeur uitgaan en dus zal de ‘kerk’ de ‘staat’ blijven beïnvloeden. Wel mogelijk is – en ik neem maar aan dat ze dat bedoelt – dat er meer transparantie komt over hoe dat dan gaat als overheidssubsidie bij te pas komt. Dat betekent dat er duidelijke afspraken moeten gemaakt worden tussen enerzijds de georganiseerde religieuze instituten en para-religieuze instellingen (zoals scholen, ziekenhuizen) en anderzijds de overheden. Daarbij zal de burgerlijke overheid natuurlijk nog steeds geld spenderen aan allerlei zaken die ook met religie te maken, maar ze zal ze niet financieren omdat ze met religie te maken hebben (zoals nu het geval is), maar omdat er handelingen van algemeen nut plaatsvinden (verpleging van zieken, sociale opvang, onderwijs).

Een neutrale overheid oordeelt nooit over intenties, maar wel over concrete handelingen. Die laatste financiert ze omwille van zichzelf, niet omwille van de intentie waarmee ze wordt uitgevoerd. Of iemand zieken verpleegt omdat God dat vraagt of omdat men geld wil verdienen, is hier niet van belang. Als het maar gebeurt volgens de regels der kunst.

Een groot aantal kerkgebouwen is monument en gezondheidszorg en onderwijs hoort tot de kerntaken van de overheid. Dus zal ze ook hospitalen en scholen uit de ‘katholieke (of andere) zuil’ blijven subsidiëren, maar niet ‘zonder meer’ en ook niet all-in. De religieuze componenten zullen de religieuze gemeenschappen zelf moeten organiseren en de voorwaarden waaraan zulke instellingen zullen moeten voldoen, kunnen we met z’n allen bepalen (daarover kan het parlement beslissen, liefst na een breed maatschappelijk debat). Het zal niet simpel zijn, maar een alimentatieregeling die nog dateert van ‘Napoleon’ verdient inderdaad wel eens een update.

Dick Wursten